Discussie over dienstweigering
1978-02-03
Kennelijk heb ik mij vergist, toen ik in mijn artikelenreeks over de dienstweigering (de nrs. van 16, 23 en 30 december van de vorige jaargang) schreef, dat er niets vanzelfsprekends aan is, wanneer christen-jongelui in militaire dienst gaan. Ik l:eb tenminste slechts één reactie gekregen, die van tegensprekende strekking was ten opzichte van mijn beweringen. Deze reactie krijgt u in de eerstvolgende twee nummers van ons blad onder ogen en daarna zal ik een antwoord proberen te geven.- Jaargang 22
- nummer 5
H. de Jong
Graag zou ik enige kritische opmerkingen wil1en plaatsen bij de 10 stellingen over dienstweigering, die drs. H. de Jong in dit blad heeft gepubliceerd. Het is slechts met aarzeling dat ik hiertoe overga, de huivering van de redactie voor een al te felle polemiek kennend. Niettemin bevatten de 10 stellingen zulke slordigheden en leiden ze tof zo onaanvaardbare conclusies, dat ik meen niet te kunnen zwijgen.
Wil deze discussie vruchtbaar zijn, dan moeten de opponenten een gemeenschappelijk uitgangspunt hebben.
Het spreekt vanzelf dat dat alleen de bijbel kan zijn. Voor het hanteren van Gods Woord is veel onderscheiding nodig, over de directe toepasbaarheid van veel Bijbelteksten kan men van mening verschillen.
Maar onaantastbaar lijken me twee heel fundamentele noties:
1. De mens is naar Gods beeld geschapen; d.w.z. hij is heer over de schepping; en vooral hij is van onvervangbare waarde, niet alleen als mensheid, maar ook als mens. Wie menselijk leven neemt, zal zich voor God moeten verantwoorden: "Van de mensen onderling zal Ik het leven des mensen eisen" (Gen. 9 : 5). Wie voor het schenden van de mens als Gods beeld niet terugschrikt, laadt de schuld op zich van oorlog, moord en doodslag: "Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden".
2. De mensheid is in zonde gevallen. We mogen niet te idealistisch over de mens oordelen; op elk moment en op elke post in de samenleving staat de mens aan allerlei verleidingen bloot, die hij vaak niet in staat is te weerstaan.
Met drs De Jong deel ik de bezorgdheid voor een verantwoord en eerlijk en consequent bijbelgebruik.
Hier zet dan direct mijn kritiek in.
Ik spreek voorzichtig, want ik ben geen bijbelexegeet. Toch staan er in de 10 stellingen nogal wat onnauwkeurigheden en inconsequenties juist inzake de hantering van de bijbel.
Terreinen van toepasbaarheid worden dooreen gemengd en getransponeerd, terwijl ze beter strikt gescheiden kunnen blijven. Zo wordt een woord van Paulus (Rom. 12 : 20), blijkens de context duidelijk betrekking hebbend op privé-verhoudingen, zonder meer door ds De Jong in politiek verband gebruikt en als parallel opgevat van 2 Kon. 6 vs. 8-23. De rol van de overheid als ordebewaarster naar binnen toe (Rom. 13) wordt zonder commentaar overgeplaatst op internationale verhoudingen: Jesaja's uitspraak over de geweldenaar (1 : 17), bij de profeet op een lijn met aanbevelingen inzake de behandeling van wees en weduwe, wordt uitgespeeld tegen het pacifisme.
Van de verschillende rol die bij ons politie en leger spelen schijnt ds De Jong zich niet bewust te zijn. Dit hangt samen, denk ik, met een te klakkeloze toepassing van Rom. 13: de overheid waarover Paulus daar spreekt, is in eerste instantie de Romeinse overheid; welnu, deze handhaafde de orde onder de door haar onderworpen volkeren niet met een aparte politiemacht, maar met dezelfde legioenen, die eerst de veroveringen hadden gedaan. HIet meest heb ik bezwaar tegen de wijze, waarop onze overheid wordt gelijkgesteld met de overheden waarover de Bijbel en dan vooral het O.T. spreekt.
Davids optreden in de oorlogen des Heren is niet zonder meer toe te passen op da:den van onze overheid. En daarom zijn de Rechabieten ook niet goed te gebruiken als parallel voor onze dienstweigeraars. Ds De Jong is zich dit probleem scherp bewust, in zijn uitleg van de Bergrede (stelling 4). Maar de inconsequentie die hij pleegt, als hij deze scrupules wèl heeft als het gaat om een onderbouwing van het pacifisme, maar niet als het erom gaat het wapengeweld van de overheid te verdedigen, is onbegrijpelijk.
Overigens, wie zijn wij, dat wij Nederland, of West-Europa durven spiegelen aan Israël? Waarom niet liever aan Assyrië of Babylon, zoals we dat uit de profeten kennen, of hoogstens aan het tolerante Perzië?
Of aan het Israël van de dagen van Amos? Begrijpt u me goed: ik doe ook deze gelijkstelling niet; alleen wil ik consequent voorzichtig zijn als het erom gaat om de relevantie van het O.T. en N.T. in deze tijd aan te tonen.
Iets uitvoeriger aandacht verdient hier m.i. Deut. 20: 19, of liever, l:eel hfdst. 20, dat het Mozaïsche oorlogsrecht bevat. Nogmaals, ik beschouw dit hoofdstuk als niet direct toepasbaar op onze tijd, om de uiteengezette redenen. Al zou het hier dus al gaan over "doelgerichtheid van het oorlogsgeweld", dan nog zou men daarmee m.i. niet zomaar de neutronenbom mogen verdedigen. Ik neem aan dat dominee De Jong niet graag voor zijn rekening zou nemen, dat in onze tijd vrijstelling van dienst wordt verleend aan hen, die pas een nieuw huis gebouwd hebben (Deut. 20 : 5), een wijngaard geplant (v. 6), die pas zijn verloofd (v, 7), en aan allen die bevreesd zijn en week van hart (v. 8). Evenwel, het gaat hier m.i. niet om "doelgerichtheid van het oorlogsgeweld"; Deut. 20 is niet geschreven als leerboek voor de Koninklijke Militaire Academie. Wat staat er precies?
Er wordt alleen gesproken over een aanvalsoorlog - à propos: De Jong spreekt alleen, en terecht, over landsverdediging -; twee gevallen worden onderscheiden:
a) de belegering van steden ver weg, buiten Kanaän;
b) de belegering van steden in het door God Beloofde Land.
In geval b) wordt algehele uitroeiing voorgeschreven. In geval a) wordt o.a. bepaald, dat alleen de combattanten mogen worden gedood na een verovering; zo selectief is de neutronenbom niet, en vanuit dit gezichtspunt wordt het begrip "doelmatigheid van het oorlogsgeweld" dubieus. Nu vs. 19: vruchtbomen mogen niet worden gerooid, andere bomen wel; niet omdat vruchtbomenhout ongeschikt is voor het bouwen van een belegeringswal; ik moet bekennen dat ik met de woorden "want zijn de bomen in het veld mensen, dat zij door u bij het beleg betrokken zouden worden ?" niet goed raad weet; in ieder geval kan dit argument in de Mozaïische wet niet :de reden zijn om onderscheid te maken tussen vruchtbomen en niet-vruchtbomen. Nog een moeilijkheid: slaat deze bepaling op de oorlog tegen verre of op die tegen Kanaänietische steden? Of op beide?
Laten we eens aannemen, dat het om de eerste mogelijkheid gaat. Men zou dan aan de volgende verklaring kunnen denken: ten behoeve van de bevolking van de stad die het beleg overleeft moeten de vruchtbomen blijven staan. Her duurt nl. jaren voor een nieuwe aanplant weer vrucht kan geven; intussen zou hongersnood kunnen ontstaan. (Voor een dergelijke bepaling in het oorlogsrecht zijn er goede Oudgriekse parallellen te vinden). Maar uit v. 14 moet men toch opmaken, dat de overlevende bevolking als buit wordt weggevoerd; zij zal dus van die vruchtbomen niet profiteren. De sleutel van dit hfdst. is, dat Israëls oorlog Gods oorlog is, een heilige oorlog (v. 4: "de Here, uw God, is het, die met u gaat om voor u te strijden tegen uw vijanden, ten einde u de overwinning te geven"; 13: "de Here, uw God, zal ze in uw macht geven"). Dat de mannelijke bevolking wordt gedood, is de voltrekking van een godsgericht; als de overige bevolking aan Israël als buit wordt gegeven, is dat een geschenk van God. Dat de bomen worden gespaard, moet worden opgevat als teken, dat alleen de mensen voorwerp van Gods toorn zijn, niet de hele schepping; en mag men het vellen van de niet vruchtdragende bomen opvatten als "concessie" van God aan Israël, t.b.v. Zijn eigen oorlog?
In ieder geval blijven twee dingen overeind:
1) de onvergelijkbaarheid van onze oorlogen met Israëls oorlogen ten tijde van de inname van het Beloofde Land; 2) de "humanitaire" trek in een deel van Israëls oorlogsrecht.
(wordt vervolgd)