Wedergeboren
1978-03-10
Toe, vroeg iemand me, schrijf eens een artikel over lied 487. Ik noteerde die wens, maar was niet van plan er op in te gaan. Schrijven moet liever niet besteld worden; schrijven moet uit de overvloed van gedachten en belevenis ontstaan. Toch, van tijd tot tijd kwam ik die aantekening tegen. En ik ging het lied lezen, de melodie zingen ... Tot ik mijn koppigheid begreep als stomme koppigheid. Want - beste lezer, lieve lezeres - lees eens mee, zing eens mee. Dat is immers een lied, dat recht vanuit de Bijbel tot ons spreekt; een lied, dat recht tot uw hart gaat; een lied van Gods liefde voor ons en van onze liefde voor Hem. Dit is een liefdeslied!- Jaargang 22
- nummer 10
Het is gedicht door Huub Oosterhuis, geboren in 1933, dichter en Amsterdams studentenpastoor, vriend van ds W. Barnard en ds Jan Wit, medewerker aan het Liedboek voor de Kelken, voor niet minder dan 15 liederen. Een man die de Bijbel kent, niet alleen als theoloog maar ook als een kind van Gods koninkrijk.
En iemand die de taal kent: die kan spelen met woorden, die kan schilderen met beelden.
De melodie van dit lied is van Bernard Maria Huijbers, geboren in 1922. Aan zijn voornaam ziet u al dat ook hij een katholiek christen is. Ja, hij is een Jezuïet en bovendien leraar voor liturgie aan het Amsterdamse Conservatorium en aan het Ned. Instituut voor Katholieke Kerkmuziek in Utrecht, componist en medewerker, voor vijf liederen, aan het Liedboek voor de Kerken. Zijn melodie is Simpel, bijna klassiek; zij zweeft in de sfeer van Es grote terts maar wijkt telkens naar de neven toonaard c kleine terts uit. Daardoor ontstaat een tweekleurig effect, een mystiek licht; iets wat de Duitser Zwielicht noemt en de Sakser tweelicht of tweedonker. Jawel, de zoete geheimen van dit liefdeslied vragen om gedemt licht, om halfduister. Ze kunnen het daglicht velen, zijn geen werken der duisternis; maar ze vragen om een sobere, een kuise belichting. En als u meent dat u geen liederen van roomsen door de keel kunt krijgen ... Nu, vraag u dan maar eens af, wat onze reformatorische kerken, behalve de schat van de psalmmelodieën, eigenlijk aan kunst hebben voortgebracht? Weet u het?
De Heer heeft mij gezien en onverwacht / ben ik opnieuw geboren en getogen / Hij heeft mij licht ontstoken in de nacht / gaf mij een levend harten nieuwe ogen /. Zo komt Hij steeds met stille overmacht / en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
U kunt natuurlijk zeggen: de Heere ziet alles, Hem ontgaat niets. Inderdaad.
Maar de Bijbel zegt ook dat de Heere naar zijn volk kan "omzien". Rondkijken, zoekend, liefdevol kijken; iets in iemand zien. Wij ontgaan de Heere geen moment; zijn ogen "doorwan:delen de aarde", Maar opeens kunnen we door Hem gezien worden. Ineens kan Hij naar ons omzien. Zoals een jongeman een meisje al twintig jaar in zijn omgeving kan hebben geweten. Maar opeens... ziét hij het meisje. We zeggen: met andere ogen. Dan gebeurt er iets aan zo'n jongen. Dan gebeurt er iets met dat meisje.
Zo gebeurt er iets met ons, als de Heere in liefde naar ons omziet. Daar blijf je niet dezelfde onder. Een wedergeboorte - daar is niet alleen de moeder, daar is ook en vooral het kind bij betrokken. Dat kind heeft er weet van, al kan het de beleving nog niet realiseren. En zo'n kind, dat "is geboren en getogen" in Amsterdam, of in Drenthe, in Brabant of op de Zeeuwse klei, dat is met al zijn vezels verbonden aan zijn ras, zijn bloed en zijn bodem. Maar nu? Na die wedergeboorte is de mens opnieuw geboren en getogen: overgeplant als burger naar een nieuw land. Staat ingeschreven in de hemelen. Valt onder de hemelse rechtsorde.
Dat is aan hem te zien - of er deugt iets niet. Hij kreeg een lichtje mee, om deze duistere wereld te verlichten. Hij kreeg een nieuw hart, van vlees in plaats van steen; een hart om God en de naaste liéf te hebben. En nieuwe ogen: die branden van liefde tot God en zijn kinderen: die zien wat ze nog nooit bewust hadden waargenomen. Want aan blinden wordt het lieflijk licht geschonken.
De liefdeservaring met de omziende God is te vergelijken met die van een bruid, die zich gewillig voegt onder de liefdesmacht 'van haar sterke man; die gaarne de verliezer is en daarin voor lief wordt genomen.
Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit I. Heeft in 'Zijn handen onze naam geschreven. / De Heer wil ons bewonen als zijn huis I, plant als een boom in ons zijn eigen leven, I wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid I en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.
Een goede bruid laat haar man begaan. Maria zei: Hij doe wat goed is in zijn ogen. Dat is voor beide partijen goed, voor beide partijen het beste. Want zij is het eigendom van haar minnaar, die haar "in zijn handpalmen heeft geschreven: gij zijt van Mij". Zo, in die liefdesverhouding van God van de hemel en van ons op deze beroerde aarde, worden wij tempelen van de Geest, het persoonlijke huis Gods. Hij wil wonen in ons hart, wil buiten geen enkele kamer gesloten worden. Wij zijn pas gelukkig, zalig, als we alles voor Hem openleggen.
Letterlijk: ons hebben en houden.
En als God in ons gaat leven, als we vruchten des Geestes gaan voortbrengen, als we gastvrij en nederig worden, vergevensgezind en barmhartig, vriendelijk en eensgezind ... dan ziet ieder het aan ons: dat we gelukkig zijn. Gelukkig, dat de Heere naar ons omzag; gelukkig dat Hij ons begéért tot zijn bruid; gelukkig dat we van Hem zijn. En wat we verder presteren: alles wat van ons heet is een geschenk van Hem en wij zijn van Christus. Want wie zijn wij en wat is helemaal het gereformeerde volk, dat we uit onszelf vruchten des Geestes zouden voortbrengen? Het is alles van U, zei Salomo, en we geven het U uit Uw hand.
Gij geeft het uw beminden in de slaap, I Gij zaait uw naam in onze diepste dromen. / Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt I: zoals de regen neerdaalt in de bomen, I zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat, / zo zult Gij uw beminden overkomen.
Het gaat hier over schone zaken, die Zich nauwelijks laten uitspreken. Met slaap is meer aan te duiden dan afwezigheid van bewustzijn gedurende zeven uur per etmaal. Slaap kan ook op de doodsslaap duiden. Slaap kan ook de echtelijke bijslaap zijn, het liefdesverkeer van man en vrouw. En zo wordt de liefdesverhouding tussen God de Heere en zijn kinderen in psalm 127 aangeduid als: zuivere genade, onverdiende zaligheid. Wie werkt, zegt die psalm, kan zonder Gods zegen niets bereiken. Maar wie alles van Hem verwacht, krijgt wat hij wenst mild en overvloedig, zelfs in de slaap.
Tot in ome dromen "onderwijzen ons onze nieren". Ons onderbewustzijn is altijd bezig. Juist in onze slaap, als wij niet worden gehinderd door denken, door zorgen, door ervaringen, door geluiden ... dan staan wij ten vol1e open voor Hem.
Open staan. Dat doet denken aan psalm 40: Gij hebt mij oren gegraven, om te horen naar uw spreken. Als God niet naar ons omzag zouden we zo doof en blind zijn als onze afgoden. Maar Hij wil ons, wil ons geluk, wil ons bezitten als zijn onvervreemdbaar eigendom, is jaloers op ons, wil ons levenslang hebben en eeuwig zijn blijdschap met ons delen.
Begrijpt u het? Begrijpt u het? Maar het is goed, ons aan Hem gewonnen te geven. Zoals regen neerdaalt in een dorstig land, zo overkomt Hij ons. Zoals de wind waait waarheen hij wil, niemand ziet het, zo is Gods wedergeboorte aan ons. Eenmaal en voor goed. Achteraf merken we het. En hoe!
Burgers van Gods koninkrijk zijn we. Medeburgers van allen, die Christus' verschijning hebben lief gekregen. Beminde gelovigen. Mensen, die hun medechristenen lief hebben als mede-erfgenamen van het eeuwige leven: of ze calvinist dan wel katholiek zijn. Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Dit lied is van twee mnanen, die van het huwelijk en zijn geluk hebben afgezien - om meer voor God en zijn gelovigen te kunnen betekenen. Toch kennen ze de Iiefdeservaring uit de Schrift. Ze komen daarin niets te kort. Ze "weten" waar het om gaat in het liefdesspel, want aan zijn beminden geeft God zijn "weten" als in de slaap. Zij kunnen onbeschroomd over kostelijke dingen spreken. Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Een gevaarlijk lied - in een tijd, die de huwelijksliefde heeft verloederd tot een nummertje ontucht. Gevaarlijk voor de bedrijvers van ontucht. Die vuil is worde nog vuiler, maar hij heeft geen deel aan het koninkrijk van onze hemelse Vader. Zalig de reinen van hart. Zij zullen God zien. Van eeuwigheid tot zaligheid.