Beoordeling van literatuur

1979-04-27
  • Jaargang 23
  • nummer 17
Literatuur, wat doen wij ermee?
Er zijn vier mensen geweest die hebben gereageerd op mijn uitnodiging eens te laten weten waarover men graag iets zou willen horen. Ik heb dat erg op prijs gesteld: hartelijk dank! Als een soort "overkoepelend" onderwerp heb ik gekozen: beoordeling van literatuur. Daarbij zal ik proberen zo veel mogelijk de mij gestelde vragen te betrekken. Ook bij het vervolg houd ik mij voor reacties aanbevolen! Wie het niet met mij eens is, moet vooral niet zwijgen: waarom zou uw inzicht niet net zo goed zijn als het mijne?
Het gedicht dat ik de vorige keer liet afdrukken, had als titel moeten hebben: Achterbalcon, en het was van Anthonie Donker.

Dulce et utile ?

... Boer, wat zeg je van mijn kippen?
Boer, wat zeg je van mijn haan?
Hebben zij geen mooie veren?
Of staat jou de kleur niet aan? ...

Mijn buurman vindt inderdaad de kleur van mijn krielkippen niet zo fraai. Maar dat is voor hem een bijkomstigheid; hij stelt veel meer belang in het praktisch nut: hoe veul eier krieg ie doar van? De mooie veren en het praktisch nut van de eieren lopen aardig parallel met de begrippen die sinds Horatius zijn verbonden met literatuur: dulce et utile. Maar dat is Latijn uit lang vervlogen dagen en de vraag is hoe wij die woorden naar nu "vertalen".
“Dulce" is opgevat als: mooi, aangenaam, harmonisch, zoetvloeiend, amusant, interessant, boeiend, zelfs als: ingewikkeld, maar ook: overtuigend.
Misschien is het goed even een nog steeds aanwezig misverstand weg te nemen: schoonheid is niet het wézen van kunst. De etsen waarin Goya de verschrikkingen van de oorlog tekent, zijn niet "schoon" in die zin dat ze aangenaam zijn om ernaar te kijken. Ook het beeld van Zadkine in Rotterdam is niet "strelend voor het oog". Maar het overtuigt wel! Zo kan het ook met literatuur zijn. De verhalen van Hamelinek zijn niet "mooi", niet prettig om te lezen. Bij leerlingen wekken ze soms emotionele reacties op van onbehagen en afkeer.
Maar ze hebben een hoog niveau! Ze horen tot onze literatuur.
Als wij het woord "utile" naar ons toe gaan vertalen, ontstaan er nog grotere problemen.
Laat ik maar enkele opvattingen weergeven: nuttig, stichtelijk, opbouwend, opvoedend, leerzaam, verheffend, ontdekkend, maar ook: propaganda!
Willem "die Madocke makede" en die ons het meesterwerk van den Vos Reinaerde heeft nagelaten, gebruikte zijn kunst om allerlei misstanden van zijn tijd aan te wijzen.
Hij heeft veel, en grote navolgers gehad: Vondel, Multatuli en W. F. Hermans om maar enkele te noemen. Dat is deze schrijver natuurlijk niet altijd in dank afgenomen. Als het naar dê zin van de hoge heren in Den Haag was gegaan, had het Vondel wel eens zijn leven kunnen kosten! En met de Amsterdamse dominees lag de prins der Nederlandse dichters ook voortdurend overhoop. Trouwens, wist u dat er in die tijd ook eens een burgemeester is geweest die tijdens een kerkdienst een gewapend pistool op de predikant gericht hield? Geschreven en gesproken woorden kunnen heftige reacties oproepen.
Wat verlangen wij nu van literatuur? Moet die "mooi" zijn? En wat is dan "mooi"? Moet die "nuttig" zijn? Wat is dát dan? Kunnen we zeggen: Kunst moet tot eer van God zijn? Of zeggen we zelfs: als iets niet tot eer van God is, dan is het ook geen kunst? Voorlopig stel ik die vragen alleen maar! Ik wil er alleen op wijzen dat iets dergelijks gezegd is door b.v. Marxisten en Nationaal Socialisten: kunst moet ónze ideeën dienen! Moeten wij het werk afwijzen van mensen die niet de wil hebben gehad de eer van God te dienen?

Een voorbeeld uit de praktijk
Omdat ik er bang voor ben u al te lang bezig te houden met theoretische beschouwingen, ga ik nu eerst maar eens over op een gedicht dat ik kortgeleden nog in een klas heb besproken.
U maakt dan meteen al een beetje kennis met de problemen die later nog aan de orde komen.
Het gedicht is van Guillaume van der Graft (pseudoniem van Ds Barnard) en het heet: Aan meester timmerman Vasse:

Wanneer het afliep kwam Vasse,
kamde zijn vlasbaard en zette een hoge hoed op
en in zijn geklede jas met zilveren tressen,
een marechausse van de dood,
vestigde Vasse dan onze gewijde aandacht
op de wet van het graan en het gras.
Als een traan biggelend langs de neus van de Voorstraat,
tersluiks weggeslikt om de hoek van hef postkantoor,
deed hij de ronde langs onze blozende wangen.
Hoe zout is de dood
en hoe zoet ruikt het hout op de hoek van de Eiermarkt
waar Vasse zijn werkplaats heeft,
waar hij planken schaaft en ineenpast tot tweepersoonsledikanten,
tot eenpersoons geurende kasten.

Ik vind dit zelf een goed gedicht. Niet zo héél erg waardevol, misschien. Dat kan mij op een bepaald moment ook weinig schelen. We hoeven toch ook niet steeds op onze geestelijke tenen te lopen? Ik heb ook aardige herinneringen aan reacties van leerlingen. Enkele jaren geleden had ik verteld dat ds Barnard dit geschreven had toen hij predikant in Hardenberg was, waarop een meisje reageerde met: "Hee, die Vasse ken ik wel! Die heeft inderdaad zo'n vlasbaardje." Haar belangstelling was alleen al gewekt doordat zij "herkende". Het is gebleken dat mensen vaak iets "mooi" vinden doordat zij het "herkennen". Laten wij het gedicht eens doornemen, misschien herkent u er ook iets in.
Vasse heeft de functie van "aanspreker". Ik zie die man ook nog door mijn geboortedorp lopen.
Iedereen wist al lang wie er overleden was, maar hij kwam toch plechtig in een vreemde taal ("Hollands") "namens de familie mededelen dat in de ouderdom van .. jaren" was overleden die en die, eventueel "weduwnaar van .. ". Mijn moeder had de man al lang zien aankomen en wachtte hem bij de achterdeur op. (Natuurlijk, bij de achterdeur. Aan de voordeur kwam toch bijna nooit iemand! Ja, wildvreemden, lui uit "Holland" b.v.) Met gepast stilzwijgen hoorde zij de mededeling aan. Als de aanspreker voleindigd had, volgde er vaak nog een kort gesprek, in ons dialect uiteraard.
En die aanspreker had inderdaad zo'n mooie jas aan, een lange, met zilveren tressen. De marechaussees hadden ook van die tressen.
Alleen droeg hij bij ons geen hoge hoed maar een steek. Zo een van het model als op oude foto's te zien is bij ministers. Colijn bij voorbeeld.
En dat was me een minister! (vond mijn vader.) Dat zie ik dan zo allemaal weer voor me. En daarom vind ik dit zo'n aardig gedicht. Woonde u in Rotterdam? Nooit zo iemand aan de deur gehad? Ja, dan hebt u iets gemist. En dan mist u nu ook de herkenning. Maar misschien hebt u dan nu toch wel waardering gekregen voor die regels:

zijn geklede jas
met zilveren tressen,
een marechausse van de dood.

Het begin vind ik niet geslaagd:
"Wanneer het afliep". Wij zeggen wel: "het loopt af" en bedoelen daarmee dat iemand stervende is, maar het werk van de aanspreker komt later: iemand moet dan gestorven zijn, het moet "afgelopen zijn".
Regel 5 moet ook herkend worden: Vasse "vestigde onze gewijde aandacht op". Ik heb bij de leerlingen geïnformeerd maar er schijnt geen dominee meer te zijn die het zó zegt: "Uw gewijde aandacht wordt gevraagd voor hetgeen gij vindt opgetekend in ... ", en dan volgde het te lezen bijbelgedeelte. Toch brengt dit woordgebruik iets over van die plechtige ernst waarmee Vasse zijn werk deed. En de "wet van het graan en het gras"? Een enkele leerling kan dat gras thuisbrengen: "Gelijk het gras is ons kortstondig leven". Maar met het graan weet vrijwel niemand raad. Ik neem aan dat de lezer van Opbouw wèl denkt aan de graankorrel die sterft en waaruit een nieuwe plant groeit, symbool van ons gestorven lichaam dat ééns opgewekt zal worden.
Het beeld van de traan is héél geslaagd. Worden wij ontroerd, loopt er een traan over onze blozende wangen? (Blozende: contrast met de dood!) Of heeft Vasse last van tranende ogen door het winderige weer? Hij kan toch niet telkens zijn zakdoek pakken? Juist, even een likje met de tong! Hoe zout is de dood! En dan: biggelend langs de Voorstraat. Niet in een rechte lijn; hij moet immers bij elk huis zijn mededeling doen. Ziet u het voor u? En ineens is hij weg. Bij het postkantoor om de hoek verdwenen.

”Hoe zout is de dood en hoe zoet ruikt het hout". Een plotselinge overgang. Dood en leven naast elkaar. Vasse zijn eigenlijke beroep is timmerman. Let u even op het spel met de klinkers? Roe zout is de dood en hoe zoet ruikt het hout op de hoek. Wat zijn dat voor kasten?O ja, doodskisten. Maar ze geuren! En wat moeten die tweepersoonsledikanten? Het leven gaat door, zie hier een mogelijk begin van een nieuw leven. Die leerlingen zijn niet zo dom: dat van die ledikanten hebben ze al gauw in de gaten. Ze begrijpen alleen niet alles. Het is ook niet direct hún taal die hier wordt gesproken.
En wat is nu de grondgedachte? Dat is eigenlijk al gezegd: het gras, maar ook het graan! Er is toekomst. Niet alleen doodskisten, ook tweepersoonsledikanten.
En dan hoeven we toch niet blijvend treurig te zijn? Een kleine glimlach kan er ook wel af: Die Vasse! Een heel ander man ineens. Hoge hoed, geklede jas, plechtige taal. Maar toch ook: meester-timmerman.
Vakmanschap is meesterschap. Dat geldt ook in de kunst.

Al heel wat keren heb ik van leerlingen gehoord: "Eerst vond ik er niets aan, maar nu vind ik het mooi." U ook?
Maar déze week vroeg ik: "En wie heeft er kritiek op dit gedicht?" Er was één jongen. Hij zei: "Je moet er zo bij nadenken!"

Tot de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief