De vrouw en de verloren drachme
1979-04-13
Als vrouwen aan het Woord komen- Jaargang 23
- nummer 15
Het bovenstaande is de titel van een boek van honderd en veertig bladzijden, waarvan naar ik meen eind '78 een tweede druk uitkwam.
Het is een enigszins nadere uitwerking van een radio-serie van twaalf programma's, door de N.C.R.V. in het jaar daarvoor uitgezonden en bedoeld om Feministische Theologie bij een groter publiek te introduceren.
Blijkens de tweede druk van dit boek, verschenen bij Kok in Kampen, is er een groeiende belangstelling voor. In de kerkelijke pers wordt er aan de Feministische Theologie behoorlijke aandacht besteed.
De titel is ook pakkend genoeg.
Vrouwen willen aan het woord komen op het speciale terrein van bet Woord, dat van de kerk en van de theologie. Verschillende vrouwen komen in dit boek aan het woord, zowel als gesprekspartner als ook als schrijfster van artikelen; het boek heeft ook enkele mannelijke medewerkers. Deze vrouwen spreken elk voor zich en denken niet allen gelijk, maar er is toch één ding dat ze allen verbindt: het streven naar een feministische theologie, waarvan in dit boek enkele aspecten worden getoond. Dit verschil in de eenheid moet de lezer in het volgende wel voor ogen houden.
We zien in dit boek de klacht naar voren gebracht dat in de kerk en in de theologie de mannelijke strukturen overheersen. Het zijn dé mannen, die hier tot nu toe de dienst hebben uitgemaakt; zij waren het, die de Bijbel uitlegden, die dogmatieken het licht deden zien en in de kerk de ambten bekleedden. Zo gaven zij aan kerk en theologie een mannelijk aanzien. En dit is daarom van zo' kwalijke betekenis omdat bij de mannen het traditionele, het verstandelijke op de voorgrond staat. Bij de vrouwen is dit totaal anders. Bij hàar overweegt het emotionele, het gevoelsmatige. Daarom voelen ze zich bij al dit mannelijke gedoe niet thuis! Ze vinden daarin zichzelf niet terug, zij herkennen zichzelf niet in het mensbeeld van de theologen.
Deze klacht van de zo sprekende vrouwen grijpt dieper dan een loutere ontevredenheid met de haar toegewezen plaats. De feministische theologen achten zich tekort gedaan in haar vrouwelijke aard,' die sterker dan bij de mannen door net emotionele bepaald wordt. Door de mannelijke strukturen gevoelen ze zich tekort gedaan in haar geloofsbeleving in de kerk, al geven .ze toe dat een enquête heeft uitgewezen dat ruim de helft van de vrouwelijke studenten in de theologie dit zo niet ervaart, maar tamelijk tevreden is, waar tegenover staat dat ook sommige mannelijke studenten een gemis gevoelen.
Doordat het traditionele in de theologie overweegt wordt de persoonlijke betrokkenheid teveel gemist.
In onze tijd is dit alles nu echter meer bewust geworden dan vroeger het geval was. In de maatschappij heeft 'het feminisme in het algemeen de bewustwording van de vrouw tegenover de mannelijke beheersing der strukturen aangewakkerd, in de kerk gaat dit moeilijker omdat de lage plaats en de zwijgzaamheid van de vrouw daarin eeuwenlang is gesacraliseerd, in de sfeer van het heilig gebod is getrokken.
Zo is de vrouw opgescheept met een negatief zelfbeeld.
Daaraan trachten deze vrouwen nu te ontkomen. Het gaat ze om een vrouwelijke, persoonlijke beleving van de relatie met God, niet gehinderd door mannelijke taal, beelden en strukturen. Deze heeft de al te mannelijke theologie haar tot nu toe niet geboden, vandaar de poging om te komen tot een feministische theologie.
Hier en daar richt deze klacht zich ook tot de Bijbel. De openbaring hoofdzakelijk door het mannelijke bewustzijn heengegaan en dat is in de Bijbel duidelijk terug te vinden in de beelden, in de namen van God: de Heer, de Rechter, de Vader, de Krijgsman. Feministische theologen verzetten zich tegen deze eenzijdige, masculine en patriarchale beelden van God, vooral de van de mannen uit geprojecteerd te vragen op z'n minst aanvulling vanuit de vrouwelijke geloofsbeleving, om zichzelf daarin terug te vinden. Een van haar geeft ter toelichting het volgende beeld, uit de gelijkenis van Jezus in Luc. 15. De vrouw uit deze gelijkenis had tien drachmen en verloor er één van: ze stak een lamp aan en doorzocht heel haar huis totdat ze de verloren drachme vond. De schrijfster gebruikt dit als een beeld voor de vrouwen die op zoek zijn naar haar verloren zelf. Dit zoeken verbindt in alle onderlinge verschillen de feministische theologen op de weg naar haar bevrijding, dwars door alle kerken en tradities heen. De Feministische Theologie wil heel de mannelijke, harde strukturen in kerk en theologie doordringen met de 'vrouwelijke', zachte waarden, zodat ze minder mannelijk, meer persoonlijk menselijk worden. Zij meent daardoor ook de mannen zelf te dienen. De man heeft toch maar een half-menselijkheid en het gaat er voor mannen en vrouwen om het heel-menselijke te bereiken en dat kan alleen door een specifiek vrouwelijke inbreng. Tot nu toe exegetiseerden en verklaarden de mannen de Bijbel, daardoor zijn de teksten eenzijdig mannelijk belicht.
'Wanneer wij als vrouwen een eigen ontmoeting (met de Bijbel) durven aangaan, zal er ook een nieuw licht op teksten vallen.
Mens of half mens?
Het zal duidelijk zijn hoe de feministische theologie tot bovengenoemde gedachtengang komen. Zij beroepen zich daartoe op Gen. 1, dat er bij haar, in het voorbijgaan gezegd, beter afkomt dan het 'tweede scheppingsverhaal' in Gen. 2, waarin immers verteld wordt dat God de vrouw schiep uit een rib van Adam, nadat alles reeds geordend was en de man reeds alle dieren had benoemd ...
Gen. 1: 27 leert ons dat God de mens schiep, man èn vrouw, die dus sámen de hele mens zijn. Zo is de gedachtengang. Het loont de moeite op deze tekst nader in te gaan.
In het Hebreeuws staan hier niet de gewone woorden voor man en vrouw, maar woorden die het geslacht aanduiden. Daarom is de vertaling 'mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen' te verkiezen boven die van 'man en vrouw'. Eén van de schrijfsters in het boek blijkt dit wel te weten, maar er niet de nodige consequenties aan te verbinden.
Want hier wordt dus gezegd dat de mens slechts bestaat 'mannelijk en vrouwelijk' en zó mens is. Wij kunnen wel in het afgetrokkene spreken over 'de mens' en daarbij denken aan een wezen, dat de som van alle mannelijke en vrouwelijke eigenschappen in zich verenigt, maar zulk een wezen bestaat slechts in onze gedachten, maar niet in de concrete werkelijkheid naar Gods bedoeling bij de schepping. Hij schiep de mens mannelijk en vrouwelijk, een mannelijk en een vrouwelijk mens, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hèn. In Gen. 5 : 2, waar dezelfde woorden in het Hebreeuws gebruikt worden, wordt ons dit nog eens duidelijk ingescherpt: mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen, en HIJ zegende hen en noemde hen 'mens', ten dage dat zij geschapen werden. God schiep geen halve mensen, HIJ schiep de mens wel in de om zo te zeggen nodige verscheidenheid, in onderscheid van geslacht met alle complicaties daarvan, maar in die differentiatie zijn beide man en vrouw mens en hebben zij het mens-zijn met elkaar gemeen.
De 'hele' mens als een wezen met de optelsom van de met elkaar in harmonie gebrachte verscheidenheid van man en vrouw is een abstraktie en geen werkelijkheid, noch een na te streven ideaal. We behoeven Gods scheppingswerk niet te verbeteren. Mens in verscheidenheid, zo heeft God het gewild bij de schepping, en zó mens, geen halve mens slechts. Die verscheidenheid mag niet leiden tot polarisatie, want ze zijn blijkens het vervolg voor elkaar bestemd. Ze mag ook niet leiden in de weg van een vervlakkende harmonisatiepoging tot nivellering van het persoonlijk-mannelijk en persoonlijk vrouwelijke; tot het algemene persoonlijk-menselijk van de ene mens. De strijd tegen de discriminatie van de vrouw mag nooit gaan ten koste van de verscheidenheid in de weg van haar opheffing. Die verscheidenheid aan te tastenis de kwalijkste vorm van discriminatie van de concrete mens.
Ik zeg niet dat de feministische theologen dit willen, evenmin dat zij uit zijn op polarisatie - integendeel, zij streven naar een 'verzoening' in eensgezindheid en luisteren naar elkaar. Zo zeggen sommigen het tenminste duidelijk. Ik heb het dus uitdrukkelijk niet over een polarisatie, waarop zij uit zijn, maar over iets, waarvan zij min of meer uitgáán: een door polarisatie ingegeven gedachte van man en vrouw als elk maar 'de halve mens' en dientengevolge van de openbaring als een halve openbaring, omdat zij althans grotendeels door het mannelijk bewustzijn is heengegaan.
Zo stellen sommigen van haar de zaken tenminste. En zo krijgt het polariseren in de openbaringstaal en -beelden natuurlijk zijn gerede kans. Daarover in een slotartikel.