Zending en opwekkingsbeweging (2)

1978-02-17
  • Jaargang 22
  • nummer 7
Men kan een zeker gevoel van jaloezie niet van zich afzetten wanneer men leest van de geweldige wonderen die door de dienst van Erlo Stegen in Zoeloeland plaatsvinden, en waarvan Dr Kurt E. Koch ons nauwkeurig verslag doet. Zijn die vele tekenen van Gods macht en goedheid geen machtige middelen om honderden Zoeloes die nog nooit in de stroom van het Evangelie zijn getrokken, te bereiken? En inderdaad, de opwekkingsbeweging in Zoeloeland trekt honderden en honderden Zoeloes volgens het verslag van Dr Koch. Terwijl wij, stumperige zendelingen van Gereformeerde huize jaar in en jaar uit en van week tot week onze kleine groepjes bezoeken met het Woord van God, zónder die evidente wonderen van Erlo Stegen. En wij zijn voorwaar de enigen niet die het met de kleine groepjes moeten doen.
Hierbij komt dat wij zending bedrijven in Zoeloeland dat tot het animistische Afrika behoort, waar de oude godsdienst een krachtenreligie genoemd kan worden. Het leven van een mens speelt zich af tussen het veld van levenssterkende en Ievenvernietigende, van goede en boze krachten die elkaar soms in evenwicht houden - dan kun je als mens het hoofd boven water houden -, waar soms de boze krachten het winnen - dan ga je er onderdoor - en waar een enkele keer de goede krachten triomferen - dan heb je het goed als mens -. De vraag naar de legaliteit van de krachten is hier irrelevant.
Met andere woorden: het voorkomen zelf van levensterkende kracht is bewijs van de wettigheid ervan.
Ondenkbaar is het bestaan van sterkende krachven uit een verkeerde hoek. De duivel kan geen wonder doen. Elk wondert je of genezinkje of tongetje of wat ook maar de levenskracht versterkt, wordt aan God toegeschreven. Elke wonderdoener is van de Heilige Geest vervuld.
Wat zou het de zending helpen als de gezondene wonderen en tekenen kon overleggen als bewijzen van Gods macht die hem zond! Vandaar dat de zendeling in de animistische wereld - meer dan elders - zich afvraagt: wat verwacht de Heere van mij, wil Hij dat ook ik die wonderen doe? Wat mag ik van de verhoogde Christus verwachten?

Wat mogen we verwachten?
De grote vraag is hoe de gaven van de Here Jezus zoals die blijkbaar in Sizabantu voorkomen, beoordeeld moeten worden. De gave van genezing zoals die overweldigend aanwezig schijnt te zijn, is tot grote stichting van de individuele gelovige. Hij wordt gered, genezen en bevrijd; hij, en een ander, en anderen zoals hij, elk op zichzelf. Het verhaal van Dr Koch is een indrukwekkend relaas van talloze individuele genezingen en bekeringen. En daarmee schijnt het verhaal uit te zijn. Vrachtauto's halen de mensen van heinde en ver, en elk ontvangt er zijn eigen zegen. En daarmee schijnt het verhaal uit te zijn. In het nieuwtestamentische "decor echter zijn alle gaven betrokken op de stichting van de gemeente ( 1 Cor. 14: 12-26), tot welzijn van allen zijn dat een gave brengt is volledig ondergeschikt aan de opbouw van de gemeente. De vraag is bij de gaven niet: wat heb ik eraan, maar wat heeft de gemeente eraan? De brieven van Paulus geven geen relaas van individuele wederwaardigheden onder impuls van de Heilige Geest maar een beeld van gemeenten van de Heer waarin de Geest door middel van verscheiden gaven werkt, De accenten liggen in de Bijbel toch wel beduidend anders. De vraag wordt dus een beetje nauwer getrokken: wat mogen we met elkaar verwachten in de kerk aan gaven? Het boek dat ons bezig houdt, is nogal voorzichtig. Het komt nergens tot uitsproken dat waar de gaven van genezing en profetie ontbreken, het geloofspeil is weggezakt tot onder het Bijbels peil. Toch krijgen we doordat tenminste 950/0 van het verhaal aan genezingen en uitdrijvingen 'en profetieën gewijd is, wel de stellige indruk dat van de gelovigen thans niet anders verwacht mag worden dan dat deze gaven overvloedig aanwezig zijn. Deze gaven. Van genezing en profetie.
Van de gaven van het spreken met wijsheid, het spreken met kennis, het onderscheiden van geesten wordt verder met nauwelijks geen woord gerept.
Van de verwachting van deze specifieke gaven als een Bijbels moeten komt men licht tot het syllogisme waarvan ook Os Van Stelten het slachtoffer werd en dat hij met klem voorstond. Dat ziet er ongeveer zo uit:

a. waar de Heere werkt door Zijn Geest gebeuren wonderdaden getuige het N.T.

b. in ons zendingswerk zien we die wonderen niet.

c. de Heere werkt dus bij ons niet door Zijn Geest.

Het is duidelijk dat we hier niet met een interessante theoretische vraagstelling te maken hebben maar dat deze zaak de praktij!k van het zendingswerk raakt in elk gesprek en huisbezoek, in preek en opleiding.
Het raakt de kerkgeschiedenis ook. Wanneer het syllogisme juist is heeft het Reformatorisch Christendom van West-Europa er eeuwenlang naast gezeten, was het niet-aangesloten op de golflengte van de Heilige Geest. Die was dan wel te vinden op de rand van en naast de kerk waar we abusievelijk altijd het woord 'sekte' hebben gebruikt.

Hoe lezen we de Bijbel?
Aan vrijwel alle opwekkingsbewegingen in de wereld gaat een hernieuwde uitstorting van de Heilige Geest vooraf. Zo ook bij die van Erlo Stegen. En zoals immer wordt ook de noodzaak van zo'n hernieuwde uitstorting beklemtoond, Nu ontkennen we weer niet dat. de Heilige Geest zich krachtdadig kan manifesteren.
We nemen ook graag aan dat de Heilige Geest werkt in Sizabantu. Maar men noeme dat geen uitstorting van de Heilige Geest. Men leze de Bijbel niet naar wat onder ons plaatsvindt, -maar dat wat onder ons plaatsvindt worde door de Bijbel beoordeeld. Al te dikwij'ls raakte de ervaring op drift, en moest de Bijbel erachteraan ' gezet worden niet om haar terug te halen of te corrigeren, maar om haar te legaliseren. De dood, opstanding en hemdvaart van de Here Jezus zijn zo nauw aan elkaar verbonden mèt de uitstorting van de Heilige Geest dat we niet anders kunnen ontdekken dan een uniek complex van onherhaalbare gebeurtenissen. Evenmin als Bethlehem herhaalbaar is (we proberen het wat zieligjes wel te herhalen met Kerstmis), en de hemelvaart, is de uitstorting van de Heilige Geest herhaalbaar. Bekend zijn de vele Bijbelwoorden die toch we'! duidelijk afwijzen de noodzaak van ieders eigen Pinksteren. Ik noem alleen de brief aan Titus die in dit verband weinig gehoord wordt. Wanneer Paulus Titus eraan herinnerd heeft dat hij altijd maar weer de vernieuwing door de Heilige Geest moet prediken, zegt hij er meteen bij: die Heilige Geest is er, bij ons, want die heeft Christus rijkelijk uitgestort "over ons" (3 : 6). Noch Paulus, noch Titus zijn erbij geweest in Jeruzalem. Toch zegt Paulus: over ons; de gemeente die toen werd gefundeerd, en waartoe jij en ik behoren, Titus, heeft de Heilige Geest ontvangen. Zo dikwijls wordt gewezen op de zogenaamde nieuwe uitstortingen in Handelingen 8, 10 en 19. De eerste vraag is: hoe lezen we het boek Handelingen?
Slechts wie het leest alls een verzameling van min of meer willekeurige voorbeelden van christelijke vroomheid en praktijk, kan tot conclusies komen van de noodzaak van een herhaling van Pinksteren. Maar het boek is het document van de gang van Christus' Evangelie van Israël naar de heidenen in verschillende vooraf aangekondigde golfbewegingen.
Bij elke nieuwe golfslag is een nieuwe krachtige manifestatie van de Geest. In de pas verschenen referatenbundel van de Gereformeerd Oecumenische Synode - ,T1he Holy Spirit down to Earth" merkt Prof. Richard B. Gaffin op in zijn lezing: "The Holy Spirit and Charismatic Gifts" dat in geen van de omstreden passages van Handelingen het focus valt op de ondervinding van de individuele gelovigen. De gebeurtenissen van Handelingen 8 vinden hun betekenis in het feit dat Samaria het Woord van God ontvangen had. En wat in Cornelius' familie gebeurde, was betekenisvol omdat nu heidenen voor het eerst het Woord van God aanvaarden.

Wat het op het eerste gezicht moeilijke verhaal betreft van Handeling 19 waar we - zo lijkt het - gelovige mannen ontmoeten die de gave van de Heilige Geest· nog tekort kwamen, daar moeten we weer in bedelingen denken. Die mannen-broeders waren nog niet verder gekomen dan de doop van Johannes. Ze stonden nog op vóórchristelijk-oudtestamentisch niveau. Wat zij ontvangen hadden was niet een christellijke doop minus de Heilige Geest maar een vóórchristelijke doop. Naar het puntige commentaar van Calvijn was wat zij tekort kwamen niet inlichting over de Heilige Geest maar prediking van het Evangelie van Christus. Wat ons van vele broeders van opwekkingsbewegingen scheidt is niet een andere verklaring van enkele teksten maar de hermeneutische vraag hoe we de Bijbellezen. Deze vraag geldt ook ten aanzien van de gaven van de Geest zoals we daarover lezen in de brieven. Zijn dat altijd noodzakelijkerwijze op gelijke wijze en van dezelfde intensiteit aanwezige werkingen van de Geest van Christus? Is de Bijbel een rimpelloos boek van Parmenidiaanse onbewegelijkheid, of moeten we bij het lezen ervan rekening houden met verschillende geledingen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief