Twee dichters over de zonde
1979-03-30
De twee dichters die ik bedoel zijn Okke Jager en Da Costa. Ze hebben zich allebei indringend geuit over de zonde in het leven en met name in het christelijk leven en in het leven van de christen. En ze zijn allebei tot één conclusie gekomen. Deze dat een ware christgelovige nogal wat kan in zijn strijd tegen de zonde. Da Costa legt meer de nadruk op het strijden van de christen tegen de zonde in zijn persoonlijk leven, Okke Jager op de strijd tegen de zonde in het publieke leven.- Jaargang 23
- nummer 13
Vorig jaar heeft Jager een brochure laten verschijnen onder de titel "Wij zijn niet machtelaos" . Daarin maakt hij enkele raillerende opmerkingen over die mensen, die van mening zijn, dat we van nature geneigd zijn tot alle kwaad en die vinden dat je zo iets ook merken kunt in het publieke leven. Toen ik het laswist ik dat ik dit soort optimistische beschouwingen over de macht van de gelovigen in de strijd tegen de zonde meer gelezen had. En dat was bij Da Costa. Mr I. da Costa heeft zich in een brief aan Dr H. F. Kohlbrügge d.d. 15 november 1833 gekeerd tegen Kohlbrügse's uitleg van Romeinen 7: 14. "Ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde". Da Costa vond die uitleg "minder aangenaam voor zijn gemoed", omdat Kohlbrügge volgens da Costa daardoor geen recht deed aan de schriftuurlijke leer van de heiligmaking; geen recht deed aan het werk van Christus in ons. Da Costa ontkende dat wij moesten leven niet alleen van een borgtochtelijke gerechtigheid, maar ook van een borgtochtelijke heiligheid. Dat laatste had Kohlbrügge gezegd in zijn preek over Romeinen 7: 14.
Okke Jager kiest andere woorden, maar zegt hetzelfde. Jager stelt "Moeten wij 'geneigd tot alle kwaad' dan schrappen uit de kerkelijke 'belijdenis?
De uitdrukking is anders bedoeld dan gebruikt, maar is toch ook goedbedoeld nogal ongelukkig. En dat alleen al, omdat 'alle kwaad' te algemeen is". Jager citeert Heering met instemming als hij zegt "Onze zonde~ leer - dat is onze zonde!". Het is nogal wat. En het is de moeite waard om te vragen of deze dichters gelijk hebben. Vanwege de zaak. Het boekje van Dr Jager is uitgegeven bij Ten Have in Baarn en Da Costa citeer ik uit "Hoogst belangrijke briefwisseling tussen Dr H. F. Kohlbrügge en Mr I. da Costa over de leer der heiligmaking" in een uitgave van het jaar 1933.
Irritatie
Ik werd geprikkeld toen ik Jager's beschouwingen las. Ik vond die beschouwingen minder aangenaam voor mijn gemoed. Nu moet je met irritatie altijd oppassen, maar zeker als iemand je wijst op je zonden.
Dat laatste wil Jager doen. En als je dán geprikkeld raakt, kan dat heel goed zijn oorzaak vinden in het feit dat een mens zich geraakt voelt. En als een mens geraakt wordt over zijn zonden dan is dat heilzame prikkeling. Ja het moet olie op ons hoofd zijn. Ik heb me dus afgevraagd of ik geprikkeld was omdat ik op mijn zonden gewezen werd of - wat ook mogelijk zou zijn - omdat een vertrouwd stuk leer van de Catechismus me ontnomen werd.
Maar na lezen en herlezen ben ik tot de conclusie gekomen dat ik geprikkeld raakte èn door Jager's manier van zeggen èn door zijn opinie. Maar Da Costa zegt hetzelfde.
Daardoor raak ik niet geirriteerd.
Dat kan zijn omdat Da Costa lang geleden sprak. Maar dat is het toch niet. De mening van Da Costa is even hoogst bedenkelijk als die van Jager. Maar Da Costa spreekt niet zo cabaratesk over de zaak. Dat doet Jager. Vermoedelijk bereikt hij daardoor het tegendeel van wat hij bedoelt. Jager is knap in dat cabaret-achtig geschrijf.
Maar deze zaak is te ernstig om het op die manier af te doen.
Hij schrijft zo dat ik het oneerbiedig vind vaak. Dat bedoelt hij ongetwijfeld niet. Maar die indruk maakt het op mij. Enkele voorbeelden.
"In de jaren zestig stonden wij met Elia op de Karmel, op de barrikade". . .. Maar nu, in de jaren zeventig, zitten wij met Elia in de woestijn" (blz. 17). Elia ontmoette Jahve, de Rechter der ganse aarde in de woestijn. En op de KarmeI stond hij in de kracht van deze enige God tegen de baäls. Het is 'leuk' gezegd. Maar Cohn Bendit e.a. zijn geen Elia's. Dat willen ze ook niet zijn. Zo iets te zeggen is oneerbiedig.
"Dat maakt de jaren zeventig nog onverdragelijker: dat zij zo goed verdragen worden". Weer een aardige woordspeling, maar als de zaak hem heilig is moet hij zulke woordspelingen maar achterwege laten. Er valt dan niet meer te spelen.
"De hoogste macht schijnt te berusten bij een demonische drieëenheid: veel geld verdienen, een leger om het te bewaken en en kerk die beide zegent" (blz. 25). Zo spreek je niet over de Drie-enige God, als je je zelf als zondaar hebt leren kennen. Dan pas je wel op. De eerbied voor God duldt dat niet.
Oppervlakkig
Het boekje stikt van de oppervlakkigheden en onbewezen stellingen.
Hij zegt dat de historici bezig zijn de geschiedenis te vervalsen. Bewijs?
Ontbreekt. En je denkt: alle historici? Of sommigen? De meesten?
Of enkelen? Geen Amerikaan bekommert zich om de 500 duizend oorlogsinvaliden (blz. 22) en je denkt: echt geen enkele Amerikaan?
Geen arbeider maakt zich druk over Vietnam (blz. 28). En je vraagt: is dàt waar? Waar is het bewijs? Er was geen eensgezind nee tegenover de abortus, omdat het de tegenstanders van die praktijk geld zou kosten (blz. 37). Welke tegenstanders?
Alle? Welk geld?
Ik kies zo maar enkele voorbeelden.
Het boekje is er vol van. Maar het eerste is dat hij niet meer de radicaliteit van de zonde ziet en daardoor ook de radicaliteit van de genade niet. Het is trouwens toch een wet: wie in dit land politiek progressief wil zijn is niet echt radicaal.
Dat geldt ook voor dr Jager.
Nu zou dit alles voor mij nog geen reden geweest zijn over het boekje van Jager te schrijven, ware het niet dat hij hetzelfde probleem aan de orde stelt, als ik aan de orde stelde in mijn artikelen in dit blad onder de titel "Het C.D.A. en de zonde".
In juli 1978 werden ze geplaatst.
Ik kreeg daarop nogal wat reacties van lezers.
Privé en publiek. Meer dan eigenlijk normaal was. Ik kreeg ook een schriftelijke reactie van Mr W. Aantjes, toen fractie-voorzitter van het C.D.A. in de Kamer. Ik had dit geschreven: "Aantjes, van de rechter flank van de Gereformeerde Gezindte, gelooft niet dat de H.
Catechismus gelijk heeft als die ons leert dat de mens van nature onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.". Mr Aantjes was zo vriendelijk me daarover te schtijven.
Nu heb ik daarop niet gereageerd omdat in de positie van Mr Aantjes verandering is gekomen.
Maar Okke Jager verwijst ook naar de opinie van Mr Aantjes over de Catechismus. Hij valt Aantjes bij en zegt dat Aantjes maar "al te goed weet hoe die uitspraak funktioneert: ze heeft een verlammende of een passiviteit-rechtvaardigende uitwerking" (blz. 59). Dat is een correcte weergave van Aantjes' mening over de Catechismus.
Ik was van plan het zwijgen hierover te bewaren. Maar nu in deze brochure die mening van. Aantjes met instemming wordt weergegeven lijkt het me goed er nader op in te gaan. En Mr Aantjes zal het niet op prijs stellen doodgezwegen te worden. De zaak is belangrijk ook na de wisseling aan de top in het C.D.A. Het was mij te doen om het concrete politieke bedrijf in dit land. Daarom is het Okke Jager ook te doen. En blijkens de reacties is er onder de lezers van 'Opbouw' belangstelling genoeg voor.
Radicaal
De H. Catechismus zegt ook van de bekeerde mens dat hij nog steeds tot alle boosheid geneigd is. Ik vermoed dat Mr Aantjes alleen aan zondag 3 gedacht heeft en bij Jager blijkt het ook niet dat hij aan iets anders denkt. Maar niet alleen zondag 3 spreekt over de verdorvenheid van de mens van nature, maar ook zondag 23. In zondag 23 staat dat degene die Jezus Christus heeft gevonden en aangenomen, omdat hij door Hem gevonden is en aangenomen, nog steeds tot alle boosheid geneigd is'. Als Jager meent dat deze formulering, ook goed bedoeld, nogal ongelukkig is doet hij wel een frontale aanval op de Catechismus.
Maar dat is tot daar aan toe. Hij doet dan ook een frontale aanval op de H. Schrift.
De leer van de rechtvaardiging van de zondaar, ja van de goddeloze uit genade alleen, zonder de werken, is de waarheid van het Evangelie.
Galaten 2: 14. Deze leer is dus dat wat het Evangelie tot een blijde boodschap maakt. Deze leer is in de loop der eeuwen steeds weer aangevallen. En bijna altijd vanuit humanistische motieven. De radicale en totale verdorvenheid van de mens wordt daarin geleerd.
Er worden geen vrome mensen vrijgesproken door God. Geen beste brave lieden. Geen wereld- en zelfverbeteraars, maar goddelozen. Romeinen 4 : 5. En wij moeten allemaal doen als Abraham: ons geloof vestigen op God, die goddelozen vrijspreekt. De H. Catechismus verwijst in zondag 23 naar Romeinen 7. Dat is terecht. Wat de Catechismus zegt over de gelovige, dat hij nog steeds tot alle boosheid geneigd is. Dat zegt Paulus ook. Paulus zegt immers van de wedergeboren mens dat hij vlees is, verkocht onder de zonde. Dat is wat Kohlbrügse aantoonde en wat Da Costa onaangenaam was. Het is trouwens iets wat eigenlijk ieder mens onaangenaam is. Er blijft nl. van ons zelf niets over. Onze werken komen niet in aanmerking als het gaat om onze rechtvaardiging. Ze komen evenmin in aanmerking als het gaat over onze heiligmaking. Jager laboreert aan de opvatting van veel Gereformeerden, die menen dat je in het stuk van de rechtvaardiging wel geheel lijdelijk bent, maar dat in het stuk van de heiligmaking dan zelf aan de gang moet, zij het dan uit dankbaarheid en uit kracht van Christus' overwinning. Maar Jezus Christus is van God gegeven tot gerechtigheid, heiligheid en een volkomen verlossing. God dank! We hebben in Hem alles. Want Hij is geen halve Zaligmaker. En als wij, op welke manier dan ook, in het christelijk leven zèlf aan de gang moesten dan zag het er zeer somber uit voor ons zelf en voor de maatschappij.
En het ziet er somber uit en het blijft er somber uitzien, zo lang dit niet erkend wordt. Wie de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen aanvaardt, gaat over van de duisternis in het licht om een derde dichter te citeren (Geert Bogaard).
Die gaat ook in de politiek over van de duisternis in het licht. .
Actie?
Deze leer van Jezus maakt ons niet tot zorgeloze mensen, maar bewaart ons ook voor idealisme. De vruchten komen zeker. Maar de eerste ware geloofsvrucht is gevoel van onwaardigheid... De andere . .. is gevoel van volslagen krachteloosheid. .. (Briefwisseling, blz. 41). Het grootste gevaar voor een klein beetje dragelijke samenleving is het ontkennen van dat 'tot alle boosheid geneigd'. Die ontkenning geeft nl. een diagnose van ons zelf en van de samenleving, die de echte kwaal niet aanwijst. En dus de echte genezing niet. Het groot-
<te gevaar in de politiek zijn de humanistische optimisten. De idealisten, die denken nog heel wat te kunnen bereiken. De opvatting dat de mensen nog wel voor een dragelijke samenleving kunnen en willen zorgen is te verbazingwekkender na de twee wereldoorlogen van deze eeuw. De Erasmussen van deze christelijke wereld zijn de koningen in Utopia. De wreedheden van het christelijk Europa door de eeuwen heen zijn verschrikkelijk.
Kruistochten en Jodenhaat zijn twee gruwelijke werkelijkheden, waardoor het "christendom" getypeerd kan worden. Tot wat is de mens in staat! Ook de gedoopte mens. De kerkgeschiedenis is er niet alleen als voer voor zelfkwelIers" zegt dr Jager (blz. 8). Hij heeft gelijk.
Maar wie het van de Schrift niet wil leren dat de mens tot alle kwaad geneigd is, zou het in de kerkgeschiedenis kunnen ontdekken. Want de historie leert niets.
Dr Jager is nogal onder de indruk van de actie uit de zestiger jaren.
De beweging uit die tijd is "doodgelopen in de reaktie van de restaurateurs" (blz. 17). Jager kan over die zestiger jaren nogal verheven doen, maar dat sluit niet uit dat alle wereldverbeteraars uit die tijd het "goddeloos" niet wensten te aanvaarden over hun eigen Ie ven. En daarom ook niet over de maatschappij en de samenleving: Als je dát niet aanvaardt, blijf je .wat rommelen in de marge. De echte nood pak je niet aan. Het echte geneesmiddel wordt niet genoemd.
Het echte geneesmiddel is dit dat we alleen vrijgesproken worden om het werk van Jezus Christus.
En dat de vrijgesprokene in het 'en toch' leeft. Hij is ondanks zijn boosheid nochtans gerechtvaardigd en geheiligd. In Jezus Christus, In niets en niemand anders.
Verlammend?
Wie door het geloof in Jezus Christus hersteld is in de rechte verhouding tot God, de naaste en tot zijn omgeving. is niet iemand die bij de pakken gaat neerzitten, maar is wel iemand die het van Jezus Christus alléén verwacht. Deze leer van de vrijspraak van de goddeloze maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen. Dat is onmogelijk. Juist omdat in deze leer, in het aanvaarden van Jezus Christus, de zondaar weet voor God te staan. Het maakt hem tot iemand die nooit verontschuldigingen zoekt voor de zonden, zeker niet voor die van hemzelf.
De zonde heeft geen oorzaak.
Alleen maar een begin. Dat heeft Berkouwer heel duidelijk gemaakt in zijn boeken over de zonde. Die kan dan ook heel wat sympathie opbrengen voor Kohlbrügge. Juist wie alle onderdelen van de leer van de vrijspraak van de goddeloze, zonder de werken, om Jezus' wil alleen, aanvaardt en daaruit leeft en steeds weer wil leven, weet dat op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld. Dat zag De Costa wel goed. Maar die weet dan ook dat het èn in het christelijk persoonlijk leven èn in het christelijke publieke leven niet afhankelijk is van de mens. Ook niet van de vrome mens. Het koninkrijk komt niet langs lijnen van geleidelijkheid.
De eindvervulling kan niet denkend en handelend geanticipeerd worden. (blz. 73). Dat wèl te denken is meer een doperse anticipatie dan een radicaal christelijk denken. De synode van Sneek van de Gereformeerde Kerken zag het goed toen die zei dat "het heil voor deze wereld en de komst van Gods Koninkrijk niet mogen worden vereenzelvigd met de vernieuwing van ...
de maatschappij, met economische reorganisatie of met betere sociale, internationale en radicale verhoudingen".
Wie de zonde niet radicaal neemt, neemt ook de genade niet radicaal. Het heil is geen vrucht van de historie. En de goede werken, waarin wij moeten wandelen heeft God te voren bereid.
Efeziërs 2 : 10. Laten we alle heiligingskrukken weggooien. Dat adviceerde Kohlbrügge voor ieder's persoonlijke leven. Maar het geldt ook voor het publieke leven.
In het Gereformeerde leven schijnen toch altijd weer de moraalpredikers te moeten opstaan. We zijn van een christendom dat niet klopt.
Wie dat niet toegeeft is een dwaas.
Het Farizeïsme steekt de kop altijd weer op. Het is een vermoeiende leer of het nu zegt dat je door.
eigen inspanning voor je zaligheid moet zorgen of dat je door eigen inspanning voor een betere wereld moet zorgen. Het is hoogmoed te denken dat je het kunt. Pas als we zwak zijn, zijn we machtig. En we zijn geen overwinnaars na alle lijden van deze wereld. Maar in dat alles. Niet nadat we dat alles overwonnen hebben. Romeinen 8: 31-39. Jezus Christus is de hulp van de machtelozen. Daarom zijn ze meer dan overwinnaars.
Het C.D.A. en de zonde
In de artikelen over het C.D.A. en de zonde keerde ik me tegen de vermenging van Bijbels realisme en humanisme. Ik wilde waarschuwen tegen gebrek aan radicaliteit. Dat wil ik nog. Ik schreef die artikelen naar aanleiding van de vragen rond de koopsompolissen e.d. Ik schreef voordat de bevindingen van de commissie-Hofstra bekend waren.
Enkele lezers, waaronder Mr Aantjes, vonden dat ik te veel gedaan had of de beschuldigingen waar waren.
Een excuus zou op zijn plaats zijn aan de C.D.A.-fractie. Ik heb niet bedoeld een oordeel uit te spreken over zaken die ik niet beoordelen kon. Ik schreef dat ik dat wel aan de commissie-Hofstra kon overlaten. "Dat zal allemaal wel uitgebreid en eerlijk uitgezocht én uit de doeken gedaan worden".
Misschien ben ik in mijn denken er wel te zeer van uitgegaan dat de geruchten waarheid zouden bevatten.
Dat is dan onbedoeld gebeurd.
Dat is echter ook zonde. Dat wil ik graag erkennen. Verder ging het me meer om de 'verklaringen' van Steenkamp en Lubbers en om het verschil tussen humanisme en Bijbels realisme. Als ik iemand onrecht aandeed wil ik dat graag erkennen.
Ik kan het bij doorlezen niet ontdekken, maar het is mogelijk.
Maar ik handhaaf mijn bezwaren tegen elke beschouwing en elke handelwijze, waarin men het met de zonde en de zondeleer op een .akkoordje gooit.
Maar we moeten ook niet te verbaasd zijn over de uitbarstingen van gemeenheid in de wereld. Zo lang we nog zeggen van 'hoe bestaat het', kennen we ons zelf niet en de ernst van de zonde niet.
Nog een dichter Ik heb overigens niets tegen dichters.
Met veel instemming hier een deel van een gedicht van Geert Bogaard, getiteld "Mijn enige troost".
Mijn enige troost
is een komma
tussen "vleselijk"
en "verkocht
onder de
“zonde".
Die komma weglaten
is in de zielszorg
een ramp ...
Niet alleen in de zielszorg. Ook in de politiek.