Gereformeerd Kerkboek?

1978-02-17
  • Jaargang 22
  • nummer 7
Van vrijgemaakte - en dan z.g. binnenverbandse - zijde werd een nieuw kerkboek uitgegeven. Een proefbundel. Het heet "Gereformeerd Kerkboek" en de pretentie doet u even uw mond sluiten. De pretentie namelijk, dat niet alleen een mens, dat niet alleen een kerk, dat niet alleen een groep kerken - maar dat ook een boek gereformeerd kan heten: Deze pretentie wordt alleen overtroffen door een in 1971 uitgegeven boekje, waarover wij destijds gezwegen hebben: "Het Bijbels Psalmboek" - niet meer en niet minder. Dat was een particuliere uitgave van iemand, die het Nederlands niet geheel meester was. Maar wanneer deputaten van de GS Kampen-1975 der (binnenverbands vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken in Nederland een proeve van een kerkboek uitgeven, mocht iets meer bescheidenheid een sierraad heten. Er zijn meer gereformeerde kerken in Nederland. Er zijn meer boeken, die tot dienst van deze kerken bedoeld zijn.

Wanneer we het voorwoord lezen zien we, dat de pretentie aanvankelijk zo bedoeld is als de titel uitdrukt. Men spreekt namelijk van "het" gereformeerde kerkboek. Gelukkig wordt even later ook over "een" gereformeerd kerkboek gesproken. Tenslotte zelfs over "dit" gereformeerde kerkboek, Er blijft dus hoop op beter.

En beter zal het wel móeten zijn, wil het een eeuw venduren. We zeggen dit meteen maar hardop en gaan dat nader aantonen. Niet omdat wij niet vrijgemaakt-binnenverbands-gereformeerd zijn. Noch ook omdat onze thuiskerk. ondanks al haar eerlijke pogingen, buiten dit verband is gestoten. Maar omdat (zoals deputaten hun GS Rotterdam-Delfshaven naspreken): "aan een goede psalmberijming hoge eisen dienen te worden gesteld". Aan die eisen, zo moeten wij aantonen, zijn deputaten bepaald niet toegekomen.


Het Gereformeerd Kerkboek (hierna GKb) is nog maar voorlopig. Een komende GS-1981 zal het gecompleteerde en mogelijk gecorrigeerde kerkboek definitief maken. Een deel ervan is al kerkelijk vastgesteld: de Catechismus en enkele formulieren in nieuwe lezing; ook een alternatieve orde van dienst is aangenomen; bovendien is de bundel Enige Gezangen gewijzigd en gebracht tot een totaal van 36, waarbij de geloofsbelijdenis in drievoud, Men denkt het boek te zijner tijd aan te vullen met de ontbrekende formulieren en de Dordtse Leerregels in nieuwe lezing. Overwogen wordt mede, de kerkenorde in dit kerkboek op te nemen (!).

De richtlijnen voor de psalmberijming, gegeven door genoemde synode van R'dam-D’haven, luiden:
a) zij moet schriftgetrouw zijn; hierbij dient steeds voor ogen te staan dat de psalmen verbondsliederen zijn;
b) zij moet tekstgetrouw zijn: zij moet de tekst der onberijmde psalmen op de voet volgen;
c) zij moet in hedendaags Nederlands worden gedicht;
d) zij dient goed en vlot zingbaar je zijn. In deze regels kunnen wij ons geheel vinden; we herkennen er onze eigen woorden in.

Deze bundel is geen oorspronkelijk werk van deputaten. Deze bundel is (precies als de verfoeide berijming uit 177 3) een selectie uit een aantal aangeboden berijmingen. Al tijdens het gebruik van Datheen's berijming, van 1566 tot 1773, zijn er vele nieuwe berijmingen gemaakt. Datheen had daar reden toe gegeven: niet alleen omdat zijn in anderhalf jaar vervaardigde vertaling van de Geneefse berijming uit kreupelrijm bestond, dat bij de Geneefse melodieën in genen dele paste; niet alleen omdat zijn Nederlands zelfs voor toenmalige oren onbeschaafd en plat was; maar vooral omdat hij zelf op de onvolkomenheid van zijn "inderhaast afgedrongen vrucht" wees en op beter hoopte.

Na hem zijn er 30-40 psalmberijmingen ontstaan, waarvan alleen die van Marnix van Sint Aldegonde kerkelijk aanvaard (maar nooit ingevoerd) is geweest. Toen dan ook de staten-generaal ten verzoeke van de gereformeerde kerken berijmingsdeputaten aanstelden, konden zij in 1773/4 een bundel uitgeven, die uit tenminste drie andere berijmingen 'was geselecteerd: die van het dichtgenootschap Laus Deo Salus Populo, die van Johannes Euseoius Voet (het leeuwendeel) en die van Hendrik Ghijsen, welke laatste al weer een selectiebundel uit 16 andere had samengesteld. Geen wonder dat er veel aan mankeerde; onder meer homogeniteit en stijllbegrip, kwaliteiten zoals wij terecht van kerkelijke zang vragen.

Zo zijn er sedert de eeuwwisseling - sedert dr A. Kuyper en ds J. W. Gunst op de noodzaak van psalmvernieuwing wezen, eveneens vele pogingen ondernomen. Het boekje, waarover we vandaag spreken, is evenzeer een selectiebundel. Het toont dan ook de verschijnselen van gebrekkige samenhang, uiteenlopende kwaliteiten, onvoldoend stijlbegrip, Het bewijs van deze bewering behoeft nauwelijks geleverd te worden: na de eerste openbare kritiek op het voorlopige rapport zijn er al zoveel wijzigingen aangebracht, zijn de inbrengquota der medewerkers zozeer gewijzigd, dat deputaten erkenden, niet zeker van hun zaak te zijn. Dat kunnen ze bij het verschijnen van de proefbundel evenmin.

Een der medewerkers, P. Mijderwijk te Haarlem, heeft dat in "Organist en Eredienst" van dec. 1976 eerlijk toegegeven: in zijn en in anderer aandeel zijn door deputaten wijzigingen aangebracht, waarmee hij het niet eens is. Ook zegt hij: "de berijmers hebben los van elkaar gewerkt; ze hebben elkaar nïet kunnen critiseren en inspireren", hetgeen hij betreurde, Hij had dan ook meermalen op contact aangedrongen en wilde dit blijven doen. Hij erkent dat het concept qua stijl nog geen eenheid is geworden. Maar hij roept vertwijfeld uit: "Toch heeft een berijming, die telkens het beste uitlkiest, haar voordelen, Is de berijming van 1773 niet op dezelfde wijze tot stand gekomen?” - En dat begrijpen we nu niet. Wiant wel is de berijming-1773 op dezelfde ongelukkige wijze tot stand gekomen - maar we hebben daar nooit enig voordeel in gezien. De keuze van het minstberoerde is nog niet de keus van het beste. Toen aan ons, nadat wij destijds een studie over de voorhanden psalmerijmingen hadden gepubliceerd, gevraagd werd de redactie van een selectiebundel op ons te nemen, hebben we dan ook hartgrondig nee geantwoord. En in het werk van de groep, waarin P. Mijderwijk zijn arbeid verrichtte, hebben wij aanvankelijk op verzoek deelgenomen; maar om, na gesterkt te zijn in onze overtuiging dat wij er zo nimmer komen, daarvan broederlijk maar welbewust afscheid te nemen. Een goede psalmberijming is geen product van huisvlijt - maar van bloed, zweet en tranen. Van dichterschap en gebed.

Welk materiaal was aanwezig, toen deputaten hun arbeid begonnen?
1 Aanwezig was allereerst de complete berijming van ds H. Hasper uit 1936.
Ds Hasper, aanvankelijk gereformeerd predikant, was via het Hersteld Verband in de Ned. Hervormde Kerk geëmeriteerd. De Stichting tot verbetering van het psalmgezang in de Gereformeerde Kerken (waarin schrijver dezes jarenlang een werkzaam aandeel had, evenzeer als in haar Muziekcommissie) heeft in overleg met ds Hasper die bundel zodanig gecorrigeerd, dat deze in 1949 door de (synodaal) G.K. aanvaard werd als bruikbaar voor haar erediensten.
Gezegd moet worden, dat Hasper's werk in de Ned. Hervormde Kerk steeds op aversie is gestuit. Bovendien hebben de G. Kerken zijn werk, hoewel aanvaard, nooit ruigemeen ingevoerd. Toen vorige deputaatschappen uit de vrijgemaakte G.K. trachtten een deel van zijn bundel te gebruiken, stuitte dat op Hasper's hardnekkig veto. Zijn bundel, hoewel voor wijzigingen vatbaar, was alles of niets. Toen Hasper echter in 1971 toestemde tot een gedeeltelijk gebruik, konden deputaten een selectie van 58 psalmen in hun proefbundel opnemen.

2 Dan was er de complete bundel Psalmen en Lofzangen van ds L. W. Muns, in leven syn. Geref. predikant te Utrecht. Evenals ds Hasper had ds Muns zijn berijming uit het Hebreeuws vertaald, waardoor hij veel dichter bij de Schrift stond dan Datheen. Bovendien is 'zijn Nederlands, hoewel pastoraal, modern en aannemelijk Van hem zijn 45 berijmingen opgenomen in de proefbundel.

3 De derde complete berijming was van de (syn. Geref.) neerlandicus en organist drs Joh. Luykenaar Francken uit Rotterdam. Zijn Nederlands laat natuurlijk niets te wensen over, dan dat het beter de oudere dan de jongere generatie toespreekt. Als organist heeft hij de psalmen zingende berijmd. Van zijn bundel vindt u er zes in het Gereformeerd Kerkboek
4 Dan moet genoemd worden de bekende bundel uit 1773, die als uitgangspunt voor een allergrondigste correctie kon worden gebruikt; die dan ook door sommigen gebruikt is.

5 Vooral moet genoemd worden de Interkerkelijke Psalmberijming (IKB), die is opgenomen in het Liedboek voor de Kerken. -Deze berijming, eigenlijk opgezet in Hervormde kring, heeft medewerking van verscheidene andere kerkengroepen verkregen, ook van vrijgemaakte zijde. Dit werk, dat op verreweg de meeste psalmzingende Nederlanders mag rekenen, is door de vrijgemaakte (binnenverbandse deputaten niet in zijn geheel aanvaard; en mocht niet gedeeltelijk worden overgenomen.

6 De Haarlemse groep, waarin P. Mijderwijk. leverde in totaal 19 psalmen.
Deze zijn behalve van de genoemde, van J. Klein Pzn en van Johan de Weve (J. D. W. Velkamp). Tenslotte zijn er 9 psalmen van wijlen ds G. A. Hoekstra van Utrecht opgenomen, een van Adriaan van Boven (W. v.d. Kamp, Canada), drie van ds J. J. de Vries en 9 van ds D. K. Wielenga JDzn. En blijmoedig ondertekenen deputaten hun verklaring: "al deze geselecteerde berijmingen voldoen, naar het oordeel van de Kamper synode, aan de voorwaarden, gesteld door de synode van R'dam-D'haven."


Een psalm bestaat uit een tekst en een melodie. Dit is een onweerlegbare waarheid, om met de Schoolmeester te spreken. Het oorspronkelijke woord (mizmoor) is zelfs "zang met snarenspel" en niemand vertaalde het woord "psalm" zo goed als Vondel, die van "Harpzangen" sprak. Nu de muziekinstrumenten even buiten beschouwing latende, willen we constateren: een psalm is een gezongen vers, een lied. Bij een psalmberijming hebben we dus met teksten en met melodieën te maken. Met beide. Het weglaten van een van beide doet het woord psalm vervallen.

Wanneer we deze psalmberijming onder ogen krijgen, kunnen we niet anders dan de teksten en de melodieën - elk afzonderlijk en gezamenlijk - te bezien, te beluisteren. Over de andere onderdelen, die van dit psalmboek een kerkboek maken, kunnen we misschien apart spreken. Voor het ogenblik bepalen we ons echter tot de psalmen,
We doen dat op grond van enige ervaring op het punt van psalmberijmen. Niet alleen als bestuurder van een organistenvereniging daar nauw bij betrokken geweest, als lid van de Stichting Psalmgezang voornoemd, als lid van haar Muziekcommissie, als startmotortje *) voor het eerste psalmdeputaatschap onzer kerken in 1949, als psalmdeputaat onzer kerken van 1949 tot 1964 en opsteller van hun rapport voor de GS-1958, als schrijver van een boek over de ontwikkeling van een Calvinistische kerkmuziek en als schrijver van tientallen artikelen over dit onderwerp, gevoelen we ons nauw bij deze zaak betrokken.

Toch willen we geen persoonlijke kritiek geven op het thans bereikte resultaat - waaraan wij, tengevolge van de reeds voor 1964 begonnen zuiveringsacties, geen deel hebben kunnen bidragen. Daarom willen we in een volgend artikel aan dr C Rijnsdorp het woord geven, die - puttende uit een respectabele ervaring op dit gebied en tevens puttende uit een respectabele kennis van de Nederlandse taal- hierin meer gezag kan doen gelden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief