"Belgrado" mislukt

1978-02-24
  • Jaargang 22
  • nummer 8
Vandaag kon men in de krant het volgende bericht lezen:

"De Sovjet-Russische afvaardiging op de Europese veiligheidsconferentie in Belgrado heeft woensdag laten weten dat ze niet meer zal deelnemen aan het werk van de "onofficiële redactiegroep" die humanitaire kwesties behandelt. De leider van de Russische delegatie, Joeli Vorontsov, die het besluit bekendmaakte, zei dat het onmogelijk is om tot overeenstemming te komen over de voorstellen inzake humanitaire kwesties die zijn vastgelegd in het ontwerp voor het slotdocument van de conferentie dat is ingediend door de neutrale en ongebonden landen."

Zoals men wellicht weet was deze Europese veiligheidsconferentie een vervolg van de "Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa" (de CVSE) die van 3-7 juli in Helsinki werd gehouden en die op 30 juli-1 aug. in 1975 opnieuw in Helsinki is gehouden). Op 1 augustus 1975 ondertekenden de deelnemende landen de slotverklaring. Daarbij ging het vooral om de z.g. "derde mand" daarvan. Die heeft de volgende inhoud:

'De deelnemende Staten zullen de gelijkheid van de rechten van de volken en hun recht op zelfbeschikking eerbiedigen, daarbij te allen tijde handelend overeenkomstig de doeleinden en de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties en in overeenstemming met de desbetreffende normen van het internationale recht, met inbegrip van de normen die betrekking hebben op de territoriale integriteit van Staten. Krachtens het beginsel van gelijkheid van rechten en het zelfbeschikkingsrecht van de volken, hebben alle volken te allen tijde het recht om, in volledige vrijheid, wanneer en zoals zij wensen, hun binnenlandse en buitenlandse politieke status te bepalen, zonder inmenging van buiten om hun politieke, economische, sociale en culturele ontwikkeling naar eigen goeddunken voort te zetten. De deelnemende Staten bevestigen opnieuw de universele betekenis van het eerbiedigen en daadwerkelijk in praktijk brengen van rechten en het zelfbeschikkingsrecht van de volken voor de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen zowel onderling als tussen Staten; zij herinneren tevens aan het belang van het uitbannen van iedere vorm van schending van dit beginsel."

In Belgrado zou getoetst worden hoe de verschillende landen zich aan deze verklaring gehouden hadden sinds 1 augustus 1975. Daarbij zou vooral gelet worden hoe het in de staten die de Verklaring van Helsinki ondertekend hadden stond met het naleven van de "Universele Verklaring van de Rechten van de Mens" die kort na de oprichting van de U.N.O., de "Verenigde Naties", door de leden daarvan was aanvaard. Ik zal de voornaamste bepalingen daarvan hier laten volgen.

UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze Verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven, door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen, zowel onder de volkeren van Staten, die Lid van de V.N. zijn, zelf, als onder de volkeren van gebieden, die onder hun jurisdictie staan:

Art. 1. Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren.
Zij zijn begiftigd met verstand en geweren, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Art. 2 (1) Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. (2) Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat.

Art. 3. Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

Art. 4. Niemand zal in slavernij of horigheid gehouden worden. Slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.

Art. 5. Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Art. 6. Een ieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet.

Art. 7. Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling.

Art. 8. Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechtelijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten, hem toegekend bij Grondwet of wet.

Art. 9. Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.

Art. 10. Een ieder heeft in volle gelijkheid recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechtelijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging.

Art. 11. (1) Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtzitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig. voor zijn verdediging, zijn toegekend.
(2) Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op grond van enige handeling of enig verzuim, welke naar nationaal of internationaal recht geen strafrechtelijk vergrijp betekenden op het tijdstip, waarop de handeling of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

Art. 12. Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.

Art. 13 (1) Een ieder heeft het recht zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke Staat.
(2) Een ieder heeft het recht, welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en daar naar terug te keren.

Art. 14. (1) Een ieder heeft het recht om in andere landen een asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging.
(2) Op dit recht kan geen beroep worden gedaan ingeval van strafvervolging wegens misdrijven van niet-politieke aard of handelingen in strijd met de doeleinden en beginselen van de V.N.

Art. 15. Een ieder heeft recht op een nationaliteit.
Aan niemand mag willekeurig zijn nationaliteit worden ontnomen, noch het recht ontzegd van nationaliteit te veranderen.

Art. 16. (1) Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding er van.
(2) Een huwelijk kan slechts worden gesloten met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.
(3) Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.

Art. 17. (1) Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen.
(2) Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.

Art. 18. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omdat tevens 'de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven, zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door de dienst en het onderhouden van de geboden ten voorschriften.

Art. 19. Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsvorming. Dit recht omvat de vrijheid, zonder inmenging een mening re koesteren en door alle middelen en ongeacht grenzen, inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

Art. 20. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering. Niemand mag worden gedwongen tot een vereniging te behoren.

Art. 21.(1) Een ieder heeft recht, deel te nemen aan het bestuur van zijn land, d:irect of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.
(2) Een ieder heeft het recht, op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.
(3) De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van stemmen verzekert.

Art. 22. Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid, en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internanionale samenwerking, een overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.

Art. 23 (1) Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtvaardige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.
(2)Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.
(3) Een ieder, die arbeid verricht, heeft beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.
(4) Een ieder heeft het recht, vakverenigingen op te rechten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.

Art. 24. Een ieder heeft recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd en op periodieke vakanties met behoud van loon.

Art. 25. (1) Een ieder heeft recht opeen levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen ontstaan ten gevolge van omstandigheden, onafhankelijk van zijn wil.
(2) Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand Alle kinderen, al dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.

Art. 26. (1) Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en beginonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn.


Het was eigenlijk vreemd dat men verwachtte dat men over deze zaak tot overeenstemming zou geraken met de Communistische landen. Indien die deze bepalingen zouden naleven zouden ze ophouden communistisch te zijn! Men zou evengoed een zwarte kunnen vragen blank te worden of een blanke zwart, Heel de Conferentie voor "Veiligheid en Samenwerking in Europa" was van meet af in feite niets anders dan een van de tactieken van de Oostbloklanden om de "Vrije Wereld" in slaap te sussen en wind in de zeilen te blazen van alle activiteiten van de organisaties die naar ontwapening streven. Het is goed steeds het woord van Solzenitsyn te horen: "Als u verder slaapt bent u allen verloren!"

P.S. De op 10 dec. 1948 opgestelde "verklaring" kreeg bij stemming daarover in de U.N.O. 48 stemmen. De communistische staten onthielden zich van deze stemming!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief