Zo was het (27)
1979-04-27
In m'n pastorale praktijk heb ik gemerkt hoe moeilijk het is een vastgewortelde overtuiging met wortel en tak uit te roeien. Toen ik bemerkte welke misverstanden er over het algemeen heersten onder gereformeerden van allerlei slag, dacht ik in korte tijd ze wel te kunnen opruimen. Maar wat er in eeuwen is ingepompt krijgt men er in geen jaren uit. Toen ik nogal stevig van leer trok tegen zekere misvattingen en de zogenaamde zware broeders en zusters niet spaarde, zei een ouderling tegen mij: "Dominee, u slaat zo hard op de bokken, dat de schapen ook schichtig worden.- Jaargang 23
- nummer 17
U moet meer lokken met het rijke Evangelie. Dat helpt meer dan het voortdurend gevecht." De goede man had gelijk. En ik heb getracht mij aan zijn raad te houden. Er was inderdaad veel misverstand. Over verkiezing en verwerping sprak men. alsof het een soort noodlot was. Er was nu eenmaal in de eeuwigheid al beslist of iemand zalig zou worden of niet. Merkwaardig was het hoe sommigen daar heel rustig over konden redeneren. Alsof het niet ging over leven of dood! Sterker nog: alsof het niet ging over het eeuwige leven en eeuwig verderf. Het kwam voor dat een paar broeders rustig over deze leer debatteerden - na de preek bijvoorbeeld - terwijl men z'n kopje troost dronk en een pijp rookte. Het was alsof het hun eigenlijk niet aanging. Zo sprak men ook over wat Calvijn heeft genoemd het "verschrikkelijk besluit van verwerping". Iemand kon zichzelf onbekeerd en eigenlijk ongelovig noemen en toch redeneren over wedergeboorte en verkiezing.
Alsof iemand daarover met verstand kan spreken zonder in de Here Jezus te geloven. Het Evangelie komt tot ons met bevel van geloof.
En wie het oprecht gelooft en zich toevertrouwt aan de Here Jezus, die is overgegaan tot een nieuw leven en die mag weten uitverkoren te zijn.
En die zal zich ook beijveren z'n roeping en verkiezing te bevestigen. En als hij dat niet wil en niet doet, dan kan hij van de genade vervallen en schipbreuk lijden van het geloof. Zo zegt het de Schrift. En daaraan moeten we ons maar houden.
In een vorig praatje sprak ik over Efeze 1 : 4 "Gezegend de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons in of door Hem heeft uitverkoren".
Dat schreef Paulus aan de "heiligen en gelovigen" in Efeze en omstreken.
Meest kinderen in het verstand. Zoals wij dat nog zijn. Als we gelóven in de Heiland der wereld dan mogen wij het weten en dan weten wij het te behoren tot die "ons" van Ef. 1 : 4. En dan mogen we het weten, dat de verkiezing in de tijd geen gril is van een moment. Maar dat ze gegrond is in de eeuwige Liefde Gods. Zó was en is de HERE en zo zal Hij altijd zijn. Hij heeft geen plezier in het verderf van een zondaar of zondares.
Maar Hij heeft er behagen in als iemand gelooft en zich bekeert en leeft.
Waarom is dit er toch niet in gehamerd in de loop der eeuwen? En waarom is er niet ingegrift, dat gelovigen hun best moeten doen, er naar mogen en moeten jagen hun roeping en verkiezing te bevestigen? Zo spreekt de HERE toch? Waarom heeft de goêgemeente vaak liever geluisterd naar "grote" theologen dan naar onze Barmhartige God en Vader? Verbijsterd heb ik mij vaak afgevraagd hoe het toch komt, dat men van de leer van verkiezing en verwerping een onheilspellende en schrik-aanjagende zaak heeft gemaakt. Waarover velen liever maar zwijgen. Omdat men zich niet wil branden. Terwijl in werkelijkheid de verkiezing behoort tot het heerlijke en lieflijke Evangelie. Dat een kracht Gods is tot behoud. Het is een ongelooflijke rijkdom door het geloof te verstaan, dat de heilige en rechtvaardige God ons zondaren zó lief heeft gehad, dat Hij zijn Zoon heeft gegeven tot een verzoening van al onze zonden. Ja van ál onze zonden!
Mogelijk zal iemand denken of zeggen: Maar de Schrift spreekt toch ook op vele plaatsen van verwerping? Inderdaad. En daarover wil ik nu met u praten. Want ook daarover heerst nogal wat misverstand.
Dit misverstand, dat we bij verwerping altijd zouden moeten denken aan eeuwige rampzaligheid. Vroeger waren we er nogal gauw bij het merendeel van de mensheid te verwijzen naar de hel. Denken we er wel aan wat dat is: eeuwige rampzaligheid? Eeuwige wroeging? Lijden zonder eind? Een middeleeuwse dichter zegt: "eeuwig duurt so lanc"! Op de catechisatie hoorden we rustig beweren, dat alle heidenen voor de hel bestemd waren. Alsof wij daarover te beslissen hebben. Laten we dat oordeel maar overlaten aan de HERE, die barmhartiger is dan wij durven denken.
Allen, die zich van het leven beroofden waren ook verdoemd. Wat weten wij er van wat zulke beklagenswaardige mensen tot zulk een daad drijft?
Zijn ze volkomen toerekenbaar in het moment van hun daad? Laten we toch voorzichtig zijn met ons oordeel. Als David voor de keus wordt gesteld om of in de hand van mensen of in de hand van de HERE te vallen, dan zegt hij: "Het is mij zeer bang te moede; laat mij toch vallen in de hand des HEREN, want Zijn barmhartigheid is zeer groot, maar laat mij niet vallen in de hand van mensen".
God verwerpt hen, die eerst Hem verworpen hebben. Dat geldt bijvoorbeeld van Saul. De HERE verkoos hem om koning te zijn over Israël. Hij krijgt opdracht om Amalek uit te roeien. Maar hij spaart Agag en het beste van het vee. Zogenaamd om te offeren. Maar met dat al was hij ongehoorzaam. Samuël zegt dan: "Gehoorzaamheid is beter dan offerande".
Saul vraagt vergeving en zegt voor de wens van het volk te hebben gebogen. Dat helpt hem echter niet. Hij hoort dit vonnis: "Gij hebt het woord des HEREN verworpen; daarom heeft de HERE u verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn". Geen verwerping uit willekeur, maar om Saul's zonde. 1 Sam. 15.
Hetzelfde gebeurt met Eli. Hij kreeg het volgende te horen: "Ik heb duidelijk gezegd: uw huis en uws vaders huis zullen altijd voor mijn aangezicht wandelen, maar nu luidt het woord des HEREN: dit zij verre van Mij. Want wie Mij eren zal Ik eren, maar wie Mij versmaden zullen gering geacht worden". Het huis van Eli wordt verworpen als priesters, omdat hij en z'n zonen het woord des HEREN hebben versmaad. 1 Sam. 2: 30.
Dat zijn een paar voorbeelden uit het O.T. En zo staat het ook in het N.T. Ik herinner aan de koninklijke Bruiloft uit Matth. 22. Dienaren worden uitgezonden met de boodschap: alles staat klaar, komt naar het feest.
Maar de genodigden wilden niet komen. Akker en zaken gingen voor.
De dienaren werden geslagen en vermoord. Toen werd de Koning boos en verdelgde de moordenaars. Hij zegt: "De bruiloft was wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard". Het was hun eigen schuld, dat zij van de Bruiloft werden uitgesloten. En ook de man, die zonder bruiloftskleed was ingedrongen, werd om eigen schuld uitgeworpen. Hij had een feestkleed kunnen krijgen, maar had het de moeite niet waard gevonden zich voor het feest te kleden.
En wat heeft de Here Jezus gezegd tegen Jeruzalem in zijn rede tegen Schriftgeleerden en Farizeeën? Dit: "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn; hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt en gij hebt niet gewild". Jeruzalem is niet "zo maar" verworpen, maar wegens onwil. Jezus wilde wel, maar zij wilden niet.
De brief aan de Hebreeën spreekt over het feit, dat heel het geslacht dat uittoog uit Egypte in de woestijn omkwam. Zij werden verworpen zouden we kunnen zeggen. Omdat God hen daartoe bestemd had? Daar spreekt de brief niet van. Er staat in Hebr. 3 : 18 "Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof" .
Het staat dus zo in de Schriften: Wie gelooft en zich bekeert en, volhardend tot het einde, behouden wordt, heeft dat niet aan zichzelf te danken.
Maar aan Gods verkiezende liefde. Maar wie verloren gaat wegens ongeloof heeft dat niet aan God te wijten, maar aan eigen onwil. Wij kunnen dat met ons verstand niet rijmen. Volgens ons is dat niet "logisch". Volgens onze rede zou het zó moeten zijn: Als de gelóvigen alles te danken hebben aan Gods verkiezende liefde dan moeten de óngelovigen alles te verwijten hebben aan Gods verwerping.
Van de andere kant redenerend zouden wij zeggen: Als de óngelovigen alles .te wijten hebben aan zichzelf, dan hebben de gelovigen alles te danken aan hun gehoorzaamheid. Dan mogen zij in zichzelf roemen.
Maar de HERE leert ons in zijn Woord: Wie behouden wordt heeft alles te danken aan Gods genade. Wie verloren gaat heeft alles te wijten aan zichzelf. We moeten God maar niet de schuld geven van het ongeloof.
Maar heeft de Bijbel het dan niet over het feit, dat wij als leem zijn in de handen van de Pottenbakker? Met een klomp leem kan de pottenbakker toch handelen naar willekeur? Hij kan er toch mee doen wat hij wil? Nu dan, zo kan God toch ook doen met een mensenkind zoals Hij wil? Is er niet met recht gezegd, dat wij ook als God ons zou verdoemen toch nog Hem zouden moeten loven? Moeten wij niet over ons laten komen, wat Hij over ons beslist heeft?
Ik zou zeggen: laten wij dat beeld van de pottenbakker en het leem maar gebruiken en uitleggen, zoals de HERE door de profeet het verklaart.
Laten we maar eens horen wat de profeet Jeremia zegt in Jer., 18. Hij moest gaan naar de werkplaats van de pottenbakker. Die was juist bezig met het vormen van een vaas. Maar hoe gaat dat met dat pottenbakkerswerk.
Als een werkstuk mislukt dan knijpt de kunstenaar de leemklomp in elkaar en begint opnieuw. En maakt een nieuw produkt dat wèl slaagt.
Dan komt het woord van de HERE tot Jeremia als volgt: "Zal Ik niet met u kunnen doen zoals deze pottenbakker, 0 huis Israëls? Zie, als leem in de liand van de pottenbakker, zo zijt gij in Mijn hand, huis van Israël. Nu eens doe ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; maar bekeert -zich dat volk, waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun dacht aan te doen. Dan weer doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; maar doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee ik hun had gezegd hun te zullen weldoen. Nu dan, zeg toch tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Zo zegt de HERE: zie, Ik bereid rampspoed over u en beraam tegen u een plan; bekeert u toch ieder van zijn boze weg en betert uw leven. Doch zij zeggen: Het baat niet, want wij zullen onze eigen gedachten volgen en ieder naar de verstoktheid van zijn boos hart wandelen" .
Als Jeruzalem meent: "Wij zijn het volk Gods en ons kan nooit iets erg overkomen, hoe wij ook leven?", dan zal de HERE laten voelen, dat Hij een ongehoorzaam volk in zijn toom kan straffen. Dáár is Hij vrij in.
We zingen: "Geen onheil zal de stad verstoren, daar God zijn woning heeft verkoren." Dat is waar, zolang dat volk trouw is in de dienst van God. Maar dat is geen waarheid van 2 maal 2 is 4: Ons kan God nooit meer straffen. De HERE is trouw aan zijn beloften. Maar ook aan zijn dreigingen. In de dagen van strijd in 1945 beweerde een lid van de kerkeraad: God kan ons wel kastijden, maar straffen in zijn toom nooit meer.
Hoe dan ook. Toen heb ik herinnerd aan psalm 89 : 13 en daar eindig ik nu m’n praat mee: "Ik zal de heerschappij doen duren bijzijn zaad, zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat.
Maar zo zijn kinders ooit mijn zuivere wet verlaten, zo 't richtsnoer van mijn recht ter regeling niet kan baten, zo zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven, dan mogen zij gewis voor mijne straffen beven."