Gereformeerd Kerkboek?
1978-03-03
Psalmen, we blijven het zeggen, bestaan uit woord en toon, uit tekst en melodie.- Jaargang 22
- nummer 9
Voor ons christenvolk is de tekst echter wel zeer belangrijk. Vandaar dat we de bespreking van de tekst uit de proefbundel der (binnenverbandse) broeders tot een derde artikel uitbreiden. Weer laten we in hoofdzaak dr C. Rijnsdorp aan het woord en komen daar nauwelijks tussen.
"Psalm 20. Vers 4: 'wij willen sterk zijn door het noemen / van 's HEREN naam op aarde'. Hier moest worden gerijmd op 'beroemen'.
Is tegenover die roemtaal het alleen maar 'noemen' van 's Heren naam voldoende?
Psalm 23. Vers 2: 'Hij sterkt mijn ziel; niets kan mijn rust verstoren: / Hij brengt mij om zijn naam in rechte sporen'. Is het niet juister dit om te keren en het gebracht worden in rechte sporen te doen voorafgaan aan de onverstoorbare rust?
Psalm 25. Vers 2: 'maak mijn hart ertoe genegen / die blijmoedig in te slaan'. Het gaat hier niet over het inslaan van ruiten, maar van paden. Natuurlijk is het heel gewoon te zeggen (in proza): 'daarginds slaan we het linkse pad in'. Maar als 'in te slaan' aan het eind van de regel komt en daardoor nadruk krijgt, dringt de letterlijke betekenis van 'inslaan' zich op. Wie dat niet voelt heeft geen poëtisch begrip. En waarom spreekt Hasper in vers 7 van 'Gods vertrouw’lijk' omgang', terwijl 'Gods verborgen omgang' zoveel rustiger klinkt met die drie korte o's op het zware maatdeel? Moest er zo nodig een medeklinker bij en daaraan twee e' s 'worden opgeofferd?"
Nog even een onderbreking. Hasper had wél 'Gods verborgen omgang'. Ondanks de waarschuwing van Rijnsdorp na het lezen van het rapport hebben deputaten de fout in hun proefbundel gehandhaafd. Br Mijderwijk was zo wijs, diverse adviezen van Rijnsdorp tijdig over te nemen.
"Psalm 27. 'Al zijn ook in mijn tegenspoed en strijd / mijn vader en mijn moeder weggegaan'. Er moest gerijmd worden op 'neemt mij aan'; en 'heengaan' zou ook kunnen betekenen: gestorven. Vandaag: weggegaan.
Toch niet om een boodschap?
Psalm 29. Dit rijmproduct van P. Mijderwijk is zo slecht, dat het onbegrijpelijk is hoe het in de bundel terecht is kunnen komen. Vers 2: als de donderslagen klinken / past het ieder neer te zinken'. Donderslagen klinken niet, ze rommelen. En dat gepaste neerzinken ... Vers 3: 'ceders buigen krakend krom /, breken stuk of vallen om'. Vers 4: 'hinden maken vreemde sprongen / werpen in die nood haar jongen'. Al springende?”
Over het algemeen hebben we de opmerkingen van Rijnsdorp weggelaten, wanneer die tussen deputaten-rapport en proefbundel zijn overgenomen. Hier hebben we een alinea laten staan, hoewel br Mijderwijk er zijn voordeel mee deed. Want die door Rijnsdorp afgekeurde termen waren toch maar gedicht, waren toch maar door deputaten in hun rapport overgenomen, waren toch maar door de resp. synoden aanvaard, zij het voorlopig. En stonden onder het oordeel: "Schriftgetrouw, tekstgetrouw, hedendaags Nederlands en vlot zingbaar".
Rijnsdorp vervolgt:
"Psalm 30: 'Al daalt de avond ook in tranen (die avond namelijk) / de ochtend zal weer blijdschap banen!' Vers 7: 'mijn rouwkleed hebt Gij losgedaan'. Het is weer de heer Mijderwijk met zijn 32 van de 150 psalmen."
Mijderwijk heeft de tranen achteraf vervangen door klachten. En van hem zijn bij nader inzien geen 32 maar 13 psalmen in de proefbundel opgenomen. Maar dat kon Rijnsdorp niet weten.
"Psalm 31. Vers 3: 'voorraadskaam' ren'; u hebt mij al begrepen: Hasper!
Aan de medeklinkers herkent men de berijmer! Het is allerminst mijn bedoeling, de grote verdienste van Hasper als ijsbreker te verkleinen. Hij was een pionier. Maar hier gaat het om zijn berijming, die ruim een derde deel uitmaakt van wat door de vrijgemaakte kerken geaccepteerd is."
Opmerking. Het is niet ruim een derde deel maar bijna een derde deel geworden.
De voorraadskaamren zijn tijdig ingeruild voor kamers. En slechts de binnenverbandse vrijgemaakte kerken 'aanvaardden' dit werk van Hasper; zij het om in de proefbundel te worden opgenomen.
"Psalm 37. Vers 3: 'in grote vrede leeft hij dan voldaan'. Ook hier weer de anticlimax: v":'~oening is minder dan vrede, laat staan grote vrede. Er moest worden gerijmd op 'gedaan'.
Psalm 42. Vers 4: 'Watervloed roept tot watervloed /, kolkt en bruist mij tegemoet j, immers hebben al uw golven,al uw baren mij bedolven'.
Aan dat ook alweer potsierlijke 'immers' herkent men de bewerker, de man van de 32 herzieningen van de statenberijming."
Mijderwijk heeft gepubliceerd dat het potsierlijke woord 'immers' niet van hem, maar van deputaten afkomstig is. En uit de proefbundel blijkt, dat na de kritiek van Rijnsdorp 18 psalmen van deze berijmer vervallen zijn. Toch blijft het requisitoir beklemmend.
"Het zou mij te ver voeren, op deze toch al globale wijze alle 150 psalmen na te gaan. Als de vrijgemaakte kerken hun eigen berijming willen hebben, is dat formeel gesproken hun goed recht. Het is ook allerminst mij n bedoeling, door het aantonen van feilen in berijming b de superioriteit van berijming a te bewijzen. Ook daar (in de interkerkelijke berijming dus) is, juist door het onophoudelijk herzien, nog wel het een en ander in terecht gekomen of blijven staan, dat niet zo best is.
Maar nu, helemaal aan het eind, wil ik toch nog iets zeggen over het verschil tussen berijmen en herdichten. De dichter beschikt over een grotere taalgevoeligheid, een veel rijker taalinstrument en over een beproefde techniek. Hij ziet veel meer mogelijkheden en werkt zich lang zo gauw niet vast in een struikgewas van woorden. Hij weet de rijmdwang te vermijden en kent de gevaren van de eindwoorden.
Komt daar nog bij dat hij met een aantal collega's samenwerkt en dat ook de niet-dichters hun zegje mogen zeggen, dan is er een creatief veld tot stand gekomen, dat niet alleen kwaliteit, maar ook overeenkomst van stijl waarborgt. Dit alles is het voorrecht en naar mijn mening ook de voorrang van de IKB (interkerkelijke bundel in het Liedboek).
En wat de schriftgetrouwheid betreft, als de vrijgemaakten in deze naar mijn mening dubieuze bundel hun opvatting van schriftgetrouwheid gerealiseerd zien, geluk ermee! Ik herinner me een speels gedicht van Jan Engelman uit de jaren dertig: 'Arne Borg zwemt duizend meter Arne Borg doet alles beter."
Het is zonder leedvermaak, eerder met grote schaamte, dat wij deze dingen doorgeven. Het oordeel van dr C. Rijnsdorp, een gezaghehbend schrijver, litterator, romancier en essayist, is al bijna twee jaar geleden gepubliceerd. U hebt er ons niet over gehoord, hoewel het in een blad stond, waarvan wij mederedacteur zijn.
Maar het is nodig, het 'Gereformeerd Kerkboek' kritisch te bezien. Deputaten verzoeken het nadrukkelijk, zij het niet aan buitenverbanders. Ze hebben echter wel synodale en andere broeders voor zich laten werken - waarom zouden ze zich uitgerekend van ons blad niets aantrekken?
Daarom nog een opmerking. Deputaten staan wel zeer onder de spanning van de "meerdere vergaderingen". Ze schrijven in hun voorwoord over synoden die hebben "vrijgegeven", die hebben "vastgesteld", die opnieuw vaststelden, besloten, verwijderden en opnamen en die straks in 1981 (wanneer de kerken dan nog bestaan, wanneer deze wereld nog zo doordraait) de definitieve lezing van deze psalmberijming onze kleinkinderen op het hart zullen binden. Alles ademt synodaal gezag - tot de feilen toe. En wij denken aan wijlen prof. dr S. Greijdanus, die de synoden noemde: knechten van de knechten van de knechten van de kerkenraden. Aan Prediker, die citeerde: 'ik heb gezien knechten te paard en heren te voet'.
Ook in de buitenverbandse kerken zijn soms broeders, die argwanend kijken naar de kerken, welke, in de vrijheid van Christus staande, uit het Liedboek zingen. Zulke broeders zouden eerst wel eens weer een geordend kerkverband met een heuse synode willen afwachten, voor ze een keus (indien er dan nog van een keus sprake is) maken. Die broeders kunnen gerust zijn. Het blijft nog altijd zo: als ieder doet wat goed is in zijn ogen (als in de tijd van de Richteren, namelijk: zonder op de wetten des HEEREN te letten!) dan kan alles grondig mis gaan. Maar mét synodes en mét deputaten kan het ook goed fout gaan. Dat zien we langzamerhand.
En als er iets fout moet gaan dan is een plaatselijk kerkenraadsbesluit. in overleg met de gemeente, altijd een wijzer fout - dan dat de kerken haar verantwoordelijkheid weer leggen in handen van de knechten van de knechten van de knechten van hun kerkenraden. Want die synodes zijn na sluiting onvindbaar.
Maar de kerken blijven rekenschap schuldig.
We hebben nu in drie artikelen stilgestaan bij de tekst van de psalmberijming in het "Gereformeerd Kerkboek". Die is uiterst belangrijk. Niemand kan Gode waardiger woorden toezingen, zei Calvijn, dan die God zelf eerst op zijn tong gelegd heeft. Bij de bespreking van een gezongen stuk liturgie (liturgie = bediening des heiligdoms) moeten we wel kritisch op onze hoede zijn.
Nu komen we aan het tweede deel van deze liederen toe: aan de muziek. Ook die is interessant voor de kerkganger. Zo min hij theoloog hoeft te zijn om de psalm tekst te verstaan - zo min hoeft hij misicus of musicoloog (kenner van de muziekgeschiedenis) te zijn, om de psalmen te kunnen zingen: ordelijk, betamelijk en welluidend.
Zullen we daar dan een volgende keer op ingaan? Of liever eerst iets anders?