Ingezonden
1979-05-04
Met belangstelling heb ik kennis genomen van de eerste twee afleveringen van beoordeling van de liederen uit het Liedboek in uw blad "Opbouw".- Jaargang 23
- nummer 18
Naar aanleiding daarvan zijn er bij mij enkele vragen gerezen en aangezien andere lezers wellicht ook belang hebben bij de antwoorden daarop, zou ik zowel de vragen als de antwoorden graag in uw blad gepubliceerd zien.
Dat de teksten van onze kerkliederen Schriftuurlijk behoren te zijn, spreekt vanzelf; maar ik acht onze predikanten zeer wel in staat om zèlf de Schriftgetrouwheid van de liederen die ze willen laten zingen te beoordelen.
Het gaat mij dan ook alleen om het muzikale aspect. Misschien kan ik zelfs beter zeggen: het muziekpsychelogische aspect. Ik ben nl. al meer dan tien jaar bezig aan een muziekpsychologische studie en dat heeft mij langzamerhand enig inzicht verschaft in de rol van muziek - en vooral zang - speelt in het leven van de mens, speciaal in het religieuze leven.
Daarom mis ik nogal het één en ander in deze beoordelingen.
De kernvraag die ik zou willen stellen is deze: volgens welke criteria wordt beoordeeld of een melodie goed is of niet'? Is een melodie goed als hij gemakkelijk te zingen is en waar wordt dan dat "gemakkelijk te zingen" naar beoordeeld? (Wat voor de één gemakkelijk is kan voor de ander nog te moeilijk zijn.) Of is hij goed als een bepaalde groep mensen hem mooi vindt (of "wonderschoon" o.i.d.) en welke groep mensen moet dan in dezen "toonaangevend" zijn?
Mogelijk zijn er ook nog objectievere criteria gehanteerd, maar dat komt niet tot uiting in de beoordelingen; dus als het zo is, zou ik die graag alsnog vermeld zien.
Ter vergelijking wil ik dan ook graag vermelden welke eisen ik zelf aan een goede melodie stel. Deze kunnen in twee hoofdpunten worden samengevat, nl.:
1e dat de melodie een exacte ondersteuning van de tekst is, d.w.z. daar ritmisch en melodisch volledig bij aansluit; en
2e dat het karakter van de molodie overeenstemt met de inhoud van de tekst.
Een eerste vereiste voor een exacte ondersteuning van de tekst is, dat tekst-accenten en melodie-accenten volledig samenvallen, want in geval van een conflict op dit punt wint het melodie-accent altijd en wordt de tekst foutief uitgesproken. Voorbeelden hiervan vinden we op bijna iedere bladzij van het Liedboek, ook bij de berijmde psalmen! Let U bijv. maar eens op hoe vaak we "halléluja" (of "hállelujá") moeten zingen (bijv. psalm 117, 135 vs 10, 148 vs 1 en 3, 149 vs 1; lied 200, 205, 208,212, 213, 222, 259 enz.) in plaats van "halleluja" zoals we het toch uitspreken; of "eeuwighéid" in plaats van "éeuwigheid" (psalm 118 vs 1, 133 vs 3, 136 vs 1 en 13; lied 426 e.d.).
Bepaald ergerlijk wordt deze fout als het de naam Jezus betreft en deze gezongen wordt met het accent op de tweede lettergreep in plaats van op de eerste, zoals gebeurt in de 2e strofe (regel 6) van lied 401. In de Ie strofe zingen we: "de aártsvijand staát" en dat klopt met de melodie; maar in de 2e strofe krijgen we "dan: "Jezus Christus Is't" en dat is monsterlijk.
In dergelijke gevallen zijn de strofen metrisch niet gelijk terwijl de melodie uiteraard ritmisch in beide gevallen wèl hetzelfde is. Het gaat dus om de combinatie van tekst en muziek; en al krijgt de tekst apart een 10 en de melodie apart een 10: als de combinatie niet deugt, deugt het lied niet want een lied is tekst + melodie, niet tekst èn melodie!
Ik dacht dat juist voor liturgische teksten dit punt zeer zwaar moest wegen. We spreken en zingen in de Kerk immers tot God? Hoe kunnen we dan accepteren dat bij het zingen sommige woorden worden uitgesproken op een manier waar we hard om zouden lachen als het in een lezing of in de preek zo gebeurde?
Ik zou wel willen dat dáár eens een werkgroep voor gevormd werd, om deze dingen uit onze liederen - inclusief de psalmen - te halen. Onmogelijk is het niet!
Wat het karakter van een melodie betreft: dat is een moeilijker punt en niet in een paar regels te behandelen.
Zonder daarover één woord te zeggen, zal iedereen echter al wel kunnen begrijpen dat het onmogelijk is om twee qua karakter verschillende teksten (bijv. een verootmoedigingslied en een lofzang) op dezelfde melodie te zingen: de melodie kan slechts met het karakter van één van beide overéénstemmen en is dan zonder meer met dat van de andere in tegenspraak En toch zingen we al eeuwenlang in alle gemoedsrust bijv. de psalmen 100, 131 en 142 op dezelfde melodie!
Is dat nu geestelijke oppervlakkigheid?
Of gemakzucht?
Begrijpt men dan niet dat een melodie op die manier niet aan zijn doel kán beantwoorden?
Daarom vind ik het helemaal niet "gelukkig" dat in het Liedboek ook weer zoveel "dubbelgangers" voorkomen!
Dat is muzikaal gezien armoede.
Zeker voor liturgische muziek geldt: elke tekst zijn eigen melodie.
En als die melodie dan ook maar ritmisch met de tekst overeenkomt (zie punt 1) is hij altijd "gemakkelijk te Ieren".
Ik wil de zaken echt niet moeilijker maken dan ze al zijn; maar een beetje meer bezinning op deze punten zou zeker niet overbodig zijn.
In de hoop dat dit stukje daaraan mag bijdragen, eindig ik met dank voor uw aandacht.
J. Smelik-den-Hollander,
Organiste van de Vrijgemaak-Gereformeerde Kerk (buiten verband) te Maastricht