De drie verzoekingen (Mt. 4:1-11)

1979-04-20
  • Jaargang 23
  • nummer 16
"Denk-beeld", maar naar de Schriften!
Zondagavond j.l. was in het programma "Denkbeeld" via de televisie een joodse pascha-viering te zien. Deze "pésach': begon 12/13 april dit jaar (het etmaal begint bij de Joden 's avonds). Zo viel deze keer het joodse pasche samen met de christelijke Goede Vrijdag ...
Bij een nabespreking, alweer via de televisie, in een bijzaal van de synagoge te Hilversum, viel steeds weer het begrip verbondenheid, Pascha-vieren is verbonden zijn met de vaderen die uit Egypte werden geleid (gedenken is meer dan herdenken: Israël weet zich in de vrijheid gebracht).' Tegelijk spreekt ook mee de verbondenheid met alle andere kinderen Israëls, die op dezelfde dag over heel de wereld verspreid pascha vieren.
Dat besef van verbondenheid is typisch bijbels: de historie van Israël is, bijv., ook Jezus' historie.
En ook die van Mattheüs/Levi. We legden er twee weken terug al de vinger bij. De Jood Levi schrijft niet maar lukraak over Jezus. Hij volgt diens weg aan de hand van de Schriften: "opdat vervuld zou worden wat door de profeet gesproken is" inzake Gods Zoon ("uit Egypte geroepen"), Gods Knecht. Ook Jezus wordt "door het water" in de woestijn geleid. Met als doel: om verzocht te worden door de duivel.

Waarbij zal Israël leven?
Ook de volgorde der verzoekingen zoals Mattheüs die geeft lijkt niet willekeurig (bij Lucas zijn de tweede en derde van plaats verwisseld).
Wat was Israëls eerste probleem indertijd in de woestijn?
Wat anders dan "water en brood", het broodvraagstuk. zijn levensonderhoud en dus zijn leven: hoe blijf ik in leven? De ongezuurde broden uit Egypte, hoe houdbaar ook, zullen snel op geweest zijn ...
En dus: hoe blijft Israël in de woestijn in leven? De woestijn levert wel iets op, maar niet genoeg.
God zelf plaatste zijn volk voor dat probleem: "gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen (klein te houden) en u op de proef te stenen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden.
Ja, Hij verootmoedigde u, deed U honger lijden, en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet ... " (Deut. 8 : 2, 3a). Bij Jezus gaat de actie van satan uit daarom heet het nu verzoeking en niet beproeving. En Mattheüs vertelt: " ... nadat Hij veertig (!) dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij ten laatste honger." Of vasten inhoudt totaal niets gebruiken (vgl. Luc. 4 : 2) zij in het midden gelaten: ook Johannes leidde een woestijnleven en at wat voorhanden was: sprinkhanen en wilde honing (Mt. 3 : 4). Maar duidelijk is: bróód is niet voorhanden. evenmin als bij Israël. Toen was het Gód die Israël voor het broodvraagstuk plaatste. Israël snakte af en toe naar de maaltijden vän Egypte. God leerde zijn volk, dat ze niet alleen bij (op basis van) brood konden leven, maar bij alles wat God sprak: " ... van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat"
(Deut. 8 : 3), of dat nu manna was of iets anders (in Kanaän).
Hij leerde hun Godsvertrouwen - dat hebben ook mensen met een paar gezonde handen aan hun lijf nodig. Jezus kènde de Schriften.
Als satan suggereert: "als Gij Gods Zoon zijt (vgl. 2 : 15; 3 : 17), zeg dan dat deze stenen broden worden (vgl. 3 : 9)", dan toont Jezus wat in Zijn hart is. Hij leeft - ook als de "Zoon van God" (2 : 15; 3 : 17) niet bij brood alleen. God, die spreekt en het is er, zal in zijn levensonderhoud voorzien. Hij weet zich afhankelijk èn is vol vertrouwen.
Niet waar: als God vóór ons is ... Hij zal het later zijn discipelen leren: "zoek eerst het Koninkrijk Gods ... ". En ook: ,;Onze Vader ... geef ons heden ons dagelijks brood" (6 : 25 V.v.; 6: 9 v.v.).

Laat God zich provoceren?
Misschien lukt bet op een andere manier, denkt satan. Dus neemt hij Hem mee naar de heilige stad en stelt Hem op de dakrand van de tempel. Met opnieuw een beroep op Zijn (Israëls) unieke positie en verhouding: "indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot". De duivel kent de Schriften ook.
Weerlegt Jezus hem de eerste keer met de woorden van Mozes, ook hij citeert (een lied van) Mozes: Psalm 91 (m.i. slaat deze psalm op de uittocht uit Egypte en de tocht aoor de woestijn). Wat satan zegt staat onmiskenbaar in Gods Woord.
Maar Jezus onderkent zijn bedoeling: God verzoeken. En opnieuw toont Hij de Schriften te kennen: ,ier staat ook geschreven: gij zult de Here, uw God, niet verzoeken" (Dt. 6 : 16).
Bij "God verzoeken" gaat het om de vraag: wat kan God, wat betekent (deze) God voor mij, hoe beweeg ik Hem tot overtuigende prestaties? Dat heeft alles te maken met het tweede gebod. Is (een) God ondergeschikt aan de mens (zoals bij de andere volken) of omgekeerd?
Israël heeft in de woestijn heel wat keren geprobeerd God uit zijn tent te lakken, letterlijk en figuurlijk.
Laat Hij maar eens tonen wat Hij kan, laat Hij maar eens ondubbelzinnig (op ons bevel) demonstreren dat Hij de enige, eeuwige almachtige God is en dat Hij ónze God is. Alsof Hij dat niet steeds ondubbelzinnig bewees - maar dan op Zijn tijd en wijze.
Tot zo'n houding wil satan ook Jezus verlokken. Wat een diepe indruk zou het op Jeruzalem hebben gemaakt als Jezus inderdaad midden in de drukte van het tempeldak was gesprongen en veilig "geland": Hij had op slag Israël voor zich gewonnen. Maar Jezus weigert God en zichzelf acceptabel te maken door goocheltrucs en kunstgrepen. Israël en dus ook Hij, (zo goed als wij) hebben God niets voor te schrijven - hoe graag ook wij in onze situatie zouden zeggen: doet U toch eens iets opzienbarends!
Maar: Gods Knecht, zelfs al is Hij Zoon, dient Góds weg te gaan, Gods plaats en zijn eigen plaats te kennen. God laat zich niet provoceren, te voorschijn roepen op bevel.

Toch op handen gedragen!
Jezus gaat de door God gewezen weg - de Schriften vormen zijn handleiding. Hij weet wat God van zijn Knecht en Zoon Israël verwacht( te). Zou het Hem verbaasd hebben, dat de duivel Hem vervolgens meenam naar een hoge berg, Hem al de koninkrijken der wereld toonde en hun heerlijkheid en die aanbood voor één knieval? Of zou Hij als vanzelf gedacht hebben aan het slot van Israëls tocht door de woestijn? Toen kwam Gods bevel tot de middelaar van het oude verbond, Mozes: beklim dit gebergte ... de berg Nebo ... en aanschouw het land Kanaän, dat Ik aan de Israëlieten in bezit zal geven, en sterf op de berg ... omdat gij ontrouw jegens Mij zijt geweest ... (Deut. 32 : 48-52). De laatste verzoeking stelt Jezus voor de vraag: hoe bereik Ik mijn doel?
Hij argumenteert niet: de duivel heeft niets weg te geven, want zelf noemt Hij de duivel "de overste dezer wereld": de mens danst naar de pijpen van de duivel. Maar de weg naar het doel is de weg van .zoek eerst het Koninkrijk (koningschap) Gods ... Op dat punt had Mozes gefaald - hij liep God, lsraëls Koning, voor de voeten (Num. 20 : 2-13). Dat kostte hem het beloofde land. Jezus heeft niet voor niets, als kind al, de woorden van het verbond geleerd. Hij verstond ze ook: "hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! ... " (Deut. 6 : 4). Hij kende de exegese van het eerste gebod en diende de duivel van antwoord: "ga weg, satan! Er staat geschreven: de Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen" (Deut. 6 : 13).
Tegen deze Knecht en Zoon van God is satan niet opgewassen: deze Israëliet leeft bij alle woord dat uit Gods mond uitgaat. En dan wordt de Knecht op Gods wenken bediend: zie, engelen kwamen en dienden Hem! Bij het woord dat uit Godsmond uitgaat kán een knecht leven. - zelfs in de woestijn. Op Gods bevel- en opzijn tijd en wijze - komen Gods engelen en wordt Gods Knecht op de handen gedragen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief