De vrouwen de verloren drachme

1979-04-20
  • Jaargang 23
  • nummer 16
De taal van de Bijbel
God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk en zo de concrete mens, zo zagen we in het vorige artikel.
Zij zijn geen halve mensen, wel mens in verscheidenheid. Zo heeft God het gewild. Vanuit een door ons geconstrueerd mensbeeld, dat een gedachten ding is, moeten we de concrete mens niet uit het oog verliezen of trachten te beoordelen als half of ook eenzijdig. Verscheidenheid is geen eenzijdigheid.
God zag al wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed. In die verscheidenheid staan man en vrouw ook niet tegenover elkaar, maar zijn zij op elkaar aangewezen en voor elkaar bestemd. Daarom kunnen ze met elkaar omgaan, ook door de taal die zij spreken, want zij hebben ook daarin het menszijn met elkaar gemeen. Zij spreken elk in hun menselijke taal.
Elk "op zijn wijs" als man of als vrouw, maar dit blijkt voor de omgang geen verhindering te zijn.
Ik ben daarom niet zo onder de indruk van de klacht over de mannelijke strukturen, die ook in de taal van de Bijbel overheersend zouden lijn en bij de vrouwen tot vervreemding leiden. Natuurlijk is het dwaas te ontkennen dat Gods openbaring bij haar ingaan in de tijd en in de culturen van de tijd daarvan gebruik maakt en daar ook de sporen van draagt. Wel moeten we daarbij bedenken dat Gods aanpassing nooit slaafs is maar altijd vrij: Hij neemt onze taal in Zijn dienst! Hij spreekt tot ons in Zijn Woord niet in de taal van de filosofen, mäar in die van de gewone man en vrouw, ook wanneer deze taal in bepaalde woorden en beelden een eigen "openbaringskarakter" gaat vertonen. Ik denk hier aan de vulling van woorden als heil, gerechtigheid, heiligheid, genade en andere.
Toch blijven er de sporen van een bepaalde tijd en cultuur in de taal van de Bijbel, hoe zou het ook anders kunnen? God openbaart zich aan de mènsen. Dat we in de Schrift zo mannelijke beelden, mannelijke namen tegenkomen, kan ons niet verwonderen, zelfs een wetenschappelijke taal zal daaraan wel niet gehéel ontkomen. Dat zij zelfs domineren, behoeven we niet trachten te ontkennen,
maar daardoor worden zij voor de vrouwen niet ontoegankelijk, noch behoeven zij zich daardoor buiten spel gezet te gevoelen. Dit kan slechts beweerd worden vanuit een polariserend uitgangspunt.
Deze toegankelijkheid erkent drs Maria de Groot in het hoofdstuk 'Taal en Beeld'. Zij citeert uit Ps. 18 van David de volgende woorden: Ik heb u hartelijk lief, Heer, mijn sterkte, 0 Heer, mijn schild, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil, mijn schild, mijn hoorn des heils, mijn burcht." Wel zegt ze: De bijbeltaal is cultuuren plaatsgebonden, wij zouden de: ze beelden niet uit onszelf gezongen hebben, maar dit neemt voor haar niet weg "dat uit deze woorden een verschijning van God oprijst, die wij gelovig kunnen beamen".
Wel mishaagt haar de oorlogsterminologie, die gegeven is door de context van strijd, maar deze beschouwt ze als niet meer dan een culturele uiting, Gods bevrijder zijn is het essentiële. Een andere feministe beschouwt de oorlogsterminologie: De Here is een Krijgsman, als specifiek mannelijk, Ex. 15. In dit hoofdstuk bezingt Israël zijn verlossing van Farao door het gebeuren in de Rode Zee: De HERE is een krijgsheld, de wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee. Wat lezen we echter verder in dit hoofdstuk? Dat Miriam, die hier profetes genoemd wordt, een tamboerijn in haar hand nam en dat al de vrouwen uit de zingende menigte naar voren traden achter Mirjam aan met eveneens tamboerijnen in de hand en in reidansen. En Mirjam antwoordde de zingende mannen: 'Zingt voor de HERE, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter wierp Hij in de zee'. Zouden onze feministische theologen niet meegezongen en op de tamboerijnen geslagen hebben, als zij er bij geweest waren en de verschrikkelijke ellende in Egypte mee hadden moeten doorstaan en opnieuw zagen opdoemen?
Overigens, de Bijbel spreekt niet slechts in beelden, mannelijke en ook vrouwelijke, maar ook in een taal, die noch specifiek mannelijk of vrouwelijk is, maar aan mannen en vrouwen gemeenschappelijk. Ik denk hier onder meer aan zijn spreken over Gods liefde, Zijn genade, geduld, gunst, ontferming, barmhartigheid en Zijn gerechtigheid, die voor Zijn volk verlossend is. De vrouw is daar heus wel 'bij', ook in het Oude Testament. Daaruit stamt ook het in het Nieuwe Testament weer opgenomen beeld van de kerk als vrouw, als bruid.
Datzelfde Oude Testament leert: Eer uw vader en uw moeder.

De verloren drachme
Feministische theologen hebben kritiek op overheersende mannelijke strukturen. Er zijn er die zeggen dat zij zichzelf niet terugvinden in het mensbeeld van theologie èn bijbel.
En zo zijn ze op zoek naar haar verloren zelf, de verloren drachme.
Dat roept de vraag op wat dat verloren zelf dan toch wel is. Op die vraag krijgen we een duidelijk antwoord.
Het is de vrouw die 'om wille van zichzelf bestaat', niet slechts 'ten diensten van anderen'.
De vrouw is in kerk en theologie en cultuur slechts een 'verbindingsstreepje' geworden, een 'schakel tussen de Vaders met hun tradities èn de zonen/dochters van de toekomst.
Zij is zelf 'onzichtbaar door dienstbetoon'. Zij is er altijd en alleen maar ten dienste van anderen.
Wie en wat zij in zichzelf kan zijn wijkt daarvoor terug. Haar persoonlijkheid is niet van haar zelf maar van de mensheid. Het ideaal van de feministische theologen is een 'zelfstandig vrouwelijk bestaan'.
God liefhebben betekent voor een vrouw in de eerste plaats 'zelfstandig mens worden'. Slechts dan is ze in staat naar de eis van het evangelie zichzelf te verliezen, maar dat moet gebeuren van binnen uit, vanuit mijzelf als zelf, vanuit een eigen gevonden centrum.
Wat moet een man, nu de mannen aansprakelijk gesteld worden voor dit verloren zelf, hierop antwoorden?
Het is misschien het beste Maria, de moeder des Heren te laten spreken, na de annunciatie, de geboorte-aankondiging: Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.
Aan dit woord is alle humanistische conceptie van het eigenlijke en zelfstandige zijn van de vrouw vreemd. Trouwens ook 'n dergelijke conceptie van de man kent de Bijbel nergens. Het geheim van de mens is besloten in zijn het beeld Gods zijn, en nooit te vinden in een wetenschappelijke analyse van 'de mens zelf'. Daarom vindt de mens, man of vrouw, alleen zichzelf terug in de verzoende verhouding met God.
Ik kom hier tot wat ik in heel dit boek mis. Nergens wordt doorgestoten tot de kern van de bijbelse boodschap: de verlossing van de mens in de weg van vergeving door Jezus Christus, in de weg van de verzoening. We doen dit boek geen recht door slechts hier en daar wat vrijzinnige theologische gedachten te signaleren. Heel het boek gaat aan de kern van het evangelie voor bij ondanks alle spreken over verlossing en bevrijding. De kèrn daarvan wordt niet geraakt. Op een enkele plaats' wordt daarover zelfs wat minachtend gesproken als een mannelijke voorstelling van zaken.
Maar deze instelling barricadeert alle vinden van het verloren 'zelf'.
Het evangelie vertelt ons van een vrouw die zichzelf terug gevonden heeft. Zij ging wenend achter Jezus staan, maakte zijn voeten nat met haar tranen en droogde ze af met haar hoofdhaar en ze kuste zijn voeten en zalfde ze met de mirre, die ze meegenomen had in een albasten kruik. Van deze vrouw zegt Jezus de merkwaardige woorden: Haar zonden, haar vele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefde getoond (Can. Vert.). Die zo rijkelijk betoonde liefde was vrucht en blijk van de vergeving van haar zonden, niet de grond er voor, dat blijkt uit het hele verband onweersprekelijk.
En de Here zei tot deze vrouw: Uw geloof heeft u gered, ga heen in vrede. Mij dunkt dat deze vrouw zichzelf wel heeft teruggevonden.
En de weg waarop is duidelijk!
De gelijkenis van de verloren drachme laat ons weten dat er toen vreugde in de hemel was.
Paulus zegt het zo: wie in Christus is is een nieuwe schepping.

De plaats van de vrouw
Wij behoeven intussen niet te ontkennen dat de vrouw in het verleden vaak in verschillende opzichten tekort is gedaan en ook in de kerk niet steeds de ruimte heeft ontvangen, die zij bijvoorbeeld in de eerste christelijke gemeenten wel bezat.
In de maatschappij waren voor haar poorten gesloten enkel tengevolge van geringschatting van haar vrouwelijke capaciteiten en mogelijkheden.
Door weer opdringende heidense en gnostische motieven werd in de Middeleeuwen in kerkelijke kring de vrouw inferieur aan de man gedacht en zelfs de vraag gesteld of zij wel naar Gods beeld geschapen was. Op een synode stelde een bisschop dat de vrouw geen mens was. Gelukkig is daarmee het beeld van de vrouw in vroeger eeuwen niet volledig getekend, we horen ook andere geluiden. Maar dat er discriminatie is geweest, valt niet te loochenen. Het evangelie leert ons duidelijk dat er in het kindschap van God geen onderscheid is tussen 'mannelijk en vrouwelijk', Gal. 3: 26. In Christus is er herstel van de door de zónde geslagen disharmonie ook tussen de sexen. Maar dit betekent geen nivellering van de sexen noch van de in het sexeverschil wortelende positie van man en vrouw, in het huwelijk noch daarbuiten. Ik roer hier een kwestie aan, die ik nauwelijks meer dan noemen kan op deze plaats. Een afgerond systeem van plaatsbepaling is waarschijnlijk onbereikbaar.
Wel zijn er enkele uitgangspunten, waarover iets kan gezegd worden.
Gelijkwaardigheid houdt geen gelijkheid in: een vrouw moet alles kunnen, wat een man kan, of ook omgekeerd. Deze gedachte leidt tot een concurrentiestrijd, die door 'Als vrouwen aan het Woord komen' duidelijk wordt afgewezen. In de plaats daarvan wordt het motief van de 'verzoening' gesteld, het verwerpen van de 'tegenstelling'. De geslachten zijn geschapen als elkaars 'aanvulling'. Het heeft echter alleen zin van aanvulling te spreken als het onderscheid wordt gehandhaafd, niet slechts als een theoretisch' gegeven, maar als concrete werkelijkheid, die zijn consequenties heeft.
Ik ben er niet zo gerust op dat deze in de praktijk door de (alle?) feministische theologie worden genomen als ik let op de door haar zelf getrokken verbindingslijnen met de huidige emancipatiegolf. Tot de emancipatie behoort, zo lees ik, dat meisjes alle beroepen kunnen uitoefenen en dat er gelijke mogelijkheden zijn voor vrouwen en mannen.
Kortom, dat je in je keuze niet wordt beperkt op grond van je sexe. Is dit iets anders dan nivellering in de praktijk en het uitgaan van het concurrentiemotief? Ik denk aan het aangehaalde lied van Dorothee Sölle, dat als titel heeft: Meditatie over Lucas I. Ik citeer daaruit: Er staat geschreven dat Maria sprak hongerigen overlaadt hij met gaven en rijken zendt hij heen met lege handen zijn dienaar Israël heeft hij zich aangetrokken gedachtig aan zijn barmhartigheid.
Zo zeggen wij het nu vrouwen zullen reizen: naar de maan en in het parlement beslissingen nemen aan hun verlangen naar zelfbeschikking wordt voldaan.
Even eerder nog dit: zij verschaffen zich hun eigen beter recht.
Ik stel niet alle feministische theologen hiervoor verantwoordelijk, maar signaleer hier wel een weigering het onderscheid in rekening te brengen tussen man en vrouw vanuit een valse concurrentiezucht.
Daarmee zeg ik niet: geen vrouw in het parlement, dit om misverstand te voorkomen. Ze zijn daar voor bepaalde taken m.i, vrijwel onmisbaar.
Maar hier is meer aan de orde. God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk, had Hij daar ook Zijn bedoeling mee? Toch zeker niet om onze biologische gegevenheden te overstijgen, pag. 24, in een alles vervagende, onderscheidingen opheffende, -aan de negatieve theologie verwante mystieke roes?
In Christus is de verlossing gegeven van de pervertering, van het misbruik maken van het onderscheid in sexe en komen beide man en vrouw weer op hun eigen plaats te staan, met hun eigen 'ambt' in de gemeenschap met en dienst aan de Here. Het zich aan Hem geven in die dienst verjaagt alle concurrentie als kaf voor de wind, evenals elke discriminatie. Dan geven de mannen aan de vrouwen eer, niet slechts in het huwelijk, 1 Petr. 3: 7.. Want God schiep de mensen naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; das bedeutet: der Mensch hat diese Hoheit und diesen Adel nur, soierne nicht selbst etwas für sicb ist. 1) Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Dat moet vanuit het evangelie verdisconteerd worden. En daarbij hebben wij elkáár nodig.

1) Hellmuth Frey: Das Buch der Anfange, in Die Botschaft des Alten Testaments, of Gen, 1 : 27.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief