Beoordeling van literatuur (3)
1979-05-11
Ouderlingenbezoek- Jaargang 23
- nummer 19
Dit is een verhaal van Maarten ’t Hart uit zijn bundel “Het vrome volk” (Arbeiderspers 1977). Het is ook opgenomen in Bulkboek no. 68 en in: Korte verhalen uit de jaren zeventig (Elsevier).
De “ik” (een jongen van een jaar of zeventien) geeft een verslag van een huisbezoek door twee ouderlingen. Het wordt één grote mislukking: vader geeft flauwe raadsels op, er is geharrewar omdat de ene ouderling wil blijven staan en vader dan ook weigert te gaan zitten. De ene ouderling, Wijnhorst, heeft de leiding, de andere, Warnaar, is erg onnozel en zegt hoofdzakelijk domme dingen. Wijnhorst leest eerst een gedeelte uit de bijbel. Het is uit een geslachtsregister en eindigt met: Deze allen waren Joktans zonen.
Vader komt niet zo vaak in de kerk. Warnaar: “Gij zult de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, zegt de apostel”. Vader: “Nee, maar toen werd er misschien nog niet zo beroerd gepreekt als tegenwoordig. Het is me een stelletje puin, de dominees die we momenteel hebben. De enige goede, Zelle, hebben ze geschorst.” Ook moeder vindt het jammer dat Zelle er niet meer is: Ik vond het ook een hele fijne dominee, hij kon het je zo goed vertellen”. “Hij leefde er niet naar”, zei Wijnhorst. “Nee”, zei mijn vader, “de meeste ouderlingen ook niet en toch krijg je ze op huisbezoek”. U begrijpt wel waar dit op uitloopt. Dan stapt Wijnhorst over op een ander onderwerp: de ik gaat straks studeren? Wat? In Leiden? Maar daar behandelen ze toch die goddeloze evolutieleer? Hé? Doen ze dat aan de VU ook? Dat zullen we aan de kerkeraad rapporteren! En stel je voor dat hij in Leiden een meisje opdoet, “zo één die hervormd is op grote wielen”!
Dan komt het gesprek op het gelezen Bijbelgedeelte. Zondag is erover gepreekt, vader was er toen ook en volgens hem was het een “waardeloze preek”. Maar Wijnhorst vond de preek heel goed: “en daarover wou ik het nou net eens hebben. U hebt drie kinderen, moeder de vrouw is nog jong; is het de bedoeling dat… ? “ Vader wordt woedend, accepteert deze bemoeizucht niet en hij verwijt Wijnhorst die veertien kinderen heeft gehad, dat die een beest is voor zijn vrouw. Dát zal aan de kerkeraad worden gerapporteerd! “Als onze broeder dit niet terugneemt, zullen we de tafel des Heren voor hem sluiten”. De ruzie loopt hoog op. Tenslotte komt de kerkelijke bijdrage ter sprake. Vader is niet bereid tot een verhoging over te gaan: “Laten ze eerst die rijke sodemieters maar plukken”.
Het lijkt Wijnhorst beter nu maar te vertrekken, maar Warnaar herinnert hem eraan: “We moeten nog eindigen”, zei hij. Er volgt dan een gebed vol cliché’s en vermaningen aan het adres van vader en zoon: “…leid onze jonge broeder naar Uw diensthuis in Amsterdam. Leer ons opnieuw naar Uw woord te leven, Uw woord dat spreekt over kinderzegen, Uw woord waarin wij lezen dat het zaliger is te geven dan te ontvangen.” Tijdens het gebed wordt er aan de voordeur gebeld, zodat van het laatste gedeelte alleen maar te verstaan is: “verstokt, … goddeloos, … zondig…. Amen.” Bij nader inzien
Nu ik het verhaal diverse keren gelezen heb, wordt mijn waardering kleiner. Dat is in de praktijk een tamelijk betrouwbaar signaal.
Het kan natuurlijk helemaal geen kwaad als er eens op gewezen wordt dat het met de huisbezoeken niet altijd zo goed zit. Dat is toch wel zo ongeveer de grondgedachte in dit verhaal. de ouderlingen pakken de zaak niet bepaald verstandig aan, ze houden zich maar aan de “vaste paden.” De houding van vader is trouwens ook niet voorbeeldig, hij heeft vrijwel alleen kritiek. Moeder reageert als een heel verstandige vrouw: dominee Zelle kon het je zo goed aanzeggen. Ze probeert haar man wel wat te sussen, ze heeft meer respect voor de ambtsdragers dan hij, maar er gaat weinig van haar uit. de zoon voelt zich maar wat ongemakkelijk, opgelaten.
Dus nog eens: kritiek op het onbenullige gedrag, ook als het om ambtsdragers gaat, is mijns inziens geoorloofd. Maar ik begrijp dat dit verhaal wel heel pijnlijk aan kan komen!
Als ik wat nauwkeuriger lees, zie ik dat de methode van vertellen eigenlijk wat goedkoop is. Van begrip voor de ouderlingen is niets te merken, ze worden alleen maar belachelijk. Ook het bekende motief van het leven dat niet in overeenstemming is met de leer, is té gemakkelijk in het verhaal verwerkt: de bakker knoeit met zijn waar en de timmerman lust té graag een borrel. Te veel negatieve elementen worden op elkaar gestapeld: domheid, koppigheid, gebrek aan tact bij de ouderlingen; vader is een typische dwarsligger. Het is allemaal wat onecht, gezocht. Ook het gebed is dan een vreemdeling in ons gereformeerde Jeruzalem, kan zoiets zonder veel moeite bij elkaar zoeken.
Nee: dit is toch niet zo’n goed verhaal. Dat wordt ook nog eens bevestigd door het begin dat helemaal niet functioneel is, maar dat ook de indruk wekt er aan de haren bijgesleept te zijn: “Terwijl ik de laatste druppels urine uit mijn geslacht schudde, hoorde ik de voordeurbel overgaan.”
Literatuur of lectuur?
De wijze waarop in het besproken verhaal de “gedachte” is verwerkt, maakt dat de lezer niet overtuigd wordt! Hij krijgt geen diepere kijk op een bepaald probleem, daarvoor is het in wezen toch allemaal wat te goedkoop gebracht. Ik blijf het een niet onaardig verhaaltje vinden, maar meer ook niet: het hoort m.i. niet tot de literatuur.
En de toepassing dan?
Stel je voor dat er nu toch iemand is die zich herkent in één van de geschetste personen? Dat zou toch de eigenlijke oorzaak van zijn ergernis kunnen zijn? Mocht dat, voor mij onvoor stelbaar, zich inderdaad voordoen, dan zou dit . verhaal tóch nog een effect hebben dat een kenmerk is van èchte literatuur: de confrontatie met onszelf. Hee, is het verhaal dan opeens tóch literatuur geworden? Nee: wij herkennen onszelf ook in een lachspiegel of een karikatuur. Tot die laatste soort hoort "Ouderlingenbezoek" .
Toegift
Ik wil u toch ook nog graag iets van betere kwaliteit aanbieden. Daarom laat ik een gedicht van Achterberg afdrukken.
Gerrit Achterberg:
En Jezus schreef in 't zand
Jezus schreef met zijn vinger in het zand.
Hij bukte Zich en schreef in 't zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.
De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant.
Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister, luister naar het lied.
En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos
waarmee zij heenging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.