Pionieren en verbinden
2012-04-14
Hij was de eerste betaalde jeugdwerkadviseur voor het Nederlands Gereformeerd Jeugdwerk. Een uitgelezen kans om door te geven wat hem op het lijf geschreven is: jongeren inspireren om te leven met Jezus. Deze maand werkt hij er 12,5 jaar. André Maliepaard. Netwerker die in zijn hart een Einzelgänger bleef, een pionier in dienst van zijn Heer.- Jaargang 56
- nummer 8
De dubbelslag lijkt bij hem te horen.
Denker en doener. Gepassioneerd en tegelijk bescheiden. Het typeert ook ons gesprek, de verhalen die hij vertelt. Soms veert hij ineens op, dan weer moet hij zoeken naar woorden – het werk heeft zijn hart, zijn betrokkenheid is onvoorwaardelijk. In ruim tien jaar tijd zette hij het jeugdwerk in de NGK echt op de kaart.
Toch is hij er op een bepaalde manier ook verlegen mee. ‘Zoekend leiderschap’, noemt hij het zelf. ’Ik begrijp dat het zo werkt, natuurlijk. En ik heb het vermogen gekregen om mensen te inspireren. Ik zie die rol en pak hem ook graag. Maar het gaat intussen wel om Christus, niet om mij.
Heb ik wel altijd genoeg naar Hem verwezen, denk ik soms?’ Nee, het gaat niet om André Maliepaard, wel óver hem. Wie is deze jonge vader, die het jeugdwerk binnen onze kerken een gezicht gaf? Wat beweegt hem?
‘Geloof jij?’
De passie was er niet van meet af aan.
Opgegroeid in een (gereformeerd synodaal) predikantsgezin ervoer hij het christelijk geloof als bijna vanzelfsprekend, het was om zo te zeggen de lucht die hij inademde. Hij deed er een behoorlijke Bijbelkennis mee op, basiskennis waar hij nog altijd de vruchten van plukt. Maar dat betekent niet dat hij er als tiener direct enthousiast over was. De vele gewoontes, de soms overvolle zondagen (tweemaal kerk, zondagsschool en dan ’s avonds nog samen Bijbelstudie doen), gecombineerd met een zekere druk vanwege de ‘status’ – het ‘glazen huis’ dat je als domineesgezin bewoonde – legde onbedoeld een accent op de buitenkant.
‘Waar het echt om ging, daar hield ik me niet mee bezig. Daar kwam ik eigenlijk pas achter toen me op een gegeven moment de vraag werd gesteld: “Geloof jij?”. Bam. Ik was zestien en sprak tijdens opwekking iemand van Sports Witnesses. Het werd een keerpunt. Geloofde ik? Ik besefte ineens dat ik voor een keus stond: of radicaal kiezen voor het geloof en er dan ook zelf mee aan de slag, of … ermee stoppen. Want meehobbelen op de kar van anderen kon
niet meer, ik moest het nu zelf gaan doen, dat wist ik heel zeker.’
De ‘mindset van Jezus’
Het werd de opmaat naar meer. Na de havo volgde hij de studie godsdienstpastoraal werk aan de CHE in Ede. Hij liep stage bij de EO, deed mee met de Wervelnite’s en de Ronduit-activiteiten van destijds en vond zijn spoor: werken met jongeren.
Hij begon zich erin te verdiepen en verbond zich tegelijk aan de praktijk, als 20-jarige knul voor een groep tieners van 15, 16 jaar.
De tweeslag werd een drieslag. ‘De eerste lijn, dat is werken met jongeren zelf. Het directe contact met hen zou ik nooit willen missen, daar is het me echt om begonnen. De tweede lijn zijn de leiders, die ik wil toerusten en inspireren, zodat zij hun werk kunnen doen. De derde lijn is beleid, de professionele on- derbouwing, de betaalde job.’ De verdieping begon voor hem bij Pete Ward, lector aan het King’s College in Oxford. Hij lanceerde de term ‘incarnationeel jeugdwerk’, wat André inspireerde tot zijn scriptie over ‘relationeel werken met jongeren’ (1999). ‘Dat was in die tijd redelijk revolutionair. In veel NGK’s was de benadering vooral top-down, het ging om regels en kennis, jongeren leren hoe ze de dingen moesten bekijken.
Door het relationeel te zien benader je ze van binnenuit, je komt naar ze toe, je sluit aan bij waar zij zijn.’ De ‘mindset van Jezus’, noemt hij dat. ‘Deel het evangelie door je leven te delen’.
Blokkendoos
Juist die kritische blik bracht hem bij het Nederlands Gereformeerd Jeugdwerk (NGJ). Ze zochten naar nieuwe wegen, een jongere doelgroep. André was net getrouwd en ontmoette toevallig een bestuurslid van het NGJ.
De rest is geschiedenis. ‘Ze wilden iets gaan opzetten voor tieners. Ga jij het maar doen, zeiden ze. Dat was een avontuur, ze hadden hoge verwachtingen. Daar kwam voor mij wel wat bluf aan te pas, als ik eerlijk ben.’ Maar het bleek hem op het lijf geschreven: pionieren, roeien met de riemen die je hebt en als het moet zelf nieuwe uitvinden, zoiets.
Hij ervaart het nog steeds als een ontdekkingstocht. ‘Wat ik onderweg tegenkom en wat bruikbaar is, neem ik mee. Wat er nog niet is, probeer ik zelf te creëren, uit te denken. Bij het NGJ werd ik wat dat betreft meteen in het diepe gegooid. Niet makkelijk, maar wel geweldig! Want zo vulde ik gaandeweg mijn “blokkendoos”.
Vroegen ze me voor een training over orde houden bijvoorbeeld, dan dacht ik: gelukkig heb ik nog zes weken om goede “blokken” te vinden.’ Voor hem persoonlijk was het een sleutel: ‘Ik floreer als ik de vrijheid krijg om te zoeken en te vinden, binnen de ruimte die het geloof me biedt. Het NGJ gaf me die ruimte, dat is ook de reden dat ik er zo lang ben gebleven.’
Jeugddiensten
Na het eerste jaarcontract kwam hij vanaf 2000 in vaste dienst. Eerst ontwikkelde hij allerlei trainingen voor jeugdleiders. Geleidelijk aan werd zijn werk beleidsmatiger en kreeg het sterker vorm vanuit een duidelijke visie. De visie sloeg aan, de werkzaamheden breidden zich uit en inmiddels is hij niet meer de enige jeugdwerkadviseur, maar telt het NGJ een driekoppig team van enthousiaste mensen die het jeugdwerk in de breedte van de NGK ondersteunen.
André is er blij mee. ‘De vraag om toerusting is door de jaren heen toegenomen en verdiept, er is zo veel om door te geven. We bieden steeds vaker begeleidingstrajecten aan. Het is goed dat ik dat niet allemaal alleen hoef te doen.’
Bovendien ontstaat er zo meer ruimte om weer uit te komen waar hij ooit begonnen is: het contact met de jongeren zelf. Hij gaat regelmatig voor in jeugddiensten, overal in het land.
‘Dat is een van de meest directe manieren waarop je jongeren als groep kunt aanspreken, rechtstreeks met ze delen
wat je beweegt.’
De beweging van Jezus
Onverminderd enthousiast is hij, ik zie het aan zijn ogen, die oplichten als hij Filippenzen 2:5-11 erbij pakt, de tekst die hij in dit verband cruciaal noemt. ‘Het is in feite een lofzang op wie Jezus is. Het gaat om de beweging die Hij maakte: Hij kwam naar ons toe, ook al kostte Hem dat de vernedering, en vervolgens heeft God Hem verhoogd tot Heer van ons allemaal.
En dan staat er: laat die gezindheid ook bij jullie zijn. Dat is het dus precies.
Hij gaat mij voor, Hij leeft in mij en ik ga in zijn spoor. Dat leven mag ik delen met jongeren.’ ‘De vraag is dus niet: hoe houden we de jongeren bij de kerk?, maar: hoe blijf je als kerk op hen betrokken?
Dat betekent niet: wachten tot ze zich (eindelijk) voegen in “onze” kaders, naar “onze” gewoonten. Nee, zoek ze op waar ze zijn. Stel dat Jezus dat niet had gedaan, stel dat Hij had gezegd: ik ga dat niet doen, ik ga me niet laten vernederen, ik geef niet op wat ik heb … Maar Hij deed het wél, Hij maakte de beweging, Hij kwam/komt naar ons toe en neemt ons vervolgens mee naar zijn Vader. Kijk, als we die beweging volgen, dan zitten we in het hart van het jongerenwerk.’
Het gaat niet om ‘ons’
Bang om jongeren te veel te ‘pamperen’ is hij niet. ‘Ik begrijp wat je bedoelt, maar het gekke is dat zoiets vooral ontstaat als je ze benadert vanuit de gedachte: we moeten ze erbij houden. Dan wordt “zorgen voor” een middel om je eigen doelen te bereiken en dat voelen ze haarscherp aan. Maar als je het in perspectief gaat zien – de kerk is er ook voor hen, om met hen de weg te ontdekken – dan komt er ruimte voor wat daarvoor nodig is: aandacht voor wie zij zijn, tijd voor ontmoeting, kansen om dingen te delen. Dan gaat het niet om “ons”, maar om het grotere doel: jongeren die leven in verbondenheid met Christus.’ Dat betekent ook een appèl op de ouders. ‘Zij moeten diezelfde beweging (leren) maken. Eigenlijk heeft het jeugdwerk een beperkte rol, de ouders zijn de eerst aangewezenen. In dat perspectief heb je als jeugdwerker de taak om ouders mee te nemen, ze te leren dat niet per se de overtuiging telt maar vooral de praktijk van hun leven, hoe ze dat zelf doen en gedaan hebben, Jezus volgen. ’In de Bijbel kun je dat ook vinden, in 1 Tessalonicenzen 2:8, waarin de liefdevolle gezindheid van Jezus ons als voorbeeld wordt gesteld: de bereidheid om anderen niet alleen te laten delen in het evangelie, maar ook in je eigen leven.’
Sociale media
Dat gaat niet vanzelf, daarvan is hij zich zeer bewust. ‘Tijd en aandacht zijn schaars geworden. Het vraagt om een keuze van je hart om ze in te zetten. Maar we hebben een levende Heer, die ook ons tot leven kan wekken. Zijn Geest kent geen barrières, daar ben ik van overtuigd.’ Hij kan erover meepraten, letterlijk, en via het world wide web.
‘Oké, ik heb redelijk wat volgers op Twitter, honderden “vrienden” op Facebook, Hyves en LinkedIn.
Natuurlijk ben ik me bewust van de beperktheid daarvan, maar ook van de kansen! Als het niet verdergaat dan dat is het ondiep, je leert elkaar niet altijd werkelijk kennen. Maar het is wel een ontmoetingsplek.’ Hij geeft er een paar mooie voorbeelden van, die we omwille van de privacy van de betrokkenen niet herhalen, maar ze geven stuk voor stuk aan wat een kansen er liggen. ‘Zo werkt dat gewoon. Als iemand twittert dat hij aan het denken is gezet door wat “die christelijke jongen uit Ede” te berde bracht, zorgt dat onmiddellijk voor een groep nieuwe volgers, voor nieuwe netwerken. Internet en de sociale media vormen het speelveld van veel jongeren, daar bevinden ze zich, daar bewegen ze zich. Daar moet je als kerk iets mee. Je kunt je niet blijven afzetten en alleen blijven wijzen op de bedreigingen, daar schiet je niets mee op.’
Kijk naar de trends
Hij ziet het als een realiteit, een mogelijkheid om te benutten. Op een wijze manier, want net als in de echte wereld zijn er in het virtuele ook gevaren. Maar om je daarin te kunnen verdiepen moet je er wel eerst zelf zíjn – ook een vorm van incarnatie. ‘Kijk naar de trends en pas op voor de hypes.’ ‘Zoeken naar zingeving’ is zo’n trend. Uit onderzoek blijkt dat 90% van de jongeren in Nederland op zoek is naar ‘meer’, naar ‘iets’ om in te geloven. 15% van hen is verbonden aan een religie of geloofsgemeenschap en onder hen is 7% lid van een kerk.
‘Jongeren zijn op zoek, ze dolen rond op het internet, ze kunnen soms geen kant op met hun vragen.
De tijd is rijp om ze direct aan te spreken. Er valt verschrikkelijk veel te inspireren, te onderwijzen.’ Ik hoor het goed: onderwijzen. In het perspectief van de Heer die ons voorgaat is dat geen verouderd maar eerder een vernieuwend woord. ‘Als jij Hem volgt, trek je jouw volgers mee in zijn spoor.’
Er is nog veel werk te doen. Intussen lopen er binnen de NGK zeventien betaalde jeugdwerkers. En zolang er iets te ontwikkelen valt zal André van de partij zijn, schat hij in. Zijn creativiteit is zijn kracht, dingen voor elkaar krijgen. ‘Er is nog veel te doen, niet alleen in de christelijke wereld, ook daarbuiten.
Mijn roeping is ten diepste missionair.
Waar me dat zal brengen kan ik niet overzien, het blijft pionieren.
Maar hoe het ook gaat, de verbinding met jongeren zal ik altijd blijven zoeken.’
Coosje Haan-de Jong is lid van de NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.
| Personalia André Maliepaard (35) woont en werkt in Ede. Hij is sinds 1997 getrouwd met Hilda. Ze hebben drie kinderen (10, 8 en 3 jaar) en een pleegkind. Sinds september 1999 is hij in dienst van het NGJ (Nederlands Gereformeerd Jeugdwerk) en daarnaast (sinds 2006) bezoldigd jeugdwerker in de NGK van Ede. Samen met Henrike de Gier en Corien Rietberg schreef hij het Handboek voor jeugdleiders (2009). Hij is als auteur ook betrokken geweest bij andere uitgaven voor jongeren (de Jongerenbijbel, dagboeken voor tieners, etc.). André is te volgen op Twitter: @Malii_P |
| Vijf tips 1. Wees kerk voor alle generaties. Laat de een daarin de ander uitnemender achten dan zichzelf. Beginnend bij de oudere generatie. 2. Verbind jongeren aan Christus, niet aan de kerk. 3. Investeer in de leiders die met jongeren onderweg zijn. Zorg dat ze jongeren leiden en niet een activiteit doen. Bouw relaties! 4. Bied jongeren proeftuinen waarin ze nieuwe vormen van kerk-zijn kunnen ontdekken, passend bij de nieuwe netwerken. Luister naar ze. Coach ze. Geniet van hun creativiteit en nieuwe inzichten. 5. Probeer jongeren niet te beschermen, maar maak ze weerbaar. Leer ze te leven met Jezus in deze wereld. |