Persschouw

1978-01-06
  • Jaargang 22
  • nummer 1
Van dr B. Jongeling kreeg ik het volgende belangrijke artikel onder ogen. Graag geef ik het aan onze lezers door.

"Hoe komt het toch?"
Hoe komt het toch dat het zolang geduurd heeft eer er een kabinet tot stand gekomen is?
Dit is een vraag die menig Nederlander zich gedurende de laatste maanden gesteld heeft, en die ook wel eens min of meer officieel aan de orde is geweest: onlangs hoorde en zag ik dat de vraag gesteld werd aan de voorzitter van de Tweede Kamer, maar ook deze wist er geen antwoord op te geven.
Nu verbeeld ik mij geenszins op bevredigende wijze het probleem te kunnen oplossen: ik weet b.v. niet wat zich allemaal binnenskamers heeft afgespeeld in gesprekken tussen politici die bij de formatie betrokken waren, noch wat er allemaal gezegd is in de vergaderingen der fracties, partijraden en partijbesturen die er iets mee te maken hadden. Maar het is misschien toch wel mogelijk enigszins door te dringen tot de achtergronden.
Na de invoering van de constitutionele monarchie in Nederland bij de grondwetswijziging van 1848 is het vele tientallen jaren zo geweest dat een kabinet aftrad wanneer er zulk een conflict met de Staten-Generaal uitgebroken was dat verdere samenwerking onmogelijk bleek. Het is immers zo dat in de constitutionele monarchie een wet niet tot stand kan komen dan in overleg met de Staten-Generaal.
Wanneer zo'n conflict zich voordoet is er ook nog een andere uitweg: de regering kan de Kamer(s) ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven.
Ook dát is in de loop der historie wel eens gebeurd. Maar meestal denkt men in zo'n geval toch eerst aan aftreden van het zittende kabinet. Langzamerhand is echter het gebruik ingebul1gerd dat de zittende ministers bij nieuwe verkiezingen, dus normaliter na vier jaar, een ontslagaanvrage bij de Koningin indienden, en dat de Koningin hun dan verzocht de lopende zaken te behartigen tot een nieuw kabinet was samengesteld.
Voor dit 'gebruik is wel iets te zeggen: de zittende ministers mogen beslist niet de indruk wekken dat zij per se aan willen blijven. Aan de andere kant is er echter tegen dit systeem wel ernstig bezwaar. In de eerste plaats is er geen conflict met de Staten-Generaal. Er is dus niet gebleken dat verdere samenwerking onmogelijk is. In de tweede plaats wordt op deze manier afbreuk gedaan aan de tweeheid regering-volksvertegenwoordiging.
Die tweeheid is geen tegenstelling, mág geen tegenstelling zijn: kabinet en volksvertegenwoordiging hebben elk hun eigen plaats en hun eigen verantwoordelijkheid in ons staatsbestel. Zij moeten met elkaar samenwerken en in die samenwerking het landsbelang behartigen, maar zij hebben elk hun eigen plaats. Dat de Koningin bij de aanwijzing van een formateur sterk rekening zal houden met de samenstelling van de volksvertegenwoordiging, en dat zij de formateur opdraagt zulk een kabinet te vormen dat erop rekenen mag voldoende steun in de volksvertegenwoordiging te vinden, is in ons staatsbestel een passende zaak. Maar dat neemt niet weg dat de tweeheid regering - volksvertegenwoordiging blijft. Daaraan wordt m.i. afbreuk gedaan wanneer telkens na gehouden verkiezingen een nieuw kabinet gevormd wordt. Hierdoor wordt immers in de hand gewerkt de gedachte dat het kabinet het volk vertegenwoordigt.
Men kan dan ook herhaaldelijk lezen dat de heer X minister van dit of dat is voor deze of die partij. Het is al onjuist wanneer men van een Kamerlid zegt: hij zit in de Kamer voor de PvdA of voor het CDA etc. Elk Kamerlid heeft immers de roeping voor zijn deel representant te zijn van het Nederlandse volk.
Dat er dan, al naar gelang het uitgangspunt, verschil van inzicht zal bestaan over wát het landsbelang is, is bij de veelkleurigheid der bevolking vanzelfsprekend. Maar elk Kamerlid behoort zich ervan bewust te zijn dat hij volksvertegenwoordiger is en niet groepsvertegenwoordiger. Veel meer onjuist is het echter wanneer men van een minister zegt dat hij zijn zetel bezet uoor deze of die partij. Hij staat in de tweeheid regering-volksvertegenwoordiging aan de kant van de regering. Ik herhaal hier met nadruk: de tweeheid is geen tegenstelling, mág geen tegenstelling zijn.
Enige tijd geleden, toen de heren Verdam en Vrolijk als informateurs bezig waren, hoorde ik bij een nieuwsuitzending of een actualiteitenrubriek - ik weet niet meer wat het was -, dat de eerste commissaris der Koningin is in Utrecht voor het CDA en de tweede die functie bekleedt in Zuid-Holland voor de PvdA. Dat is tvtaal verkeerd uitgedrukt. Maar het kwaad zit m.i. dieper dan alleen maar in de manier van zeggen.
Er ligt een beschouwing aan ten grondslag, ook al is men zich daarvan vaak niet bewust. En ongemerkt dringt mèt de onjuiste manier van zeggen de onjuiste beschouwing bij ons binnen.
Men vindt het allemaal al heel gewoon.
Welnu, de onjuiste beschouwing dat de regering in de grond van de zaak een soort volksvertegenwoordiging is heeft er langzamerhand toe geleid dat bij elke verkiezing het zittende kabinet aftreedt en een nieuw kabinet op treed t, heeft er ook toe geleid dat er stemmen opgaan die zeggen: de kabinetsformateur moet door het volk gekozen worden. Het zittende kabinet had niet behóeven af te treden, had niet demissionair behóeven te worden. Het had gewoon verder kunnen gaan met de vervulling van zijn taak totdat er eventueel een onoverkomelijk conflict met de volksvertegenwoordiging gekomen was. In verschillende uitzendingen heeft men kunnen horen dat men in de kringen der "confessionele partijen", nu samengebundeld in het CDA, vier jaar geleden bij de samenstelling van het kabinet al gerekend heeft met de formatie van 1977 en gehoopt heeft op méér ministers uit CDA-kring. Maar dat is een totaal onjuiste gedachtegang. Evenzeer onjuist is de houding van de PvdA in de nu al zo lang slepende formatie: er was een winst van, ik meen, 10 zetels in de Tweede Kamer; welnu, dan had déze partij toch recht op een fikse meerderheid in het te formeren kabinet! Maar het kabinet is geen volksvertegenwoordiging, laat staan een partijenvertegenwoordiging.
De onderhandelingen over een regeerakkoord en over de verdeling van de ministersposten vertonen eenzelfde beeld. Natuurlijk moeten er, wanneer mensen uit - niet: voor - verschillende politieke groeperingen in een kabinet moeten samenwerken, zekere afspraken gemaakt worden, opdat de samenwerking niet bij voorbaat al onmogelijk gemaakt wordt. En natuurlijk moet er gepraat worden over de bezetting van de posten. Ik ben echt niet jaloers op de mensen die in deze dingen een vooraanstaande plaats innemen.
Maar zoals het nu gegaan is:
heten mag, touwtrekkerij over de bezetting van de zetels zowel van de afspraken tot in vergaande details, ruggespraak met fracties, partijraden en partijbesturen of hoe dat allemaal kant van de PvdA als van de kant van het CDA - alles met elkaar een diep beschamend schouwspel -, dat leidt ertoe dat de regering geen regering meer is maar mandataris van het volk, en dat de volksvertegenwoordiging geen volksvertegenwoordiging meer is, waarmee overleg gepleegd wordt: het is immers allemaal al van te voren vastgelegd, en de leden van de Kamer die behoren tot deze en die partij zijn al gebonden: zij móeten wel stemmen voor de wetsontwerpen die ingediend worden. Er is immers een regeerakkoord tussen de partijen!
Ik twijfel er niet aan dat de heren allemaal erg hun best doen, maar ik ben ervan overtuigd dat er wel eens wat bezinning mag wezen op de achtergronden. De door de heer Terlouw geopperde gedachte: laat de Koningin de ontslagaanvrage van de zittende ministers met inwilligen, was m.i. nog niet zo gek. Misschien zou dat de impasse hebben kunnen doorbreken. Maar ik zou daaraan niet bij voorbaat de gedachte willen verbinden: over ongeveer een jaar nieuwe verkiezingen. Neen: eventueel nieuwe verkiezingen mogen er alleen komen wanneer een onoverkomelijk conflict zich voordoet.

Wat dr Jongeling in dit artikel zegt is voluit antirevolutionair.
Het is altijd verdedigd door Groen van Prinsterer, die volgens de ARP een staatsman is die nagevolgd moet worden. Volgens de huidige bijna algemeen gangbare opvatting zijn ministers zo ongeveer "zetbazen" van de partijen! En de Kamerleden de knechtjes daarvan.
Ik herinner me dat dr Kuyper als voorzitter van de AR Partij eens een soort instructie wilde geven aan de AR-Kamerfractie. Maar de voorzitter er van - ik meen Voort van der Zijp, niet eens een staatsman van de eerste orde - reageerde daarop met zoiets als: "Daartoe hebt U het recht niet!
Wij hebben als Kamerleden niets met U te maken! Wij zijn in de Kamer wel leden van de partij maar geen knechten van de partij, wij zijn vertegenwoordigers uan heel het volk."
Groen van Prinsterer zei eens het prachtige woord: Het parlement is het orgaan waardoor de regering het hart van het volk voelt kloppen. Fel verzette hij zich tegen Thorbecke die het parlement tot een soort Raad van State wilde maken die niets anders had te doen dan wetten goed- of afkeuren.
Als je de parlementaire debatten uit de grote parlementaire geschiedenis uit Groen's tijd volgt lees je telkens dat de Voorzitter van de Tweede Kamer Groen's rede onderbreekt met de opmerking dat hij buiten de orde is.
Maar dan protesteert Groen heftig.
In de Kamer moet bij de behandeling van alles wat ter sprake komt de stem van het volk ten gehore worden gebracht. De regering moet vóór alles horen wat in het volk leeft over de levenskwesties van de natie.
En de grote kenner van het Staatsrecht, prof. Buys, heeft met het oog daarop eens gezegd dat niemand voor het aanzien van de Kamers der Staten-Generaal meer gedaan heeft dan juist Groen."
Ik wil in dit verband ook nog iets anders opmerken. Namelijk dat er een wezenlijk verschil is tussen de Volksvertegenwoordiging en b.v. een Gemeenteraad. Een Gemeenteraad is geen "gemeentevertegenwoordiging"
maar een regeringscollege, een overheid over de gemeente. En het college van B. en W. is het dagelijks bestuur daarvan. De verhouding tussen Gemeenteraad en het college van B. en W. is daarom principieel anders dan die van Regering en volksvertegenwoordiging! Een college van B. en W. moet volgens ons staatkundig bestel een eerlijke afspiegeling zijn van de Gemeenteraad. En het is een bederf van het Staatsrecht als een partij die de absolute meerderheid in een Gemeenteraad heeft wethouders kiest die allen tot die partij behoren, zoals de PvdA b.v. in Groningen en in Rotterdam deed. Dat is "arrogantie van de macht".
En een moreel bederf is het ook als een partij van haar leden die een regeringsfunctie bekleden of lid van de volksvertegenwoordiging werden vraagt dat ze een bepaald procent van hun honorarium dat zij als zodanig ontvangen zullen storten in de partijkas!
Maar - het revolutionaire bederf is in alle regionen van ons staatsbestel al ver doorgedrongen. Het woord van dr Jongeling is als de stem "van een roepende in de woestijn" - maar juist daarom te meer noodzakelijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief