Prediking

1978-01-27
  • Jaargang 22
  • nummer 4
Een déél van de eredienst
Er is nauwelijks een meer besproken onderwerp denkbaar voor de kerkganger dan "de preek". Let wel: niet de (kerk) dienst. Dat typeert vermoedelijk de protestantse visie op het zondagse gebeuren. Iemand legde een gemeente eens de vraag voor: als er nu eens geen preek werd gehouden, bleef er dan voor uw idee nog een eredienst over? De vraag werd niet alleen verkeerd begrepen ("nu wil hij de preek ook nog laten vallen"), maar onthulde bij verder nadenken ook het verwachtings- en waarderingspatroon van de gemiddelde kerkganger.
Het komt er op neer, dat "de rest" van de liturgie ervaren wordt als bijzaak, entourage of op z'n best als iets van tweederangswaarde. Op wie manier suggereer je jezelf dan wel, dat de kerkdienst en éénmansopvoering is. Vergeten we niet, dat we sinds de reformatie gelukkig ook weer een zingende gemeente zijn, om maar één ding te noemen? Zingen is immers een edele vorm van zeggen. De gemeente komt wel degelijk aan het woord. Het is ook helemaal niet nodig, dat in een dienst alle psalmen en liederen zijn afgestemd op de preek of de tekst, De lofzang is een zelfstandig onderdeel van de dienst. Ten gerieve van ot1ganist èn predikant kun je maanden van tevoren al een rooster opstellen van wat er aan het begin en eind van de dienst en na de wet wordt gezongen. Ik ben er nog nooit bedrogen mee uitgekomen. Je voorkomt er de willekeur van de voorkeur mee. Bij voorbeeld door om de twee weken steeds twee verzen van Ps. 119 na de wet te zingen. Zo leer je je psalmboek kennen en blijft niet een groot gedeelte als renteloos kapitaal ongebruikt.


Religieus taalgebruik
Ook prof. Bolkestein - we noemden hem de vorige week - beperkte zijn onderzoek uitsluitend tot "de preek".
Wat overigens zijn goed recht is. Zijn oordeel was niet mals. We citeren nog eenmaal het "Friesch Dagblad": "Volgens prof. Bolkestein zijn de meeste (onderzochte, P.) preken 'zwak tot zeer zwak .. In het totaal zijn het niet meer dan enkele preken, die er bovenuit steken. Men kan ze op de vingers van twee handen tellen.' Prof. Bolkestein vindt dit op een totaal van 89 preken maar een schrale oogst." Wie hem narekenen wil kan terecht bij het Boekencentrum te Den Haag, waar deze studie in druk verschenen is onder de titel: "Zo wordt er gepreekt."
't Lijkt me iets te veel of liever te weinig van het goede, deze titel te kiezen op grond van 89 preken. Bovendien moet u van het volgende goede nota nemen: "De studie geeft geen inhoudsanalyse van de preken, maar richt zich vooral op de overdracht. De reacties van het kerkvolk bleven buiten beschouwing."
Het gaat dus vooral om het "religieuze taalgebruik". Als kritische noot hierbij merken we op, dat een gedrukte, dus uitgeschreven preek, er vaak anders uitziet dan wanneer die preek wordt gehouden.
Het is bijzonder moeilijk te schrijven alsof je spreekt. Wie wel eens Schriftoverdenkingen schrijft of leest, weet daar alles van. Gesproken taal is doorgaans veel levendiger. Een van de dingen die bewondering wekt bij het lezen van de bijbel zelf, is, hoe wonderlijk mooi de vertellers hun boodschap hebben geschreven. In een goede vertaling, en voorzien van de nodige leestekens, laat de Heilige Schrift zich even gemakkelijk lezen als voordragen, met name als het gaat om de verhalende gedeelten.

Kunst of kunde?
Niet voor niets wordt aan Theologische Hogescholen en dito faculteiten onderwijs gegeven in de homiletiek. Dit vreemde woord diene men te vertalen door predikkunde. Onder invloed van de duitse taal en door de grotere wetenschappelijke benadering, geeft men in veel gevallen de voorkeur aan de uitgang ,,-kunde". Vroeger sprak men eerder van -conste of -kunst, Vroeger - dat wil zeggen in de tijd dat het ambacht nog in ere was. Het is beslist niet nodig "kunde" en "kunst" tegen elkaar uit te spelen.
Het is integendeel toe te juichen als die beiden samengaan. Dat zou heel veel preken en wetenschappelijke boeken makkelijker te vertren maken. Een schitterend voorbeeld hiervan is het boek "Augustinus als zielzorger" van de hand van (wijlen) prof. F. van der Meer (r.k.). Taal en stijl van het boek zijn adembenemend. Dat zijn de daarin verwerkte preken van Augustinus ook. Maar dan blijkt: Augustinus schreef zijn preken niet uit. Hij bereidde ze ook niet of nauwelijks voor. Kennelijk werden ze opgenomen in steno naar het oordeel van prof. Bolkestein over déze preken, vooral als het gaat om het "religieuze taalgebruik".
Een détail, dat mij bijzonder aanspreekt (dit even terzijde) is, dat in die goede oude tijd de "bisschop"
zat en de hele gemeente stond (zoals ook blijkt uit reconstructies van oude N.-Afrikaanse kerkgebouwen), Daarmee is het probleem van de ongemakkelijke kerkbanken en -stoelen natuurlijk definitief opgelost ...


Vorm en inhoud
Het is duidelijk, dat de "stijl" van preken samenhangt met iemands persoonlijkheid en het karakter .van de tijd waarin men leeft. Dat het eerste óók een grote rol speelt, ontdek je door preken van Luther en Calvijn beiden leven in vrijwel dezelfde tijd - naast elkaar te leggen. De preken van Luther zijn vaak recht toe recht aan, op de man af, flitsend, verrassend en vol humor. Die van Calvijn zijn (soms) meer beschouwelijk. Men late - ook nu - ieder in zijn eigen waarde: zingt niet elk vogeltje wals het gebekt is?
Tenslotte: de "voordracht" is een kant van de prediking, die zeker de nodige aandacht en zorgvuldigheid vereist. Maar, of liever daarnaast: de grootste aandacht vereist de inhoud zelf. Lang niet altijd zegt de uitspraak "een goede dan wel een slechte preek" iets over de inbond. Jammer, want zo wordt het etikel "typisch vrijgemaakt, christelijk gereformeerd" enz. vaak opgeplakt naar aanleiding van de stijl, de manier van "brengen". Dat brengt niemand iets verder en blokkeert een diepergaande waardering. Het is toch niet voor niets geweest, dat er ettelijke jaren lang zoveel studie is gemaakt van de prediking? Woorden als voorwerpelijk, onderwerpelijk, allegorisch (denk eens aan het Hooglied), verbondsmatig (een germanisme), christologisch, exemplarisch, heilshistorisch enz. enz., zijn gemeengoed. Of moet ik zeggen: waren gemeengoed?
Die problemen waren niet opgelost toen de "vrijmaking" eenmaal een gedateerd feit was. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat er na de vrijmaking soms erg exemplarisch (en irritant) is gepreekt zij het over andere onderwerpen dan voorheen. En dan nog een uiterst klein aantal: doop, verbond, al dan niet veronderstelde wedergeboorte, kerk, belijdenis. Wie kans ziet bij elk Schriftgedeelte een of meer van deze keurwoorden ter sprake te brengen, moet wel vervallen in dorre studeerkamerwijsheid - als het woord wijsheid hier nog op zijn plaats is...
Uit ervaring weet ik, dat je van de weeromstuit gevaar loopt deze "begrippen" te mijden. De enige remedie lijkt mij (voor alle partijen!), de Schrift zèlf te laten spreken. Die spreekt levendiger dan zelfs een Augustinus of Luther. En zij laat geen onderwerp onbesproken. Wie wijs is - of wil worden - geve dáár acht op!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief