Kruimkens van 's Heren tafel

1978-03-03
  • Jaargang 22
  • nummer 9
In onze gemeente werd vorige week gevierd de bediening van de doop aan Raimon Offereins. een aangenomen kind. Hij hoort er nu helemaal bij. Dit moest gevierd worden. De preek ging over de Syro-Fenicische vrouwen haar dochtertje. Mattheüs noemt haar een Kananese vrouw.
Marcus zegt dat ze een Griekse was. Hij zal wel bedoeld hebben: een Hellenistische vrouw. Op school lazen wij indertijd een boek van Wagenvoort, "Varia Vita" en daarin werd genoemd als één van de eigenaardigheden van de Hellenistische cultuur, dat ze romantisch was en dweepte met het kind.
Ouders die het een beetje doen konden, kochten kinderen op. Niet alleen als speelkameraadjes voor hun eigen kinderen, maar vooral ook als speelgoed voor zichzelf. Dat leidde soms tot buitensporigheden, maar het was nu eenmaal mode in die tijd; een rage.
We maken het, nu veel meer dan vroeger, mee, dat ouders kinderen aannemen. Romantiek is er niet meer bij. Er wordt serieus met de ouders over gesproken, dat het aannemen van één of meer kinderen heel wat vraagt en in veel opzichten erg moeilijk kan zijn. Daar zijn de ouders dan ook wel van doordrongen. Ze kunnen het alleen, en ze mógen het alleen doen, wanneer het hun om het kind gaat en niet om zichzelf. Het motief is: Redt een kind! Voor ouders, die de Here vrezen, is dat motief bekroond door het weten, dat ze iets mogen doen, om het kind te redden van de ondergang, door het binnen te dragen in het Verbond van God en door het bekend en vertrouwd te maken met de Bijbel en met onze Here Jezus Christus.
Je krijgt tegenwoordig de indruk, dat jonge mensen hun gezin niet meer zien als een gesloten bolwerk, waar niemand gemakkelijk van buitenaf inkomt. Typerend vond ik het bijvoorbeeld, dat vorig jaar een bruidspaar hier, als trouwtekst vroeg: "Legt U toe op de gastvrijheid", Rom. 12, 13. Ik had nog nooit eerder voor een huwelijksbevestiging een tekst opgekregen in dit genre.
Over die Kananese vrouw vertelt Mattheüs, dat ze de Here Jezus naliep en nariep. Dat is tenminste de klacht van de discipelen. Hij is uitgeweken naar het gebied van Syro-Fenicië, het land van Tyrus en Sidon. Uitgeweken, ja, zo mag je het wel zeggen. "Hij trok zich terug". Hij moest er eens uit. Het was na het twistgesprek met Farizeeën en Schriftgeleerden, die er apart voor uit Jeruzalem gekomen waren. Dat Joods-theologische gesprek heeft onze Here zoveel gedaan, dat Hij zich terugtrekt naar het buitenland. Hij moet dit eerst kwijt, voordat Hij weer onder de Israëlieten verkeren kan. Hij is, zouden wij zeggen, voor de mensen van de eigen kerk dichtgeklapt, omdat ze zo vijandig en wettisch tegenover Hem stonden. We zouden derrken: nu wendt Hij zich tot de heidenen, om hun de blijde boodschap te brengen.
Maar dat toch ook weer niet. Hij zegt tegen de leerlingen en tegen de vrouw, dat Hij slechts gezonden is tot de verloren schapen van het huis Israëls. Zij houden de eerste rechten.
Zoals de Here het stelt is het eigenlijk, dat zij tot dan het alleenrecht hebben. De trouw aan Zijn opdracht is bij de Here uitzonderlijk. Ook Zijn liefde tot zijn broeders en zusters.
Tot hen, die deel hebben, samen met Hem, in het verbond van God. Hij stapt niet zo maar over naar een ander volk, wanneer Zijn eigen gemeente Hem niet genoeg waardeert en wanneer Hij daar tegenstand ondervindt. Toch maakt Hij wèl onderscheid, want Hij spreekt niet over heel het Joodse volk; Hij zegt niet, dat Hij daartoe gezonden is. Nu niet meer. Hij is slechts gezonden, nu, tot de verloren schapen van dat volk. Zo kan een herder wel eens bij de kudde blijven, louter en alleen om enkele verloren schapen, die hij terugvinden wil en dat, ondanks alle miskenning die hij van de zijde van de gemeente ondergaat.
Daarvan zijn in de recente kerkgeschiedenis wel voorbeelden aan te wijzen. Calvijn was er ook een goed voorbeeld van. Navolgers van Christus.
De woorden die Jezus zegt, hebben niet het effect, dat de vrouw zich teleurgesteld afwendt. Ze houdt vol. Ze smeekt om de genezing van haar dochter, die deerlijk van de duivel bezeten is. Wanneer de Here Jezus haar afgewezen heeft, denkt zij niet: het mag dus blijkbaar niet zo zijn, t dat er ook voor mijn kind en mij . wat is bij Hem. Wanneer de Here Jezus zegt dat het niet gepast is om he: brood van de kinderen aan de honden te geven, dan zegt ze: "Zeker, Here, maar de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen."
Als zij geweten had, hoe de Jeruzalemse heren over Jezus dachten, zou zij misschien gezegd hebben: de kinderen lusten hun brood niet; geef het dus maar aan de honden. Het Evangelie, dat is vaak iets waar de kinderen geen brood van lusten, maar de honden wel.
Toen zei de Here: "Vrouw, groot is uw geloof."
Een Gereformeerde hoogleraar heeft daarover het één en ander gezegd in zijn commentaar op Mattheüs. Je moest in het midden laten of het geloof van de Kananese vrouw een wondergeloof was, dan wel een zaligmakend geloof.
Over de geschiedenis van die vrouw zegt hij trouwens ook, dat je niet moet denken, dat de Here zich door de vrouw liet verbidden. Onze jongens en meisjes die aan bijbelstudie doen, zullen wel niet kunnen begrijpen wat die man met zulke zinnen bedoelt. Het pleit voor hen, dat ze het niet snappen. Zij gaan in ieder geval anders met de bijbel om, dan velen van een vorig geslacht dat deden. De Here Jezus zegt: "Vrouw, wat heb jij een groot geloof", en dan gaat een theoloog kijken of ze wel het echte geloof heeft, want met een wondergeloof kom je er niet. Maar je bent dan wèl in de weer, om Jezus' verraste roep af te zwakken. En over dat "verbidden" gesproken, als het dát niet is, wat dan wel? Mattheüs en Marcus zijn beiden duidelijk genoeg. De Here weigert eerst beslist om de vrouw te helpen. Het hoort niet tot Zijn taak, zegt Hij, en het is onbehoorlijk om het brood der kinderen te nemen en aan de hondjes te geven. Toch helpt Hij de vrouw, wanneer ze volhoudt en Hem een andere kant opduwt, met een gevatte aanvulling op het beeld dat Hij gebruikte.
Wanneer we de bijbel in zijn levendheid aan het woord laten, dan leren we, ook door deze geschiedenis, ánders bidden, dan met de gebruikelijke afzwakkingen, als daar zijn: "Mocht het in Uw Raad bestaan", of: "Doe Gij wat U behaagt". Hoewel onze kinderen deze dingen niet begrijpen, nl. hoe een professor zo vreemd omgaan kan met de bijbelse geschiedenis, de ouderen herinneren zich bij die opmerkingen over wondergeloof en zaligmakend geloof, en over het "feit" dat God zich niet laat verbidden, de ouderen herinneren zich dat hoe veelal in de jaren dertig zó gepreekt werd. In de Kerkbode van Noord- en Zuid-Holland heeft ds Janse van Zaandam daar kortgeleden van verteld. Het is in "Saamhorig" overgenomen. Hoe hij bijv. na een preek over de toorn van God die ook kan zijn over Zijn kinderen, te horen kreeg: "U moet niet denken, dat we een rimpeling in God teweeg brengen". De twee evangelisten betuigen ons, dat de Here Jezus op afstand het meisje van de duivel verloste. Toen de vrouw thuiskwam, lag het kind rustig in bed; het was eindelijk weer zichzelf. De boze geest was uitgevaren.
In geen velden of wegen meer te bekennen. "Om dit woord, ga heen" had de Here gezegd. Je kunt er versteld van staan, hoeveel kracht de Here heeft, maar ook, hoeveel kracht aan het gebed verleend wordt. Jac. 5, 16.
En het heil in die genezing of bevrijding, ging dan toch maar tot een heidens meisje uit. Dat was een teken, dat naar de toekomst wees, want het zal Tyrus draaglijker zijn in de dag des oordeels dan Bethsaida. Vanwege dat grote geloof, dat daar gevonden werd. Het geloof in de reddende kracht en liefde van de Here. In Galilea en Juda vond je dat geloof niet zo; althans bij weinigen.
Honden zijn vaak hongeriger dan de eigen kinderen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief