Creationisten
1978-01-06
In een verslag over de grote debatdag van de E.O., begin oktober '77, werd het dispuut weergegeven tussen Creationisten en Evolutionisten. De laatsten menen, dat heel de kosmos, zoals we die om ons heen zien, zichzelf heeft ontwikkeld als gevolg van toevallige gebeurtenisjes. Consequent leert dan ook één van deze mensen, dat, wat wij de geestvermogens noemen, reeds in de eerste atomen moet zijn ingebouwd.- Jaargang 22
- nummer 1
Gegeven dus de materie, is de ontwikkeling verder "vanzelf" gegaan. Daar heeft geen hogere macht de hand in gehad. Waarom zou die ontwikkeling dus niet nóg verder gaan naar een heerlijker toekomst? Die ze niet zo erg vlug verwachten; want deze mensen stellen, dat onze kosmos, en daarin onze aarde, reeds een onnoemelijk aantal eeuwen met dat proces bezig is. Duizend jaren zijn daarin gewoonweg niéts, Een tweede groep, die evolutie aanvaardt, maar een tussenstandpunt inneemt, bleef 'n beetje in 't duister. Ze gelooft wèl in evolutie, de ontwikkeling, waarin het hogere " stoelt", op de basis van het eerdere en lagere.
Maar de overgangen zijn niet "vanzelf". Daarin zien zij nu het scheppend leiden en ingrijpen van God.
Doordat het die dag hoofdzakelijk over de feitelijkheden ging, moest dat standpunt wel op de achtergrond blijven.
De derde groep, kennelijk de meest gewaardeerde, bestaat dan uit de Creationisten. Die houden, op grond van de waarheid van de Schrift, vol, dat de wereld in zes gewone dagen door Gods machtig scheppingswoord is tot stand gekomen; dat volgens de Bijbelse gegevens onze aarde weliswaar ouder is dan de veertig eeuwen, waarover we vroeger zongen, maar toch wel met ongeveer tienduizend jaar redelijk goed gedateerd is.
Allemaal hebben we over deze dingen gelezen. Verbaasd over de gegevens, die men aanhaalt voor de ouderdom van de aarde; over de perioden in de levensmilieu's, die te onderscheiden zijn; over de zeer oude sporen van menselijk leven, gevonden zeer ver van de Bijbelse bodem van Eden. Aan de andere kant de dingen, die hun tegenstanders aanvoeren. Zoals de laatste tijd de afdruk van een voet, kennelijk een mensenvoet, te midden van voetprenten van "voorwereldlijke" dinosauri, reuzenhagedissen, vervaarlijke monsters.
De ene partij heeft velerlei methoden om hoge jaartallen voor de aarde en het leven daarop aannemelijk te maken Met als basis het "actualiteitsbeginsel".
D.w.z. dat ze er van uitgaan, dat de processen en wetmatigheden, die we nu waarnemen, in vroeger eeuw nèt zo werkten. De andere denkers wijzen met de Bijbel in de hand op de zondvloed, die een onvoorstelbare uitwerking heeft gehad; zozeer, dat we daar rustig een diepe insnijding, een ingreep in de voormaals geldende processen en wetten, uit destilleren mogen. Al zegt de Bijbel zelf daar niets over. Dat lézen we dan. En de plaatjes kunnen we soms voor de tv bewonderen.
Maar een oordeel kunnen wij, gewone mensen, ons niét vormen, omdat we de draagwijdte van de argumenten niet kunnen overzien.
Maar op één punt kunnen we ons wèl een oordeel vormen. De H. Schrift zegt duidelijk, dat onze Hemelse Vader de hand gehad heeft in het tot stand komen van de schepping. "Hij riep en het was er". Hij zag, dat "alles zeer goed" was. Met die eerste groep, die alles uitvloeisel laat zijn van natuurlijke, toevallige gebeurlijkheden, kunnen we dus. niet meegaan. Wij geloven in God, den Vader, Schepper van hemel en aarde.
Daarmee is het standpunt van die mensen afgedaan! Ongerekend de buitensporige eisen, die hun denkbeeld stelt aan onze fantasie!
Moéten we dan het derde standpunt tot het onze maken? En van daaruit de constateringen en conclusies, die tot de verworpen hoge jaartallen leiden, allemaal voor "gezien" houden; ze van nul en generlei waarde achten?
Nu is voorzichtigheid geboden! Galileï, terugwijkend voor de' dreigende brandstapel, heeft teruggenomen, wat hij als zéker beweerd had: dat de aarde nl. om de zon draait en niet andersom. Dat mocht hij niet leren, omdat het tegen de Schrift in ging. Tot kort vóór de bemande ruimtevaartuigen hield een mijnheer Dijkstra staande, dat de aarde plat was en géén bol. Een twintig jaar geleden stond zijn boekje: "En toch is de aarde plat!" nog in de etalages! Maar dat geloven de Creationisten ook niet meer. Dat "beroep" op de Bijbel is achterhaald, m.a.w. dat is een verkéérd beroep geweest. En toch spreekt de Bijbel wèl in de trant der plattevlakkers!
Indertijd verscheen er een zeer ,,fundamentalistisch" boekje van Mevrouw Ozinga over de schepping. Maar ze nam wèl aan, dat de vierde scheppingsdag in Genesis 1 in feite géén adequate weergave was!
En daar zit het probleem.
Bij het bestuderen van de "natuur" constateert de onderzoeker bepaalde regelmatigheden, die een bepaalde tijd in beslag nemen. De omloop b.v. van de planeten. Die weten ze op de minuut af na te rekenen. En zo zijn er hele berekeningen gemaakt om naar aanleiding van conjuncties van planeten achter de juiste geboortedatum van de Here Jezus te komen. En dat vinden we gewoon. Want we gaan er van uit, dat de planeten nog steeds hun zelfde omloop hebben. Ja wel; maar de zondvloed op onze aarde?
In de Schrift staat niet, dat de HERE daarin zijn ordeningen voor zon en maan heeft veranderd. Vgl. Jer. 31 : 36. Ook over de aarde vinden we zulks niet. Die gedachte is een menselijke conclusie; óók een conclusie van menselijk denken. Maar dan toch maar gebaseerd op een gegeven, dat aan de Schrift is ontleend!
Denk dan weer aan mijnheer Dijkstra!
En wees voorzichtig. Zoals we dat altijd moeten zijn met ons Schriftgebruik.
De ene theoloog zegt, dat de H.S. de dubbele predestinatie leert; de ander ontkent het. En dan zijn ze nog op hûn terrein! Het komt er op aan hóe we lezen.
Mag ik wijzen op het verschil in Genesis zelf? In hoofdstuk 2 geven de verzen 4b en volgende bepaald een ánder gezichtspunt op het scheppingsverloop als het eerste hoofdstuk met de zes dagen. In onze kring is wel een poging gedaan om dat verschil wèg te exegetiseren; maar m.i. niet overtuigend. Dus komt de vraag op: is Gen. 1 nu werkelijk een "natuur"getrouw verslag? Of is het misschien geschreven vanuit een geloofsgezichtspunt, zodat het motief het punt is, waar het op áán komt? Ordening van feiten is dan belangrijk om de boodschap duidelijk te maken. Dat zien we b.v. in het Evangelie van Johannes.
En is ook anders niet ongewoon. Voorzichtig dus bij het verklaren van de Schrift; voorzichtig óók in ons oordeel over elkaar! We geloven allemaal, dat de HERE heeft geschapen en Zijn wetten en verbond heeft gesteld. We geloven, dat de H. Schrift daarin niet misverstaan kan worden. Daar gaat het ook om. Dat we dan niet hetzelfde denken over de betekenis van Gen. 1 en 2 is niet zo erg. We zien in beide hoofdstukken, dat de mens een hoge positie kreeg: een weinig minder dan God was hij. Dat is de prediking.
Merkwaardig is, dat prof. Zuidema deze materie ook ergens raakt. In Gereformeerd Theologisch Tijdschrift heeft hij al in 1962 een artikel geschreven, dat U als no. 16 terug kunt vinden in de verzamelbundel "Communication and Confrontation", Hij bespreekt daar de opvattingen van Kar! Barth over de schepping. Hij oefent daar scherpe kritiek op; op die Christosophie, zoals hij Barth's leer noemt. Maar in het slot van het stuk wijst hij er op, dat Barth in wat hij zegt over Gen. 1 en 2 - en Barth spreekt dan van: sagas! - als het er op áánkomt even "fundamentalistisch" is als de fundamentalisten, die hij zo verfoeide! Daarom is, wat Barth zegt over Gen. 1 en 2 als sage, naar de mening van prof. Zuidema, des te méér overweging waard. (pg. 326 a.w.).
Zuidema was een man wiens orthodoxie niet werd betwijfeld! Ook niet na dit artikel. Dat leert ons: we moeten de Schrift lezen naar haar aard; moeten ook de onderdelen lezen en duiden naar hun aard. Het verschil tussen hoofdstuk 1 en 2 behoede ons voor voorbarige conclusies omtrent elkaar.