Ook in de vrijgemaakte kerken verandert het pastoraat

2012-04-14
  • Jaargang 56
  • nummer 8
Voor mij ligt het Handboek 2012 van de Gereformeerde Kerken in Nederland, zoals op de voorkant staat. In het voorwoord van redacteur Jan Kuiper zijn het de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Nederland geworden en in zijn terugblik op het voorbije jaar constateert hij dat zijn kerk tegenwoordig zonder reserve als ‘de vrijgemaakte kerk’ wordt aangeduid.
Enige consistentie in de naamaanduiding zou, lijkt mij, niet gek zijn.

De statistiek laat zien dat de GKv voor het achtste jaar op rij per saldo leden hebben verloren: vorig jaar ruim 650, sinds het ‘topjaar’ 2003 bijna 4.000 leden: aan de ‘nieuwe vrijgemaakten’, aan andere kerken en aan de wereld, zo maken de achterliggende cijfers duidelijk. Bijna 600 mensen werden in 2011 lid van de GKv en ruim 2.000 leden verlieten de kerk. Het is merkwaardig dat in de GKv-statistieken het vertrek naar andere kerken alleen wordt uitgesplitst in een aantal ‘gereformeerd gezinde’ kerken, de PKN en de RKK. De rest wordt op de grote hoop van het vertrek naar overige kerken (588) gegooid. Het laat zich raden dat het overgrote deel van deze leden naar gemeenten van evangelische snit is vertrokken; alleen al de verliescijfers rond evangelische bolwerken in Groningen en Friesland wijzen daarop. Het is me een raadsel waarom die uitsplitsing door de samenstellers van het Handboek (anders dan bij NGK en CGK) niet wordt gemaakt. Het maakt de vergelijking tussen de vertrekcijfers uit deze drie kerken ook lastig. Vergelijken is overigens ook al moeilijk doordat het jaar waarover in het GKv-Handboek wordt gerapporteerd van 1 oktober tot 30 september loopt, terwijl beide andere handboeken het kalenderjaar aanhouden.

Vergelijkbare ontwikkelingen
Bij het lezen van het jaaroverzicht 2011 treft me op hoeveel terreinen in de GKv vergelijkbare ontwikkelingen spelen als in onze kerken. Aan de ene kant zijn er gemeenten die hard groeien, aan de andere kant kleine gemeenten die het niet redden en worden opgeheven. Ik lees over diverse gemeenten die goede, samenbindende ervaringen opdoen met gemeentebrede projecten à la Feest van Genade.
De GKv kennen ook een groeiend aantal kerkelijk werkers. En ten slotte blijkt uit de rapportage steeds meer en steeds verdergaande lokale samenwerking met andere kerken, vaak met de CGK, soms met de NGK.

Verschillen
In elk geval op twee punten zie ik verschillen tussen de GKv en de NGK: in de GKv worden op grotere schaal missionaire projecten ondernomen, soms in de vorm van het stichten van nieuwe gemeenten, soms via missionaire bewustwording van bestaande gemeenten. En daarnaast is de rol van de classes in het samen doordenken en bespreken van thema’s en problemen die in tal van gemeenten spelen een heel stuk groter dan die van de regio’s in de NGK. Voor mijn gevoel lopen onze kerken in dit opzicht echt achter bij de GKv.

Ouderling
Anders is dat op het vlak van het pastoraat: ook zo’n terrein waarop in veel opzichten sprake is van parallelle ontwikkelingen met hooguit een faseverschil tussen beide kerken.
Eindredacteur Jan Kuiper heeft de GKv-gemeenten net als vier jaar geleden een aantal vragen over het pastoraat gesteld en in de antwoorden ziet hij een verschuiving van ‘een klassieke invulling waarbij de ouderling de aangewezen persoon is voor het pastoraat naar andere vormen van pastoraat, waarbij de ouderling vooral het pastoraat van anderen coördineert’.
Volgens Kuiper is het duidelijk ‘dat de oplossing van eind vorige eeuw: we benoemen gewoon een aantal extra ouderlingen, niet helpt’. Verder signaleert hij: ‘Nog niet zolang geleden was het pastoraat bijna de exclusieve taak van de ouderlingen, maar in de praktijk van nu verwacht men van hen leiding en toerusting.’ Uit de verzamelde cijfers blijkt dat lang niet overal meer het jaarlijkse huisbezoek wordt gebracht, dat de pastorale beroepskracht in opmars en dat ook steeds vaker andere gemeenteleden actief zijn in het pastoraat. Me dunkt dat we elkaar als GKv en NGK, landelijk en plaatselijk, in het vinden van nieuwe wegen in het pastoraat tot een hand en een voet kunnen zijn.

Kuiper, J.J. (red.) (2012) Handboek 2012 van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Scholma Bedum. 576p. € 14,50.

Ad de Boer is redacteur van Opbouw.

Ontreddering
In het Handboek kijkt ds. Breen terug op het leven van ds. Jac. Van Nieuwkoop en meldt dat met hem de laatste predikant is gestorven die rond de Vrijmaking is geschorst.
Hij voegt daaraan toe: ‘De ontreddering daarover kan alleen hij aanvoelen die dit heeft ondervonden.’ Zo’n zin triggert me. Want binnen de NGK leven nog enkele (in de jaren zestig!) geschorsten die dat kunnen beamen. Of weduwen of kinderen van geschorsten van toen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief