"Lood om oud ijzer"
1978-02-03
Dezer dagen las ik in verschillende kranten een woord dat mij bijzonder trof, allerlei herinneringen in mij opriep en allerlei gedachten en vragen in mij losmaakte. Ik wil dat graag hier overnemen om er dan een poosje met de lezers van dit artikeltje mee bezig te zijn. Ik geloof dat dat de moeite wel waard is.- Jaargang 22
- nummer 5
Het woord waarop ik het oog heb is van dr J. Zijlstra, de overbekende president van de Ned. Bank.
Dr Zijlstra was te gast in het VARA-programma "In de rooie haan". En daar werd hem gevraagd wat hij dacht over Roolvinks uitspraak dat voor hem het regeren met P.v.d.A. of V.V.D. een zaak was van "lood om oud ijzer". En toen kwam het voor de interviewers vast en zeker verrassende antwoord: "Die uitspraak had niet alleen van mij kunnen zijn, die is van mij."
De interviewer voer toen voort te vragen en wel op deze manier: Nu, dat is dan het antwoord, dan bent u het er mee eens. Is er echt principieel geen enkel wezenlijk verschil?" En daarop volgde toen dit korte pittige college van de ex-professor, ex-minister, ex-minister-president die nu geloof ik wel zo'n beetje de hoogste is in de Nederlanden wereld van de "haute finance".
"Ik ben blij dat u even door vraagt want anders had ik moeten antwoorden: Ik ben mij n leven lang, voor zo lang ik politiek actief ben geweest, antirevolutionair geweest en nu met de boedel overgegaan naar het CDA, zal ik zo maar zeggen, dus ik heb altijd behoord tot wat men in dit land noemt een confessionele partij. Mijn standpunt was en is dat het bestaansrecht van zo'n partij - haar uitgangspunt, haar wezen - met zich meebrengt dat je met betrekking tot liberalen en socialisten die een ander uitgangspunt hebben voor hun politieke handelen dat je daarop het begrip lood om oud ijzer kunt en moet toepassen. Wanneer je dat niet doet moet je de zaak, je eigen zaak ogenblikkelijk gaan sluiten, want dan moet je je bij de één of bij de andere aansluiten.
Maar dat is iets anders dan in een gegeven, concrete situatie van vier jaar te zeggen: het kan me niet schelen met wie ik regeer. Het kan me natuurlijk wel schelen.
Toen men mij in 1967 vroeg om minister-president te worden o informateur te zijn, heb ik een programma geschreven. Dat mocht je toen in je eentje doen, nu is het wat gecompliceerder.
Ik heb toen alle partijen gevraagd of ze mee wilden doen. En die mee wilden doen die mocht van mij méé doen en die niet mee wilde doen die mocht niet mee doen, Dat was hún keus. En in die zin was het niet lood om oud ijzer. Ik vond dat mijn programma op dat ogenblik het beste was, anders had ik het niet moeten schrijven.
Derde opmerking als het nog even mag. Het is een erg belangrijk thema. Ik heb zelf gezeten, zoals men misschien weet, in kabinetten, waar de socialisten een belangrijke rol in speelden; met name de oude Drees als ik het oneerbiedig zo mag zeggen. En in een kabinet zonder socialisten en met liberalen onder leiding van De Quay. Ik kan u naar eer en geweten zeggen dat in het economisch en financiële beleid, waarbij ik heel nauw was betrokken in beide perioden, in feite heel weinig verschil is geweest. Hoe dat in de toekomst gaat dat weet ik niet, maar ik sta er gelukkig nu wat verder af, maar zo was het."
Het eerste waar ik aan dacht toen ik dit stuk gelezen had was een woord van Groen van Prinsterer.
't Is een wonder hoe actueel die man is! 't Gaat ten minste met mij vaak zo dat wanneer ik over een of ander gebeuren in de politiek lees ik bijna steeds een woord van deze man die volgens de Antirevolutionaire partij "een staatsman is om na te volgen" in de gedachten komt.
Ditmaal was het een fragment dat men vinden kan in Groen's "Grondwetherziening en Eensgezindheid". Hier is het: "De Antirevolutionaire partij heeft, omdat zij op de - waarheid berust, sympathie voor al wat in de verschillende richtingen goed is. Daarom, terwijl zij, ondanks de 'Onverdraagzaamheid der Roomse Kerk (dit werd geschreven in 1849!) aan de Roomskatholieken ter goeder trouw rechten en vrijheden verleent welke van hun gelijkstelling met andere Gezindheden het gevolg zijn, verblijdt ze zich tevens in al wat nog in die Kerk, tegenover het ongeloof, aan de dierbaarheid van het Evangelie, getuigenis geeft. Daarom, ook waar zij het Conservatief stelsel afkeurt, prijst zij in de mannen des Bchouds de wens om de ontwikkeling der wanbegrippen tegen te gaan. Daarom kan zij in de voorstanders der Revolutie de wens naar vrijheden niet misprijzen, ook wanneer zij betreurt dat hun de aard en de voorwaarde van echte Vrijheid onbekend blijft. En daarom kan zij onder alle Gezindheden, in menig opzicht, begunstigers tellen en de welwillendheid ondervinden van hen aan wie zij, ook bij verschil van denkwijs, desalniettemin, door het opkomen voor Godsdienst, recht, vrijheid en orde, rechtstreeks of zijdelings gewichtige diensten bewijst."
Zo sprak Groen, en zo bracht I:ij het in praktijk Het was voor hem ook inderdaad "lood om 'Oud ijzer" of er een "conservatief" 'Of "progressief" (men zei toen "radicaal") ministerie.
was. Hij beoordeelde het naar zijn daden. En zag scherp dat "conservatieven" en "progressieven", om een Kuyperiaanse term- te gebruiken, op één wortel stoelden. Natuurlijk is er verschil tussen de situatie waarover dr Zijlstra het heeft en die van Groen. De laatste is immers nooit minister geweest. Maar de essentie, de strekking van wat zij zeggen IS geloof ik hetzelfde.
Ik wil ook even de vinger leggen bij de uitspraak van dr Zijlstra "dat het bestaansrecht van wat men (ik zeg: met een ongelukkige term!) confessionele partij noemt - haar uitgangspunt, haar wezen - met zich meebrengt dat je met betrekking tot liberalen of socialisten die een ander uitgangspunt hebben voor hun politieke handelen, daarop het begrip “lood om oud ijzer" kunt en moet toepassen."
Dr Zijlstra brengt hier "uitgangspunt en wezen" van een politieke partij ter sprake. Ik wil daarover ook graag wat zeggen. En wel zo concreet mogelijk. Eén van de groten uit de geschiedenis van de liberale richting is prof., Cort van der Linden. Hij was minister-president van een beroemd "extraparlementair" kabinet. (U weet, lezers, dat ze over die term en soortgelijke hevig aan 't bekvechten zijn geweest in de laatste weken: hebben we nou een extra-parlementair, een on-parlementair, een tegen-parlementair, een parlementair, een zaken- of nog weer een ander kabinet?') Het ministerie Cort van der Linden was het kabinet dat gedurende de eerste wereldoorlog het zware karwei van de neutralitieit, de voedselvoorziening en nog veel meer moest klaren. Er is uit dankbaarheid een prachtig schilderij van gemaakt dat ergens in een van de regeringsgebouwen hangt. Welnu, Cort van der Linden schreef in zijn bekend boek over de richting en het beleid van de liberale partij: "Naar liberale beginselen heerst de rede oppermachtig. De clericalen daarentegen handhaven voorrechten, welke elders hun bron hebben dan in de uitspraken van het verstand, kennen gezag toe aan bevelen, welke vreemd zijn aan de rede. De liberalen kunnen voorrechten en gezag slechts aannemen omdat het nut begrepen wordt. De liberale partij op het vaste land van Europa is voortgekomen uit de Franse revolutie." Dit betekent dat de openbaring van God volledig wordt uitgeschakeld in de politiek en dat men daarbij uitgaat van de autonome mens en alle heil verwacht van de menselijke wetenschap. Is er in dit opzicht enig verschil tussen de liberalen, de socialisten en de communisten?
Talloze malen hebben ook Marx en Lenin de lofzang gezongen op de Franse revolutie en verklaart dat ze alles verwachten van "de wetenschap".
Als men in de politiek de openbaring van God buitensluit, beweegt men zich daar uitsluitend op het horizontale vlak " . Momenteel hanteert men daar de tegenstelling conservatief-progressief. Als er ooit een inhoudloze onderscheiding is geweest dan is het wel deze. Conservatief, betekent behoudend, bewarend - maar het zegt niets van wat men behouden of bewaren wil. Het is zonder meer zinloos daar over te spreken. En progressief wil zeggen: vooruitgaand, vooruitstrevend. Maar het zegt er niets van van waaruit men vooruitgaat en niets van de richting die men daarbij inslaat en evenmin iets van het plint waarnaar men toe wil.
De vakbonden b.v. zijn uiterst conservatief als het gaat om het behoud van de rechten en inkomens die men verworven heeft en de werkgevers zijn uiterst progressief als het gaat om de efficiëntie van hun bedrijf: fabricage, marketing, verkoopstechnieken, reclame enz. Als ik Ton Planken op zijn steeds ietwat gemelijke manier over "Den Haag vandaag" hoor praten zie ik hem in gedachten steeds met een horizontale meetlat voor zich om daarop aan te wijzen waar de partijen en politici staan: rechts, links, midden, links van het midden, rechts van het midden enz. Voor zijn en veler besef kun je op die manier, en op die manier alleen, partijen en politici lokaliseren.
Op die manier is, gezien vanuit een radicaal Christelijk standpunt, het verschil tussen de partijen alleen maar relatief. Dezer dagen konden we dan ook van liberale zijde horen' dat een samengang van socialisten en liberalen best mogelijk is. Als de eersten wat opschuiven naar rechts en de anderen wat naar links is de zaak voor elkaar. In Duitsland is het al zo ver en in Engeland bijna!