Brief aan Ds W. Vreugdenhil te 's-Hertogenbosch
1979-05-11
Beste dominee,- Jaargang 23
- nummer 19
We zagen elkaar enkele weken geleden bij de begrafenis van iemand die we beiden goed hebben gekend.
En bij het open graf stonden we vrij dicht bij elkaar en beleden we sámen ons geloof in de opstanding van het lichaam.
Het zal bij U wel net zo gaan als bij mij: op een kerkhof ontmoet je allerlei mensen. Je ziet er mensen die je nooit eerder zag en ook nooit meer zien zult, je praat met mensen die je in jaren niet hebt gezien en waarmee je bevriend bent, je kijkt naar mensen van wie je in de loop der jaren wat bent vervreemd.
Dat kán, dat mensen van elkaar vervreemden. Zo is het eigenlijk ook met U en mij gegaan. Het is zo'n dertig jaar geleden dat we elkaar voor het eerst ontmoetten en ik bewaar vooral een goede herinnering aan de eerste jaren daarna, drie jaren jeugdvereniging in Den Bosch. De laatste tien jaren is er wat mis gegaan. Zo zie ik dat tenminste.
Door de laatste kerkelijke breuk zijn we elkaar uit het oog verloren, zijn we tegenover elkaar komen te staan in plaats van naast elkaar.
Hoe dat allemaal kwam laat ik nu maar rusten.
Want op de begraafplaats in Vught stonden we toch weer náást elkaar.
Náást elkaar in ons belijden. U vroeg alle aanwezigen mèt U mee te belijden wat er staat in het apostolicum. Van Uw kant, daar ben ik van overtuigd, een geméénde vraag. Van mijn kant, ik hoop dat U dat aanvaardt, een geméénd antwoord. Ik geloof in God, in Jezus, in de Heilige Geest. Ik geloof één heilige algemene christelijke kerk ...
U mag wel weten dat ik die zaterdagmiddag niet goed wist wat ik er mee áán moest. Ik voelde me verlegen temidden van al die verschillende mensen, binnen- en buitenverbanders, hervormden en gereformeerden, onkerkelijken.
Maar op die laatste na - of misschien waren er onder hen die óók mee beleden - beleden allen hun geloof. Samen, gemeenschappelijk.
Ik geloof de gemeenschap der heiligen.
Maar die verdeeldheid dan?
Samen bij een open graf je geloof belijden kán blijkbaar, maar daarna te voorschijn komen uit de aparte kerkelijke positie en elkaar aanvaarden, is heel wat moeilijker.
Dán belijden we opeens niet meer samen. Die zaterdag wèl, maar de zondag daarna niet!
Ik weet daar geen raad mee, U wel?
Zij die die zaterdag begraven werd was één in geloof met U en met mij.
Ze heeft grote moeite gehad met de verdeeldheid van Gods kinderen, de laatste kerkelijke breuk heeft ze eigenlijk niet meer verwerkt. Ze wou die breuk niet, ze bleef "binnen verband" maar dacht veel aan "buiten verband". Niet alleen zij, ook veel anderen hebben op dit punt hun moeiten en zorgen. En God, hoe zal Hij tegen al dat vaak kleinmenselijk gedoe van ons aankijken?
Misschien vraagt U zich af waar ik met deze brief eigenlijk naar toe wil. Och, ik weet het zelf eigenlijk niet. Ik wil U eigenlijk alleen maar even benaderen, met U praten.
U m'n onrust laten merken over wat wij mensen met die gemeenschap van Gods heiligen doen. o neen, denk niet dat ik alles wat er in de kerkgeschiedenis is gebeurd maar wil relativeren. Zeker niet. Maar ik ben eigenlijk wèl van mening dat God heel wat grote en dikke woorden van ons zal moeten relativeren als Hij ons straks sámen aan de éne avondmaalstafel wil hebben.
Ik wil U vragen: het sámen belijden van het éne geloof bij een open graf, dat is toch gemeenschap? Als we dat sámen kunnen, U en ik, dan hebben we toch eigenlijk tegen elkaar en tegen anderen gezegd dat we één Heer en één geloof hebben en dus kerkelijk bij elkaar horen?
Of zie ik dat verkeerd? Maar wat moet ik dan met dat sámen belijden beginnen?
Als het waar is dat, waar mensen sámen uitspreken dat ze geloven in de drieënige God en al Zijn werken, gemeenschap is dan moet God wel even geglimlacht hebben toen Hij ons zo daar zag staan. Maar wat zou het een geweldig ding zijn als we zó ook zondags iets van dat sámen-doen konden laten zien. Wat zou dat een machtig woord voor de wereld zijn, wat zou dat een enorme kracht kunnen betekenen om zoveel twijfelende jongens en meisjes over de drempel heen te helpen.
'k Hoop niet dat U vindt dat ik maar wat "vals-algemeen-kerkelijk" aan het praten ben. Want dan hebt U me verkeerd begrepen. Maar áls wij beiden leden zijn van het lichaam van Christus, dán zullen we ook zichtbaar van dat éne lichaam deel moeten uitmaken.
Dan zullen we elkaar ook vandaag tot een hand en een voet moeten zijn. Dan zullen we maar niet alleen samen de geloofsbelijdenis uitspreken, maar ons haasten om iets te doen aan het herstel van een ten onrechte geslagen breuk. Dan moeten we maar niet meer praten over schuld, maar ons samen buigen voor onze vergevende God die onze gezamenlijke schuld vergeeft.
Ik ga stoppen. 'k Heb het idee dat ik eigenlijk nog meer wil schrijven.
Eén ding nog: 'k hoop dat U hebt begrepen dat ik U en Uw vrouw nog niet vergeten ben. 'k Neem aan dat dat ook omgekeerd niet het geval is. Ik heb U ook herkend als iemand voor wie de Heer heeft geleden, herkende U mij zo ook?
'k Neem aan van wel, maar wat gaan we daar dan samen aan doen voor ons gemeentelid-zijn op zondag?
Mag ik eens iets van U horen?
Met hartelijke groet,
Peter