Antwoord aan ds G. Janssen

1978-02-03
  • Jaargang 22
  • nummer 5
De redactie van Opbouw biedt mij de gelegenheid heel kort in te gaan op de kritiek die ds G. Janssen in Opbouw XXI, 37-42 (speciaal op blz. 318/9) uitbracht op mijn exegese van Schriftgedeelten die een rol spelen in de discussie rondom 'de vrouw in het ambt'. Graag maak ik daarvan gebruik. J.' s bestrijding van mij kenmerkt zich door hoffelijkheid en waardering, wat ik dankbaar noteer. Ze is echter het moet helaas gezegd - evenals zijn eigen tegenexegese gebaseerd op een reeks van misvattingen.

I. J. meent, dat in 1 Cor. 14 de zin "zoals in alle gemeenten der heiligen" (v. 33 slot in de Griekse tekstuitgave; v. 34 begin in onze vertalingen) betrekking heeft op wat volgt in vv. 34/5. Dat zou pleiten tegen een plaatsing van deze laatste verzen na v. 40, zoals door mij voorgesteld.Echter - afgezien van de bezwaren die ik eerder noemde -: het betrekken van de 'hoos' -zin op wat volgt druist in tegen Paulus' spraakgebruik.
Als Paulus met een vergelijkende protasis begint, pleegt hij Of inde apodosis 'zo' of 'ook' of 'zo ook' te zetten - om het voor den doorsneelezer begrijpelijk te maken: Paulus zou zeggen "zoals de ouden zongen, zo piepen 'de jongen" of " ... , piepen de jongen ook" of " ..., zo piepen de jongen ook" - Ofwel i.p.v. 'hoos' te schrijven 'kathoos', 1) J.' s bezwaar, 'dat deze zin wel ver van v. 31 afstaat, verraadt een tekort aan kennis van Paulus' stijl. (Ik noemde reeds aanstond een zuivere parallel uit 4: 16/7, doch J. slaat daarop geen acht.) Herhaaldelijk komen onder het schrijven nevengedachten bij Paulus op, die hij meteen kwijt moet, zodat de hoofdlijn van z'n betoog daardoor keer op keer wordt onderbroken; vaak zelfs de grammaticale opbouw ervan verstoord. Om maar één sprekend voorbeeld te noemen, Ef. 2 v. 1 wordt na de twee omvangrijke relatieve zinnen die hij inlast (v. 2 en v, 3) anacolouthisch voortgezet in v. 4 met wederopname van de woorden "dood zijnde door de overtredingen" uit v. 1 in v. 5, en wijziging van het lijdend voorwerp "u" (v. 1) in "ons" (v, 5) onder invloed van wat in de bijzin van v. 3 was gezegd.

II. V. 34 na v. 33 lezend, en daarmee de beperking verliezend die bij mijn orde de context geeft aan het "zwijgen" en "spreken" in v. 34 (nI. door de aanknoping bij v. 39 "het spreken in tongen") moet J. nu omzien naar een beperking van deze termen vanuit de door hèm gekozen context. (Absoluut verstaan wil ook hij deze woorden niet.) Hij moet daartoe een ware krachttoer verrichten.

A) Het "spreken" uit v. 34 is volgens hem gelijk aan het "beoordelen" uit v.29!! (Wie noemde zopas de grote afstand een onoverkomelijk bezwaar voor verbinding? ??) Maar: dan zou Paulus zich wel bijzonder verwarrend hebben uitgedrukt.
Immers hij had in v. 29 juist voor het profeteren (wat - ook volgens J. - ook aan vrouwen was toegestaan !), toen hij dit onderscheidde van het "beoordelen", de term 'lalein' (spreken) gebruikt. En nu zou hij in aansluiting dáárop plotseling met 'lalein' het voor vrouwen verboden "beoordelen" bedoelen?

B) Intussen: we zijn er nog niet. Want J. bepaalt nader de inhoud van dit "beoordelen" door het te identificeren met 'didaskein' (in de door mij belichte zin van 'consult geven').
Echter: niets geeft hem, hiertoe het recht. Integendeel.
1) De Griekse term 'diakrinein' wijst op zich in een heel andere richting: het duidt aan een schiftend (niet een toepassend) bezig zijn. 2) Deze bezigheid zal nodig geweest zijn om de reden die 1 Joh. 4 : 1 onder woorden brengt.
2) Mogelijkheid de betekenis te verruimen (of moet men niet veeleer zeggen: te veranderen?) zie ik in de context niet gegeven. In de orde van opsomming in v. 26 blijkt niets van een nauwe samenhang van 'didachè' met profetie, zoals die wèl gesuggereerd wordt tussen 'glossolalie' en 'uitleg'. Integendeel: de didachè komt - zoals ik al eerder aanwees - weer om de hoek in v. 31b, nl. in z'n complement 'rnanthanein', Nu, daar wordt de aan de mathèsis deelnemende groep van de voor de profetie gegadigde
groep onderscheiden doordat Paulus over de eerste spreekt (in de 3e pers.), maar zich - met de hem eigen levendigheid - tot de tweede richt (in de 2de pers.). "De anderen" uit v.
29 zijn het profetenrestant (dus wat na aftrek van de twee of drie sprekers uit déze groep is overgebleven), nièt de rest van de geméénte: uit het voorop plaatsen van het onderwerp ("profeten") blijkt nl., dat we in het vervolg (resp. "twee of drie" en "de anderen") te maken hebben met een z,g. distributieve appositie dáárbij.
3) Als Paulus aan de vrouwen een met de profetie ten nauwste samenhangende bezigheid zou hebben verboden - zoals J. wil -, dan zou men dit verbod reeds in hfds: 11 hebben verwacht. Daar handelt hij immers over aan profeterende vrouwen opgelegde beperkingen. (Vgl. mijn opmerkingen over de structuur van hfdst. 14 in samenhang met hfdst. 11.) 4) Lijkt het ook op zich niet ongerijmd, dat vrouwen door den Heere wèl ingeschakeld zouden wonden bij d,: profetie, waarbij zij dus spreken met goddelijk (!) gezag, maar bij de praktische uitwerking daarvan haar mond zouden moeten houden, omdat "zij vanwege haar positie als vrouwen niet te zeggen hebben 'hoe het moet''' (aldus n? Als de Heere ze toch bekwaam maakt de 'grote lijnen' aan te geven, zou Paulus ze dan onbevoegd verklaren voor het 'uitwerken van het detail'?

III. Daarmee hen ik gekomen bij een volgend punt: het waarom van dit verbod. J. zoekt het in de onderworpenheid van de vrouw. De kwalificatie 'aischron' ("lelijk" N.B.G.) betekent volgens hem: "wat de vrouw niet als vrouw doet uitkomen gezien de haar bij de schepping gegeven plaats ten opzichte van de man". Maar: het gebruik van de term 'aischron' in het NT is duidelijk anders.
Het betekenis 'oneerbaar', vgl. vooral Ef. 5: 12 en Col. 3: 8. 3) Verhelderend voor onze plaats is de wijze. waarop Paulus het in het op hfdst. 14 thematisch zo nauw betrokken de hfdst. van deze brief bezigt Cv. 6), eveneens t.a.v. de vrouw, nl. van het zich laten kaalscheren.
Waarom is dat 'aischron' ? Wel: daarmee verliest zij, zo zegt hij (v. 15) a.h.w. haar 'gewaad' 4). Ze loopt er naakt bij, ten prooi aan wie zich aan haar vergrijpen wil. Welnu: zo ziet Paulus ook in 14 : 35 niet zozeer insubordinatie, als wel onkuisheid dreigen.
5) Trouwens, op het standpunt van J. is m.i. onmogelijk duidelijk te maken, waarom een vrouw in de eredienst niet alleen geen consult mag géven (1 Tim. 2 : 12), maar het ook niet mag vragen (1 Cor. 14: 35). Als een vrouw zich in de samenkomst der gemeente tot een broeder wendt om advies, hoe ter wereld zou zij
enkel door die daad te kort doen aan de onderdanigheid die ze jegens een man verplicht zou zijn? Het uit 1 Tim. 2 aangehaalde vers stelt ons voor hetzelfde probleem. J. blijft weliswaar maar vertalen "ik sta niet toe, dat een vrouw. .. gezag over de man heeft".
Maar ik had er toch al op gewezen, dat wat wij van elders over het hier gebezigde zeldzame woord weten, duidelijk maakt, dat de betekenis niet is "gezag hebben over", maar veeleer "het gezag van wie over je gesteld is negeren". Nu nogmaals: wat voor gezagsnegering zit er in een vráág van een vrouw aan een man? Dit probleem is m.i. alleen bevredigend op te lossen, als we er van uitgaan, dat 1 Tim. 2 : 12 spreekt van het negeren door een vrouw van haar eigen man. De paralletie met 1 Cor. 14 : 35 "thuis haar eigen mannen vragen" spreekt hier toch duidelijke taal? Als ze haar eigen echtgenoot passeert en zich om advies publiekelijk tot ándere mannen wendt, doet ze iets wat 'aischron' is: omdat ze aan haar huwelijkstrouw te kort doet, doet ze aan haar eer te kort. 6) Men werpe mij niet tegen, dat er dan een bepalend lidwoord voor "man" had moeten staan. Een dergelijke 10-gicistische benadering van het probleem van het gebruik van het artikel in het Grieks (die men een halve eeuw geleden veel aantrof, ook b.v. bij Greijdanus) is onjuist. Onderzoekingen als b.v. van Colwell hebben ons een betere weg gewezen. Ik kan op het probleem in z'n totaliteit onmogelijk ingaan. Veel moet trouwens nog nader worden onderzocht. Hier wil ik alleen vermelden, dat wanneer twee op elkaar betrokken personen in één adem worden genoemd, het lidwoord meermalen wegblijft.
Dat is ook van betekenis voor 1 Cor. 11, waar b.v. in v. 7 voor "man" ook het lidwoord ontbreekt, en evenzo in v. 3 voor "vrouw", terwijl in beide gevallen de eigen man (vrouw) is bedoeld. J. meent dat Paulus hier spreekt over de gezagsverhouding tussen een man in het algemeen en een vrouw in het algemeen. De ruimte ontbreekt mij, daarop hier uitvoerig in te gaan. Slechts dit: het is jammer, dat hij niet de enige parallelplaats waar Paulus Christus als "hoofd" betitelt 7) in de exegese betrekt, nl. Ef.
5 : 22 vlgg. De verwantschap is evident: ook daar - evenals in 1 Cor. 11 : 8 - een beroep op de schepping van Eva uiteen lichaamsdeel van Adam (vv. 28/9) blijkens het citaat uit Gen. 2 : 24, dat in v. 31 volgt. 8) Welnu, dat hoofdstuk laat er geen twijfel over bestaan, dat Paulus. over de houding van echtgenoten tegenover elkaar handelt.
J. wijst op v. 12 (van 1 Cor. 11) "de man door de vrouw". Maar dat is geen tegenargument. Immers: Paulus heeft met v. 10 de passage over de houding van de vrouw tegenover haar man afgerond. Nû komt hij den man zeggen, dat hij toch ook de keerzijde niet uit het oog moet verliezen.
(Hij gebruikt daarvoor - wals vaker, b.v. Filipp. 4 : 14 - 'plèn' wat zoveel betekent als: 'niettemin' of 'intussen is het toch wèl zo dat...'.) De man mocht zich in het claimen van gezag over zijn vrouw beroepen op Adam. Zeker. Maar om hem voor despotisme te behoeden zegt Paulus er bij: "wil intussen wèl bedenken, dat de keten die jou aan Adam verbindt bestaat uit een hele reeks vrouwen die van een man (haar zoon) konden zeggen wat Adam eenmaal van een vrouw (de zijne) zei: 'deze is ditmaal vlees van mijn vlees en been van mijn been'. O zo! Aanvaard dus je gezagspositie in ootmoed. Want "wat hebt gij (de man aan gezag over zijn vrouw; de vrouw aan vermogen om een man voort te brengen) dat gij niet hebt ontvangen?" Alles is tenslotte toch uit God?"
De fout van sommige gehuwde vrouwen in Corinthe was blijkbaar, dat ze, nu ze evenzeer als haar mannen door den Heere tot kinderen waren aangenomen, meenden in haar verhouding tot God ook lós van haar eigen man te staan. Ze -deden in de gemeentelijke samenkomsten, alsof haar gehuw zijn daar geen enkele rol meer speelde, alsof ze in het contact met den Heere en Zijn volk haar eigen man wel konden vergeten. Dáártegen verzet zich Paulus m.i. Daarom zegt hij tegen haar: de onderworpenheid van je man aan Christus is een rechtstreekse, maar die van jou een indirecte; direct ben jij nl. onderworpen aan je man. Dat blijft gelden ook 'voor God en Zijn gemeente'.
Dat moet ook in de kerk zichtbaar blijven in je kleding en in je gedrag. 9)

IV. Nog één opmerking, en wel naar aanleiding van wat J. schrijft over Rom. 16: 1 (blz. 304). Tot mijn stomme verbazing lees ik hier: "In vers 2 wordt 'ze echter ook een voorstandster genoemd. Ook dit woord wijst in de richting van een bekende functie, ... Het spraakgebruik t.a.v. deze twee woorden (bedoeld zijn "diaken" en "voorstandster", D.H.) is in het Nieuwe Testament nog te zeer vlottend om hier met volstrekte zekerheid te spreken".Een vlottend spraakgebruik in het NT t.a.v. 'prostatis' (voorstandster)?Maar het woord komt uitsluitend opdeze plaats voor!!! En waar wijst dit woord dan een bekende functie aan? We kennen het uit buitenbijbelse bronnen in de betekenis 'patrones', 'schutsvrouwe', Het geeft aan, dat iemand een ander onder haar hoede heeft genomen, en haar bijzondere zorg over hem uitstrekt.Wel kennen we uit het NT het werkwoord, waarmee dit zelfstandig naamwoord samenhangt. Maar ook dat behoeft J. geen aanleiding te geven tot de vraag, of Phoebe soms nog een tweede ambt had. Want in Rom. 12 : 8 staat het 'prohistasthai' ingeklemd tussen het 'meedelen' en het 'barmhartigheid bewijzen', typisch facetten van het diakenambt, dunkt mij.
"Wie zorgt" ware hier dan ook m.i. een juister weergave geweest dan "wie leiding geeft" (NBG).
Overigens vergeet J., dat Phoebe "verzorgster van velen en van mijzelf" (dus van individuen) heet, wat het denken aan een ambt onmogelijk maakt, maar ",diaken van de gemeente in Cencbreae", wat de gedachte aan een ambt op z'n minst voor de hand liggend maakt (vgl. Hand. 20: 17; Jac. 5: 14). Daarbij komt dan nog het argument van de formulering ("zijnde...").

Noten
1) Het eerste doet zich voor in Rorn. 5: 15,18; 2 Cor. 1 : 7; 7: 14; Gal. 1 : 9; Filipp. 1 : 20; 1 Thess. 2 : 7; 5 : 2. (Paulus schijnt het zonder het apodotische “(zo) (ook)" te kunnen stellen, als de vergelijkende zin in de hoofdzin IS ingeklemd: 2 Cor. 11: 3 (ofschoon ook daar sommige handschriften toch weer een 'zo' hebben ingevoegd). Het wat de zinsbouw betreft rn.i. nog altijd dubieuze Rom. 5 : 16 laat ik rusten.) Het tweede geval vinden we in 1 Cor. 11 : 2; 15: 49; 1 Thess. 2 : 13; 4 : 1. Overigens laat hij ook op 'kathoos' nog wel graag een 'houtoo(s)' corresponderen: 2 Cor. 1 : 5; 8 :6; 10 :7; Col. 3: 13.

2) Het corresponderend zelfstandig naamwoord komt voor in 1 Cor. 12 : 10, ook daar gekoppeld aan 'profetie'. Er is een klein verschil: terwijl daar de profetische en de schiftende begaafdheid over verschillende personen zijn verdeeld, verbindt Paulus hier in 1 Cor. 14 het onderscheiden van ware en valse profetie zo nauw me tde profetische begaafdheid, dat hij beide charisma ta in één persoon verenigd acht,

3) Soms ook "laag" (in zedelijke zin wel te verstaan).

4) "Sluier" (NBG); doch hetzelfde woord in Hebr. 1: 12 vertaald met "mantel", Het is in 't algemeen iets wat je om je heen slaat. Hoe men het hier ook weergeeft, het is duidelijk, dat Paulus bedoelt, dat de vrouw daarmee een bedekking afdoet, die ze terwille van de schaamte om moet houden.

5) Ik onderstreep even deze nieuwe aanwijzing (het terugkeren van de kwalificatie 'aischron') voor de reeds op andere gronden in mijn eerdere artikelen geponeerde samenhang tussen hfdst. 11 en hfdst. 14.

6) Strikt genomen wordt 'aischron' slechts gezegd van het 'lalein'. Intussen is de positie van het verbod van publieke mathèsis (nl. tussen het verbod van 'lalein' (v. 34) en de kwalificacie van 'lalein' (35b» zodanig, dat daardoor ook het meedoen van de vrouw aan de didachè/ manhèsis meegetrokken schijnt te worden in de sfeer van het 'aischron'. Daarop klopt het, dat Paulus ook in 1 Tim. 2, waar hij van glossolalie niet spreekt, toch het didachè/manhèsis-verbod zet tegen de achtergrond van de "schaamte" (v. 9).

7) Ook in de (aan de brief aan Efeze nauw verwante) brief aan Colosse komt dit beeld voor (1 : 18), maar daar werkt Paulus het niet uit voor de man/vrouwverhouding. Wel komt er later een vermaning op dit punt (3 : 18/9), maar deze is niet expliciet aan het thema van 1 : 18 gekoppeld.

8) Wel is er weer een klein verschil: terwijl Paulus in Ef. 5 spreekt van Christus als hoofd der kerk als totaliteit, spreekt hij in 1 Cor. 11 van elk der leden in 't bijzonder ("iedere man").

9) Wat Paulus t.a.v, ongehuwde vrouwen wil op dit punt, krijgen we niet te horen. We kunnen er slechts naar gissen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief