Vrouwen-emancipatie - een bijbelse opdracht?

1979-04-20
  • Jaargang 23
  • nummer 16
God's Woord geeft ons richtlijnen hoe wij als christenen hebben te leven.
Een samenvatting daarvan vinden we in Gal. 3 : 2, 28. 1)

"Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed. Er is geen jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij één persoon in Christus Jezus."

En ook in Kol. 3 : 9b-11.

"Legt de oude mens met zijn gedragingen af, bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn schepper. Dan is er geen sprake meer van heiden of jood, besneden of onbesneden, barbaar en onbeschaafde, van slaaf of vrije mens. Dáár is alleen Christus, alles in allen."

Met dit Goddelijk Evangelie trok Paulus de toenmalige wereld door.
Men nam dit woord aan, men kwam tot geloof en vormde gemeenten van onze Here Jezus Christus, die naar dit woord leefden.
Zo willen ook de gemeenten van onze Here Jezus Christus in de 20e eeuw naar dit evangeliewoord leven.
In de voortgaande ontwikkeling ervan (we zijn op weg naar het ware inzicht: Kol. 3: 10) zullen we ons door God's Woord laten leiden. En niet door het woord van de wereld (maatschappij), uit vrees dat we ons daar anders wellicht buiten zouden stellen.
God's Woord was in de tijd van Paulus voor de toenmalige wereld, de Joden en de Grieken, al een ergernis en een dwaasheid. En in de wereld van vandaag is het niet anders. Naar het evangeliewoord is er in de gemeente van Christus geen ongelijkwaardigheid, want de leden ervan zijn tezamen één persoon in Christus. Wèl is er verschil in afkomst, stand en geslacht. Er zijn christenen die van afkomst Jood of heiden, van stand slaaf of vrije zijn en die van geslacht verschillen: man of vrouw.
Maar in de gemeente van Christus zijn de leden elkaars broeders en zusters, Matth. 12: 50. Daar is de vrouw de zuster van haar man, de broeder.
Ongeacht afkomst, stand of geslacht leven we daar met elkaar in een christelijke levenswandel naar Kol.
3 : 12 t/m 15. De rijken met de armen, de ontwikkelden met de minder ontwikkelden, de mannen met de vrouwen. Ieder in de eigen taak en met de eigen roeping.
Dit blijke in hetzelfde hoofdstuk, nl. Kol. 3: 18 en 19 t.a.v. manvrouw-verhouding:

"Vrouwen weest uw man onderdanig, zoals het christenen betaamt. Mannen hebt uw vrouw lief en weest niet humeurig tegen haar."

Hoewel er in de gemeente van Christus geen ongelijkwaardigheid is, is er wel onderdanigheid. Bijvoorbeeld in de man-vrouw-verhouding.
Omdat zij in Christus één persoon zijn kan dit onderdanig zijn niet betekenen dat de vrouw minder is, op een lager plan staat, dan de man.
Evenmin als bij Jezus gezegd kan worden dat hij minder is dan zijn ouders. Hij was hen echter wel onderdanig. (Luc. 2 : 51).

Met deze bijbelse visie op gelijkwaardigheid en onderdanigheid staan wij als christenen niet buiten de maatschappij, maar in de maatschappij, echter zonder van de maatschappij te zijn! Want de maatschappij wil van deze onderdanigheid nauwelijks nog iets weten en men predikt wel gelijkwaardigheid, maar het is duidelijk dat de één meer gelijkwaardig is dan de ander.
En zo ontstaan er aktiegroepen, die als reaktie groepsvorming oproepen van vóór- en tegenstanders.
Gelijke rechten voor man en vrouw.
Baas in eigen buik. Stem eens op een vrouw. Allerwege is onvrede, strijd en na-ijver.
Zo is het in de wereld die van God vervreemd is.
Het huwelijk wordt ondermijnd, het aantal echtscheidingen stijgt onrustbarend.
Er is te weinig liefde en teveel genotzucht.
En in deze maatschappij, deze wereld komt het woord van onze God: doch gij niet alzo.
Gij zult leven naar Kol. 3 : 12-15 en dat geldt gelijkelijk voor de vrouw, die onderdanig moet zijn aan haar man, als voor de man, die niet humeurig mag zijn tegen zijn vrouw.
De bijbel roept iedereen op tot dit christelijke leven, zoals beschreven staat in Kolossenzen 3, zowel wereldling als christen.
En dat is iets geheel anders dan een oproep tot vrouwen-emancipatie.
Als de gemeente van Christus zó leeft dan is zij een licht op de berg.
Dan verwekt zij de wereld tot jaloersheid.
En als de wereld dan niet luistert, omdat de vrouw niet tot het ambt toegelaten wordt, dan kunnen we slechts konstateren dat de wereld niet luisteren wil.
Een vraag: is het in die kerken waar men de vrouw tot het ambt heeft toegelaten zichtbaar, dat die steen des aanstoots om naar het Evangelie te luisteren voor andersdenkenden is weggevallen?

Als christenen zijn wij "op weg".
We hebben de oude mens afgelegd en de nieuwe mens aangedaan, de nieuwe mens die op weg is naar het ware inzicht (Kol. 3 : 10).
Op deze weg zijn wij niet aan onszelf overgelaten. Naar de belofte van onze Here Jezus Christus is de Geest der Waarheid in ons midden, om ons te leiden.
Op onze levensweg spelen overleveringen (tradities) een belangrijke rol. Dal blijke de hele bijbel door.
Zo schrijft Paulus in 1 Kor. 11 : 2 "Ik moet u prijzen dat gij bij alles aan mij blijft 'denken en u houde aan de overleveringen die ik u heb doorgegeven."
Bij Paulus zijn de christelijke tradities (overleveringen) een prijzenswaardige zaak! Dat mag wel eens opgemerkt worden nu in onze tijd het vasthouden aan of het niet zonder meer prijsgeven van tradities, als een kwalijke zaak wordt beschouwd.
Uiteraard zijn onze christelijke tradities onderworpen aan het gezag van de Heilige Schrift. Is men van mening dat een christelijke traditie (bijv. dat alleen mannen de ambten mogen vervullen) niet in overeenstemming is met God's Woord, dan spreekt men daarover met zijn medechristenen.
Mij spreekt niet alleen, maar men luistert vooral ook.
Bidden wij de Here wel om een luisterend oor?
Het zou kunnen zijn dat men argumenten beluistert waar men zelf niet aan is toegekomen. Want: "Is God's Woord soms van u uitgegaan?
Is het alleen tot u doorgedrongen?" (1 Kor. 14 : 36).
Dit christelijke gesprek is iets anders dan spreken over bewijzen en wie ze zal moeten leveren.
Zoals in de Bijbel dikwijls voorkomt dat men aan oudsten en wijzen raad vraagt,' zo is het niet onbijbels een verschil van inzicht aan wijze mannen voor te leggen.
Want in de zaak of de vrouw tot de ambten mag worden toegelaten, is geen sprake van een misbruik zoals in Marc. 7: 11 e.v. (zie Opbouw d.d. 12-1-'79, blz. 12).

Luistert nu eens naar de argumenten van een broeder in Christus, die het prijzenswaardig vindt zich te houden aan de overleveringen van de apostel Paulus. En die deze overleveringen ziet in de lijn van onze voorouders.
Ziet Paulus het ondergeschikt zijn van de vrouw aan de man als een tijdgebonden regel? Een regel waarvan we kunnen afstappen als de tijden, zoals nu het geval is, veranderen?
Neen, zeker niet.
Hij beroept zich op de scheppingsordinantie, nl. in 1 Tim. 2 : 13: "ik sta haar niet toe zelf onderricht te geven of de man te overheersen; zij moet rustig toehoren. Want Adam werd het eerst geschapen en daarna Eva". Zie ook Gen. 2: 18, 21,22.
Vervolgens beroept Paulus zich op de Wet in 1 Cor. 14: 34: " ... zij moeten ondergeschikt blijven, zoals trouwens de Wet het voorschrijft."
En dan noemt hij ook nog de goede zede in 1 Cor. 14 : 34: " ... ; het past nu eenmaal niet voor een vrouw in de gemeente het woord te voeren." Tegenover de scheppingsordinantie en de wet is de goede zede maar een bij-argument.
Overigens moeten we er goede aandacht aan besteden dat Paulus zegt dat het vrouwen niet vergund is om in de gemeente het woord te voeren, d.w.z. dat ze niet mogen spreken ofwel onderrichten.
Dit is iets anders dan bidden en profeteren, dat wèl aan de vrouw is toegestaan (1 Cor. 11 : 5).
Bij onderricht geven spreekt men zijn eigen leer op eigen autoriteit, en dat is de vrouw niet vergund.
Bij profeteren is men woordvoerder van God en spreekt men niet met eigen autoriteit (zie Opbouw 5-8-'77, blz. 222).
Er zijn wel veel taken die de vrouw mag vervullen. Het N.T. staat er vol van. Nergens blijkt echter dat de vrouw in een ambt werkzaam is geweest.
Slechts in 1 Tim. 5: 9, 10 wordt gesproken van een taak van weduwen.
Verondersteld wordt dat deze taak dicht ligt in de buurt van het diakenambt. Zekerheid daarover is er niet. Daaraan zal het wellicht toegerekend moeten worden dat Acta X van het convent van Nederlandse kerken in Wezel (1568: zie Opbouw 12-1-'79, blz. 11) niet tot uitvoering is kunnen komen.
Overigens moeten we hier in aanmerking nemen dat deze weduwen aan nogal wat vereisten moesten voldoen o.a. dat zij zestig jaar of ouder moesten zijn. Jonge weduwen kwamen in 't geheel niet in aanmerking (1 Tim. 5: 11). Het zijn nogal rigoureuze beperkingen.
Bij al wat Paulus over de vrouw in gemeente schrijft, blijft hij in overeenstemming met zijn beroep op de scheppingsordinantie.
In Gen. 2: 18 e.v. lezen we dat er bij de schepping al een orde is: eerst werd de man geschapen en daarna de vrouw als zijn hulp. Het scheppen van de vrouw uit de rib van de man geeft aan dat zij onderling zo verbonden zijn dat de man niet kan heersen over de vrouw.
Het gaat in de schepping niet alleen over het huwelijk, de onderlinge relatie tussen man en vrouw; maar eveneens over de verhouding van de man (Adam) en de vrouw (Eva) als gelovigen, als dienaren van God: als kerk.
Eva heeft als eerste de verhouding met God stuk gemaakt door in zonde te vallen. Maar wij hebben allen in Adam, die als tweede in zonde viel, gezondigd. Adam's zonde is beslissend, Adam representeerde de mensheid.
Zo mag duidelijk zijn dat de rangorde in de schepping er niet alleen één is voor het huwelijk, maar ook voor de kerk.
Er wordt wel opgemerkt dat als Paulus vandaag zijn brieven zou hebben geschreven, hij de vrouw ook de ambten zou hebben toebedeeld.
Uiteraard zou er op verschillende plaatsen op een andere wijze door hem geschreven zijn.
Maar dat hij dan aan de scheppingsordinantie zou hebben getornd is toch wel een veronderstelling die geen enkele grond vindt in zijn brieven.
De gaven die Gods Geest geeft aan mannen en vrouwen zullen gebruikt moeten worden, zoals hij dat aangeeft in Zijn Woord.
Daar, in dat Woord, laat Hij Paulus verwijzen naar de scheppingsordinantie.
Het is ondenkbaar dat Gods Geest vandaag tegen de scheppingsordinantie in zou gaan. (zie art. III N.G.B.).
We zien dan ook dat Jezus, die zoveel vrouwen om Hem heen had die Hem dienden, die met Hem optrokken en waar Hij veel om gaf, toch twaalf mannen tot apostelen heeft gekozen.
En dat er zeven mannen werden gekozen (Hand. 6: 3) ook nadat de Geest reeds was uitgestort.
Ook uit deze voorbeelden valt op te maken dat de ambten in de gemeente door mannen vervuld behoren te worden.
Wat betekent emancipatie? Bevrijding van een of ander gezag, het toestaan van gelijke rechten voor de wet.
Het zal voldoende duidelijk zijn dat emancipatie van de vrouw met betrekking tot de ambten in de gemeente geen bijbelse opdracht: is.

1) Aanhalingen steeds uit de Willibrordvertaling.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief