Zie, hier is uw God(4)

1978-06-23
  • Jaargang 22
  • nummer 25
Wij willen zo graag iets van God te zien krijgen. Zoals Philippus, die zei: Here, toon ons de Vader, en het is ons genoeg (vers 8).
Op die vraag kwam het antwoord van Jezus: wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

Ik denk, dat wij onze tegenwerping al klaar hebben: ja, maar Jezus is er niet meer.
Hoe krijgen wij dan iets van God te zien?

Maar ook op die vraag van ons heeft Jezus het antwoord al gegeven: juist in die wereld waaruit Ik verdwenen ben moet dat gezegd worden: zie, hier is uw God! Want jullie zijn er immers. Als jullie in Mij geloven, dan doe je immers de werken die Ik doe. Wie jullie gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

De werken die Ik doe. Slaat dat op de wonderen die Jezus deed? Of op het werk dat Hij deed door de scharen te leren, zijn discipelen te onderwijzen, met ze te spreken over God en zijn rijk? Ik denk dat Jezus met die uitdrukking "de werken die Ik doe" álles samenvatte wat Hij gedaan had. Alles wat zijn mensen- leven omvatte. Het bijzondere en het gewone. Dat wat Hij deed als Hij "aan het werk" was. Maar niet minder zijn manier van optreden in de winkel, zijn omgang met de mensen, zijn doen en laten op een bruiloft en aan tafel bij een tollenaar of een farizeeër. Zijn gezellige uren met Lazarus en zijn zusters. Zijn verkondiging in de synagoge van Nazareth en zijn ingrijpen als twee van zijn discipelen ruzie maakten over de inkopen die ze moesten doen. Dat alles bedoelde Jezus. Want in dat alles toonde Hij de Vader.

En in dat alles liet Jezus God zien als een God die geeft. Want Hij, Jezus, leefde immers om te geven. Niet om gediend te worden, maar om te dienen. Zoals het in vers 1 van hoofdstuk 13 staat: om lief te hebben tot het einde. Hij heeft niet geleefd om zoveel mogelijk van de mensen te profiteren, om al het mogelijke van ze te krijgen, maar om de mensen van Hem te laten profiteren, om ze alles te geven.

Om ze zóveel te geven, dat ze nu ook zelf geven kunnen. Daarom kan Jezus in verband met zijn op handen zijnde hemelvaart (Ik ga heen tot de Vader) er ook de nadruk op leggen, niet dat de discipelen iets krijgen, maar dat ze werken mogen, dat ze iets te geven hebben. Omdat ze al gekregen hebben. Ze zijn al gezegend. Door Jezus die zichzelf gegeven heeft. Door God die zich een gevende God getoond heeft.

En nu God zich zó aan hen getoond heeft, nu kunnen zij op hun beurt God gaan vertonen. Als ze werkelijk in Jezus geloven, gaan ze op Jezus lijken: een afbeelding van Jezus; een afbeelding van God. Nu kunnen zij God laten zien, door de werken van Jezus te doen. Niet door zoveel mogelijk te ontvangen, maar door te geven. Door zichzelf te geven. En dat zij God laten zien, dat is in zekere zin nog groter dan dat Jezus God laat zien. Nee, dat Jezus door hén God kan vertonen, dat is groter dan dat Hij het door zichzelf doet. Hij kan nu, door de discipelen, God laten zien, nog veel intenser en op veel grotere schaal dan toen Hij het zelf alleen moest doen. Nu, nu Hij naar de Vader gegaan is, kan Hij pas goed de Vader tonen. Omdat Hij nu pas echt discipelen heeft. Mensen, die zelf het levende bewijs zijn van wie Jezus is en wie God is. Gods demonstratie- materiaal.

Zo had Jezus het al even tevoren gezegd (13 : 34-35): Een nieuw gebod geef Ik u, dat ge elkaar liefhebt, zo als ik u heb liefgehad. Hieraan zullen allen weten, dat ge discipelen van Mij zijt, indien ge liefde hebt onder elkander. En later (17 : 21), hieraan zullen allen weten dat God Mij gezonden heeft.

Gevende discipelen, dat is: een gevende Meester. Dat is: een gevende God. Als God de wereld, iedereen, er van overtuigen wil dat Hij er werkelijk is en dat Hij zó is, dan stuurt Hij Jezus. En als Jezus de werken die Hij hier gedaan heeft wil vermenigvuldigen en intensiveren, dan stuurt Hij zijn discipelen. Daarom gaat Hij naar de Vader.
Dat wil zeggen: daarom doet Hij de Geest komen. Zo doet Hij ons, zijn discipelen, leven.

Want geven, - dat is: ontvangen. Als je in Jezus gelooft, als je niets anders doet dan geven, je echt geven aan je kinderen, je man, je vrouw, je buurman, aan onmogelijke mensen, aan mislukte mensen, - als je dat doet, zonder er op te letten wat jij dan wel ontvangt, dan ontvang je juist, dan wordt je gezegend. Dan gaat het leven voor je open.

Dat zien we toch bij God? Juist doordat Hij geeft en geven blijft, juist daardoor ontvangt Hij. Als Hij "ja" blijft zeggen tegen ons, hardnekkige mensen, juist dan krijgt Hij mensen die "ja" zeggen tegen Hem. Dat zien we toch bij Jezus. Hij heeft niet gevraagd: wat heb ik aan de mensen? Maar alleen: wat hebben de mensen aan mij? Hij heeft zijn werken gedaan. Hij heeft gegeven. En daardoor, dat Hij zichzelf gegeven heeft, daardoor komt het zover dat de mensen zich geven aan Hem. Door niets anders te doen dan liefhebben krijgt Hij mensen die Hem liefhebben. Denken wij dat het met ons anders gaat? Met ons, discipelen van Jezus, kinderen van God?

Doordat God zo volhardend "ja" zei tegen ons, hebben wij "ja" gezegd tegen God.
En "ja" zeggen tegen God, - dat is: je zelf geven. Je geven, "ja" zeggen tegen de mensen. En als je daar mee begint, dat je "ja" zegt tegen de mensen, moeilijke mensen, verwrongen mensen, vijandige mensen, - als je toch "ja" tegen ze blijft zeggen, dan krijg je terug. Dan gaan ze "ja" zeggen tegen jou.
En dat is het heerlijkste wat er bestaat, dat is pas leven: tegen alles in "ja'" zeggen tegen de mensen en het dan beleven dat ze "ja" zeggen tegen jou.

Dat is nu precies, wat God wil.
Want zo wordt Hij zelf ervaren, beleefd, gezien: in mensen die elkaar aanvaarden, elkaar begroeten, elkaar liefhebben. Daarin is Hij zelf onder ons. Daarin is God ons nabij. Daarin wordt het woord vervuld: troost, troost mijn volk, zie, hier is uw God.

Zalig die treuren, want ze zullen vertroost worden. AI die mensen die iets missen, die alles missen en ernaar hunkeren om eindelijk, eindelijk, te mogen ontvangen, gezegend te worden. Al die mensen, die - je zou haast zeggen: automatisch - kijken naar zichzelf en hun eigen leegte. Ze mogen geloven in Jezus. En God zien. En dan gaan kijken naar anderen. Ze mogen, vol verwachting van wat ze krijgen, gaan geven, zich geven aan anderen. Omdat ze, hoe arm ook en berooid, toch Gods kinderen mogen zijn.
En als kind van God zelfs van hun armoede nóg geven.

Zij zullen ook ontvangen. Zij die blijdschap brengen zullen verblijd worden door God en door de mensen.

Want waar God zegent, daar woont liefde. En waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen. Daar woont Hij zelf. Daar wordt zijn heil verkregen. En het leven.

Want waar God woont, daar blijft geen van zijn kinderen eenzaam meer. En daar staan alle, naar elkaar toegewende, gezichten vol van Zijn heerlijkheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief