Jeremia
1978-02-03
Geen huis-tuin-en-keuken-God - Jaargang 22
- nummer 5
Wie tot mensen die in de verstoktheid van hun hart wandelen, zegt: geen kwaad zal u overkomen, kent zelf God niet. Hij maakt van Jahweh een huis-tuin-en keuken-God. Een God die je in je zak kunt steken en voor je karretje kunt spannen. Een God die je bij wijze van spreken als jongens onder elkaar een klap op de schouder kunt geven en met wie je het op een akkoordje kunt gooien.
Maar zo'n God ben Ik niet, zegt Jahweh. Ben 11k een God van nabij en niet van verre (vs. 23)? Ben Ik soms jullie loopjongen in plaats van jullie Gebieder? Ik laat Me niet door jullie gebruiken. Ik ben de majesteitelijke God, die hemel en aarde vervult. Ik ben de heilige God van verre, die niets met zonde te maken wil hebben en die zich op geen enkele manier laat inkapselen door de zonde, ook niet als die zonde achter een vroom masker wondt bedroeven. Als iemand denkt Mij op die manier te kunnen verschalken en door vroomheid om de tuin te kunnen leiden, heeft hij het mis. Ook in die schuillhoek weet Ik hem te vinden (vs. 24).
Zo tekenden de profeten in Jeruzalem een beeld van Jahweh, dat niets met Hem had uit te staan.
En zo vergat het volk wie Jahweh werkelijk was (vs. 27). Zo ontmoet je ook vandaag nog maar al te vaak mensen die best weten dat ze de zonde aan de hand houden, die hun leven door die zonde laten bepalen en weigeren ermee te breken en die toch zeggen: zou de HERE dat nu zo erg vinden?
Kom nou! We lezen toch in de bijbel en we bidden toch? Zulke mensen willen het met de HERE op een akkoordje gooien: Hij wat en zij wat. Ze doen alsof Hij een marktkoopman is, bij wie je kunt pingelen en afdingen.
Ik heb gedroomd
Hoe kwam dat nu, dat de profeten in Jeruzalem op die manier over Jahweh spraken? In de eerste plaats kwam dat, dat ze zelf in hun eigen leven de zonde aan de hand hielden en niet welden loslaten (vss. 11, 14). Profeten en predikers die zelf weigeren de zonde los te laten, lopen nu eenmaal niet zo hard om anderen, die ook in zonden leven, tot bekering te roepen.
En in de tweede plaats kwam het, omdat ze zich niet door het woord van God lieten leiden, maar door hun eigen hart. Hun profetieën kwamen - hoe vroom en bijbels ze ook klonken - uit hun eigen hart Daar lag hun inspiratiebron (vs. 16, 26). Ze werden gegrepen door wat er in hun eigen hart leefde. En dat gaven ze voor het woord van Jahweh uit.
In de rekening die de HERE van hen geeft, zie je hen naar elkaar toehollen. Er is bij hen wel degelijk sprake van een stuk enthousiasme.
En ze zijn de deur nog niet binnen of ze roepen de ander ad toe: ik heb gedroomd! ik heb gedroomd! (vs. 25). En dan vertellen ze elkaar hun droom uitvoerig (vs. 27). Ze wisselen elkaars dromen uit. En dan gaan ze ermee op stap. En ze stelen ook nog mijn woorden van elkaar (vs. 30).
Dat deze profeten echte dromen hebben, zoals dat bij profeten voorkwam - wondt dus niet ontkend.
Evenmin wordt ontkend, dat ze wel eens een echt woord van God opvingen (vs. 30).
Misschien vindt u dat vreemd en zegt u: het is óf het een óf het ander. Als ze de profetische gave hebben, komt dat van God en komen hun woorden niet uit hun eigen hart. Maar als ze uit hun hart spreken, is dat niet uit God en kunnen ze ook geen woord van God ontvangen. Maar zo zwart-wit ligt het niet.
Paulus schrijft aan de Corinthiërs ook over profeten in het midden der gemeente. Hij erkent volmondig dat er sprake is van een gave van Gods Geest. Maar hij bindt de gemeente op het hart die profetieën grondig te toetsen. Want er kan zomaar iets uit het hart van de profeten in die profetieën binnensluipen. En hoe vaak komt het op kansels niet voor dat je moet zeggen: tot zover is het bijbels, maar nu slaat hij door. En zo kan ook het omgekeerde wel eens voorkomen. De profeten in Jeruzalem, van wie Jahweh zegt: ze hebben niet in mijn raad gestaan, kunnen desondanks en huns ondanks toch wel eens een keer een woord van Jahweh opvangen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is Kajafas (Joh. 11 : 49-52). Hij profeteerde echt. Wat hij naar voren bracht, was een woord van God.
Maar vraag nietwat hij ermee deed: Christus vermoorden!