TIENERS
1979-04-27
Herinnert u zich nog de tijd, dat u tiener was? Zo van elf tot en met negentien jaar? Natuurlijk wel.- Jaargang 23
- nummer 17
Ik ook - en goed. Van elk jaar zou ik u nog boeiend kunnen vertellen. Wat beleefde je veel in een jaar. Wat duurde elk jaar nog lang. Wat waren de plichten groot: schoolwerk, catechisatie, muziekles, repetities en schoolrapporten. En wat waren de vreugden enorm: - nee, die moet u zelf maar invullen. Trouwens ik haal niet te veel op; ook tieners kunnen dit lezen en ik wiI ze niet het gras voor de voeten wegmaaien.
Als ik mensen met tieners ontmoet zeg ik wel eens: geniet alstublieft van deze jaren. Het is de leukste leeftijd voor hen, ook voor u. Niet helemaal juist natuurlijk, want tieners kunnen soms ontzaglijk lastig zijn. Voor u, maar vooral voor zichzelf.
Gelukkig, wanneer ze hun vrije uren zelf positief kunnen vullen. Niet de tijd doden maar hun tijd besteden, uitkopen zogezegd.
Over tieners gesproken. Vanuit ons huiskamerraam hebben wij, althans in de winter, het uitzicht op ons naaste buurhuis: een natuurstenen huis, op zo'n drie honderd meter tegen dezelfde berg als wij gelegen. Alleen het dak en de schoorsteen kunnen we zien opstijgen uit eeuwenoude rododendrons. Aan de rook zien we dat ze stoken, wát ze stoken, hoe de wind waait en wat de weersverwachting is. De vader van het gezin zien we bijna nooit, want die studeert in Glasgow. De moeder zien we ook niet vaak, want die heeft op haar eentje een zestal tieners op te voeden. En die tieners - hoe kan het anders? - kom je langs de weg, in het dorp, bij de schoolbus tegen.
Vindt u zo'n gezin niet interessant? Naar vaderlandse begrippen zéker. Het kon zo een ouderwets calvinistische gezin zijn. Vader was schaapherder maar door een ongeval werd hij ongeschikt voor het buitenwerk. Toen had hij de keus: verder leven op kosten van de staat of een ander vak leren.
Hij koos natuurlijk het laatste want een schaapherder is geen nietsnut. Die is eerder filosoof, denker.
Die heeft verantwoordelijkheidsbesef. Die heeft geleerd wat het beste is voor de aan hem toevertrouwde wezens, schapen of tieners.
Wel, naast zijn studie, vijf dagen in Glasgow, heeft de man dus zijn hok vol tieners. Alle zes liggen tussen twaalf en achttien jaar. Ze zijn dit jaar alle zes op de High School en zitten uitgerekend in alle zes beschikbare klassen. Leuk? Ik geloof niet dat ze allemaal van hem en zijn vrouw zijn - er lopen in zo'n gezin meestal wel een of twee aangenomen kinderen mee. "Zou men armoe lijden om een mondje meer?" zong Emiel Hullebroeck.
Van dat gezin zien we dus de tieners het meest: op zon- en feestdagen, in de vakanties, in vakantiebaantjes.
Originele jongens, leuke meisjes. Ze steken een hand op als ze een kleine claxon horen (dat mag hier, zowel hand als claxon) of ze zeggen hello sir, als je ze rakelings op de smalle stenen brug voorbijgaat, waar ze over de leuning naar zalm turen. Kortom, we zijn goede buren samen en al was je dat niet, dan had je nog sympathie voor elkaar.
We spraken eens een paar van de meiskes aan, mijn vrouwen ik, gaande naar de kerk. Zo, gaan jullie vandaag ook eens mee? - Waarom? vroegen ze verwonderd. - Waarom niet? was de wedervraag. - Waarom gaat u wel? vroeg er een.
- Omdat we het nodig hebben: een goed woord wekelijks, zingen en bidden, even uit de sleur van je weekprogram te zijn en wat goeds opdoen.
Het doet je nooit kwaad. - WeIl, zo hadden ze het nooit bezien. - Denk er eens over na, zeiden we - een volgend keer beter.
Onlangs zagen we, dat een paar buurmeisjes in de kerk waren geweest. Wel op Zondag - niet in een kerkdienst. Een had haar naam in het gastenboek geschreven, met datum en adres. Dat was Kate.
En Kate had nog iets gedaan: ze had haar letters in een van de kerkbanken gekerfd!
De volgende Zondag stonden een paar bedroefde zusters na afloop van de kerkdienst naar het runenschrift te kijken: blanke lettertekens in de zo mooi donker geverfde en geverniste bank. Wie kon dat nu hebben gedaan? En niemand, die op de naam kwam.
Na overleg met mijn vrouw heb ik een briefje getikt naar ons buurtje. Het was een gok. We wilden haar naam niet noemen want konden niets bewijzen. Tussen weten en bewijzen ligt soms een hele afstand, weet u. Ik schreef dus:
Beste Kate,
ik zou wel even met je willen babbelen.
We kennen elkaar eigenlijk alleen van een groetje - maar we zijn buren. Ik vind jouw taal wat moeilijk om te spreken - schrijven gaat beter.
Een paar weken geleden en wel op Zondag 4 Maart schreef jij, meen ik, je naam in het gastenboek van onze kerk. Je bent natuurlijk van harte welkom. Maar later troffen wij een paar teleurgestelde mensen aan, die stonden te kijken naar jouw initialen, gekerfd in een van de banken.
Dat is niet welkom, zoals ik begreep. Ik meende je initialen te kunnen thuisbrengen, maar zei niets. Aan de andere kant heb ik nu het recht, meen ik, om je te vragen: hoe kun je dat ongedaan maken?
Zoals je zag is de kerk pas mooi geschilderd.
Iemand schreef in het gastenboek: ik kan me moeilijk een kerkje voorstellen, dat zo lief is als dit! Daarom waren onze mensen teleurgesteld over die vernieling. Niet alleen de jouwe.
Voel je er niet voor, de zaak te vernissen of op een andere manier op te knappen? Ik laat dat aan jouw over en als je het ongedaan kunt maken zal niemand je naam van ons horen.
Met vriendelijke groet enz.
Zo en nu maar afwachten of dit iets uitwerkte. Ik zag een tiener in ons goede vaderland al met mijn briefje in de hand. Er zijn goede bij en heel goede.
Maar er zijn ook anderen bij. Zo van: kunt u iets bewijzen, meneer? Waar bemoeit u zich mee, meneer?
Er zijn meer hondjes, die Fik heten. meneer.
(En waarschijnlijk laten ze dat "meneer" ook wel weg.) Hier gaat alles nog heerlijk ouderwets. Daarom had ik goede hoop in de roos te hebben geschoten.
Maar hield rekening met de kans dat ik fout zaten dus excuus zou moeten aanbieden. Zelfs àls ze het gedaan had, maar ontkende ... zou ik netjes excuus moeten maken. Want wie adelaar zegt, zei Han van Meegeren, moet ook bedelaar kunnen zeggen.
Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Een correct briefje in blokschrift lag bij onze thuiskomst op de deurmat. Van ons buurtje, beweerde ik. Ze ontkent het, zei mijn vrouw. We lazen samen, vertalend in ons beste Nederlands:
Beste meneer Milo,
ik wil graag excuus maken voor mijn onbehoorlijke gedrag. Het was stom, zo iets te doen. In de toekomst zal ik andermans eigendommen beter ontzien. Vandaag nog, zo mogelijk, zal ik naar de kerk gaan en de bank met vernis behandelen. Als ik kan zal ik alles geheel ongedaan maken.
Dank u wel voor uw begrip en vriendelijke brief. Ook daarvoor dat u de zaak niet aan mijn ouders hebt doorgegeven. Die zouden dat heel erg hebben gevonden, omdat ze ons niet geleerd hebben zulke stomme dingen te doen. Het spijt me u teleurgesteld te hebben. Nog eens, ik vraag excuus.
Hoogachtend, Kate.
De volgende dag hingen twee schoolmeisjes over de brugleuning naar zalm te turen. Merkten niet, dat onze auto haar rakelings voorbijschoof.
Een flits zei me dat het de zondares en haar zusje konden zijn, temeer daar ze niet opkeken en de zalm nog niet aanwezig is. Pas na een kleine claxon-stoot zag ik in mijn spiegel twee kopjes aarzelend over de schouders kijken. Twee handjes gingen omhoog. De vrede was getekend: ze waren op weg naar de kerk. Zo ongezien mogelijk.
En ik dacht: zo zijn tieners, als thuis alles goed is. Ze hebben nog idealen.
Ze weten nog wat goed en kwaad is. Ze halen boevenstreken uit, maar ze betalen zo mogelijk ook de rekening. Houden zo, zeggen de zeelui.