Jeremia
1978-01-06
Gejammer- Jaargang 22
- nummer 1
Geen wonder dat de mensen in die omstandigheden jammeren, Het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog (14: 2). We mogen dat jammeren letterlijk nemen en denken aan het huilen en drenzen van kinderen die honger en dorst hebben.
Ook de moeders huilen, omdat ze niet in staat zijn hun kinderen gegeven wat ze zo dringend nodig hebben. Maar onder het gejammer valt ook het mopperen en klagen van de mensen onderling over de steeds duurder wordende levensmiddelen, En ook de opstandigheid en de wanhoop waaraan ze tegenover elkaar lucht geven. En ook het roepen tot God. Want dat laatste gebeurde ook weer. De bewoners van Jeruzalem baden weer tot Jahweh met belijdenis van schuld. Hoor hen roepen: Jahweh, all getuigen onze ongerechtigheden tegen ons, treedt op om UWiS Naams wil. Want vele zijn onze zonden. Tegen U hebben wij gezondigd. Gij, Hoop van Israël, Redder in tijd van nood, waarom zoudt Gij als een vreemdeling in het land, als een reiziger die alleen maar even zijn intrek neemt om te ovemachten, maar die niet geïnteresseerd is in wat er aan de hand is? Waarom zoudt Gij zijn als een. verslagen man, als een soldaat die niet meer kan helpen? Gij zijt toch in ons midden, Jahweh! Uw Naam is toch over ons uitgeroepen! Laat ons niet aan ons lot over! (14: 7-9).
Zo werd er weer gebeden in Juda en Jeruzalem.
Nood leert bidden
Wemoenen zonder meer zeggen: het is een klassiek gebed. Het beantwoordt aan de bijbelse normen.
Het is vooral prachtig, dart men zoo royaal zijn schuld belijdt. Het is ook -prachtig dat er een beroep gedaan wordt op Gods naam. Zo bad Mozes ook: doe het terwille van uw naam, van Uzelf.
Het gaat toch om uw volk, U hebt toch zelf uw naam aan hen verbonden (Ex. 32: 1-13; 33: 13; Num. 14: 13-19). Het gebed van de bewoners van Juda en Jeruzalem is zonder meer een prachtig gebed. Er valt niets op aan te merken. De noodsituatie had het hen weer leren bidden, zoals dat in het verleden af zoo vaak gebeurd was. In hun ellende en vendrukking riepen de Israëlieten weer tot de HERE. Dan hoorde Hij hen en verloste hen (zie b.v. Richt. 10: 10-16). Zo roepen ze ook nu weer. Maar dat niet alleen, Ze doen nog meer. Ze vasten ook en brengen brandoffers en spijsoffers (14: 12). Dat was geen geringe zaak.
In een situatie waarin het voedsel zo kostbaar en schaars was, sparen ze het nog uit hun eigen mond en uit die van hun kinderen en brengen ze nog spijsoffers aan Jahweh. Dat was toch wel een duidelijk bewijs, dat ze het echt menen. Nu móet de HERE toch wel luisteren.
Nu kán Hij hen toch niet aan hun lot overlaten. Want zo is de HERE toch. Al heb je het nog zo bont gemaakt, Hij luistert naar je en helpt je als je bij Hem komt 'en je schuld belijdt. Want Hij is een graag vergevend God. Zo tekent Hij zichzelf toch in de Schrift? Ja, dat is waar. Maar toch luistert Jahweh ditmaal niet naar zijn volk. 11kheb geen behagen in hen en luister niet naar hun geroep (14 : 10). En tot Jeremia zegt Hij: bidt niet voor dit volk ten goede (14:11).
Hoe zit dat?
Is Jahweh dan geen God van zijn woord? Is Hij dan een onberekenbare God? Want het volk is toch tot erkenning van schuld gekomen en belijdt zijn zonden toch tegenover Hem?
Dat valt niet te ontkennen. Maar het is de vraag wat daar bij het volk achter zie. Dat is de vraag waar het op aan komt. In het verleden had de HERE altijd geluisterd, als het volk in de nood zo tot Hem bad. Dan had Hij het verlost. Maar telkens weer was gebleken, dat er toch geen waarachtige bekering had plaatsgevonden.
Het bleek dat het volk niet echt in de HERE zelf geïnteresseerd was. maar alleen in zichzelf en in de verlossing uit de nood. Het ging hun niet om de HERE en om het dienen van Hem, maar om een goed leven. Ze wilden van hun ellende en narigheid af. En de beste methode om dat te bereiken - dat had de geschiedenis bewezen - was: schuld belijden en tot Jahweh roepen.
Zo riepen ze ook nu weer tot Jahweh, Dat was immers in het verleden altijd de beste methode geweest om uit de narigheid te komen. Het had helemaal niets te maken met een verandering van hun harten met een waarachtige innerlijke omkeer tot Jahweh. En dan zegt Jahweh: daar heb Ik nu eindelijk eens genoeg van. In het verleden heb ik telkens weer de hand over het hart gestreken, als ze tot Mij riepen. Maar elke keer weer bleek het geen waarachtige bekering te zijn. Zodra de druk en de ellende waren weggenomen, vergaten ze Mij ook weer en zwierven ze weer weg naar andere goden. Dat heen en weer zwerven was hun lust- en hun leven, zegt de HERE (vs. 10). Ze hebben er wat afgesjouwd! En nu komen ze weer naar Mij toe. Maar Ik weet nu langzamerhand WM dat waard is.
Daarom heb Ik nu geen behagen in hen en maak Ik nu door het zwaard en de honger en de pest een eind aan hen.
Niet meer bidden
En gij, Jeremia, bid ook niet meer voor hen om afwending van het oordeel (vs. 11). Zolang er geen sprake is van een werkelijke en waarachtige omkeer tot Mij, zolang er nog niet meer aan de hand is dan all een maar het verlangen om van deellende verlost te worden, luister Ik niet.
In 15 : 1 wordt dat nog eens extra benadrukt: al stond Mozes met Samuël voor Me om te pleiten voor afwending van het oordeel, dan zou Ik het nog niet doen en nog niets met dit volk te maken willen hebben. Weg met hen! Uit mijn ogen! Laait hen weggaan! En als ze dan vragen: waarheen? zeg dan: wie bestemd is voor de dood naar de dood; wie bestemd is voor het zwaard naar het zwaard; wie bestemd is voor de honger- naar de honger en wie bestemd is voor de gevangenschap naar de gevangenschap (vs. 2).
Zo stond Israël ervoor. Ze kermden het uit. In hun nood riepen ze rot de HERE. Maar het was vergeefs.
De deur van de hemel bleef gesloten. Op een gegeven ogenblik is het geduld van de HERE cp. Dat geldt ook nu nog. Het boek Openbaring eindigt met woorden die sterk aan Jer. 15 : 2 doen denken: wie onrecht doet, moet nog maar meer onrecht doen en wie vuil is, moet nog maar vuiler woroen (Op. 22 : 11). Daar zit hetzelfde achter.
De HERE gooit de remmen I-os, die zijn oordeel nog tegenihieldenen binnen de perken hielden.
N u heb J1k het lang genoeg geprobeerd, Nu is het mooi geweest, Ik trek mijn handen van hen af.
De droogte was voor Israël nog maar een begin. Zwaard en pest zouden volgen. Ook dat zijn oordelen die eveneens de honger in Openb. 6 genoemd worden.
Economische recessie
Vandaag beginnen ook WIJ iets van een droogte te voelen. Bronnen beginnen op te drogen. De economische recessie wordt steeds duidelijker. Wie de Schrift serieus neemt, zal moeten erkennen, dat daarin een stuk oordeel uitkomt van de HERE over een christenheid die zich op steeds grotere schaal van Hem heeft afgekeerd, En precies zoals destijds in Jeruzalem stijgt ook nu het gejammer op. Hoor de mensen eens klagen over de stijgende prijzen en de hogere belastingen. Ze klagen steen en been. Hoor ze te keer gaan en schelden op degenen die volgens hen verantwoordelijk zijn voor de achteruitgang, Aan de andere kamt hoor je ook klanken die zeggen: we moeten vasten. We moeten een nieuwe levensstijl aannemen. We moeten versoberen en offers brengen. Maar als het daarbij blijft, is evenals bij Israël- de droogte die we beginnen te voelen;' het begin van het einde. De droogte in Juda hield wel een keer op. En dat zal ook met de economische teruggang wel zo zijn. Daar zal wel eens een eind aan komen. Maar als er geen waarachtige terugkeer tot de HERE komt, zijn er ook die andere oordelen van Openb. 6.