lets over antithese (3)

1979-05-18
  • Jaargang 23
  • nummer 20
Schifting

Wij zijn de vorige maal op iets zeer kenmerkends in de bijbel. gestuit, Hij brengt de dingen en de mensen over welke hij het heeft, in de crisis; ze komen er anders uit dan ze er in gaan. Een schiftingsproces gaat met ze aan de gang. Zeer duidelijk is dat met Israël het geval.
"Want al ware uw volk, 0 Israël, als het zand der zee, een rest daaronder zal zich bekeren" (Jes. 10: 22). En hoe draagt zich dat toe?
Hoe komt het van 'bruto'-Israël tot, 'netto'-Israël? Door loutering, toetsing, een moeizaam smeltingsproces: "De blaasbalg zucht, wat gereed uit het vuur komt, is lood; tevergeefs smelt men al maar door, de bozen zijn niet af te scheiden.
Verworpen zilver noemt men hen, want de HERE heeft hen verworpen" (Jer. 6 : 29, 30). Deze laatste tekst haai ik aan om te laten voelen wat een grapt wonder het is dat er toch van een rest van Israël gesproken kan worden. Logischer zou zijn dat er in de schifting niets zou overblijven. Wie of wat kan bestaan in de crisis?
Dat moeten wij goed bedenken als wij achter de bijbel aan zeggen dat God de armen in de crisis brengt om de ware armen, de Lazarussen, over te houden. Dat zijn niet de armen die van nature uit het goede hout gesneden
zijn, hei neusje van de zalm. Ten diepste stuiten wij in dat schiftingsproces op een raadsel: het zijn de armen des welbehagens die God overhoudt.
Maar dat is de uitkomst, die ons eigenlijk niet aangaat. God wijst ons de armen-in-het-algemeen aan en zegt ons dat de armoede het troebele water is waarin wij het het van het evangelie moeten uitwerpen.

De proef voor de rijken

Is dat wel zo? Hebben de rijken voor God dan geen gelijke kansen?
Ik denk het niet. Als ik Jezus Christus zo in het evangelie bezig zie, dan merk ik zijn onmiskenbare voorkeur voor de armen op. Stellig, we moeten dan het begrip 'armen' niet te beperkt opvatten. Het zijn niet alleen de geld-armen, maar ook de gezondheids-armen, relatie-armen, de verstands-armen, de status- en positie-armen, de mogelijkheids-armen en zelfs de wilsarmen. Maar hoe je ze ook noemt, je ziet Hem steeds in de buurt van degenen die op de een of andere manier karig bedeeld zijn. En daarin zet Hij de lijn van Israëls verkiezing voort, omdat immers Israël zelf ook door God is gekend geworden als de arme, de geringe onder de volken (zie Deutr. 7 : 7).
De rijken worden nu echter niet totaal overgeslagen of vergeten.
Hun wordt de proef afgenomen of zij Gods voorkeur voor de armen kunnen hebben. Zij worden niet geheel, zij worden slechts voorlopig gepasseerd. God richt zich tot de armen en zegt: voor jullie is het koninkrijk. En vervolgens keert Hij zich tot de rijken en vraagt: vind je ook niet? En de rijke die dat toestemt, wordt samen met de gelovige armen behouden.
Zo is het toch steeds gegaan in de geschiedenis van het heil? God heeft Jakob vóór Ezau geplaatst: de meerdere zal de mindere dienen.
Werd Ezau daardoor uitgesloten van het heil? Welnee, Ezau moest zich alleen die eigenaardige voorkeur laten welgevallen. Daarin zou zijn zaligheid gelegen zijn. Zoals in de geschiedenis de volken telkens weer Israëls historische voorrang hebben moeten erkennen ("dasz Jezus Christus ein geboren er Jude ist" - Luther). Zo kiest God wat voor de wereld zwak is, om het sterke te beschamen, en wat voor de wereld dwaas is, om het wijze te beschamen, en wat voor de wereld arm is, om het rijke te beschamen (zie 1Cor. 1 : 26 v.v.). En voor de sterken, wijzen en rijken komt het er dan op aan, dat zij zich dit laten aanleunen, dat zij zich láten beschamen.
Zo komt het evangelie tot hen op onrechtstreekse wijze, maar niet minder krachtig. God nodigt hen uit om met Hem mee te gaan als Hij het net van zijn evangelie daar uitwerpt waar de ellende in de wereld het ergst is. En dan blijkt dat er rijken èn rijken zijn: die het nemen èn die het niet nemen.

Scharen en discipelen

Maar ook onder de armen brengt het evangelie schifting te weeg. Ik vind dat heel duidelijk aangeduid in het begin van de Bergrede, Matth. 5: 1: "Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij zich had nedergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem." Hoe onderscheidend wordt hier verteld! Jezus ziet de scharen, de nog ongedifferentieerde menigte, waarin veel menselijke ellende is samengebracht (zie bijv. Matth. 8 : 16). Dan maakt Hij gebruik van een terrein-omstandigheid, een berghelling. Het hoogte-
verschil gebruikt Hij als een natuurlijke kansel en Hij roept vervolgens door zijn leer de discipelen uit de scharen. Deze discipelen (niet enkel de latere apostelen) maken zich uit de scharen los en klimmen naar de Zaligspreker omhoog. Zo voltrekt zich scheiding.
Hiermee hangt samen dat Jezus zijn zaligsprekingen begint in de derde persoon (zalig de armen van geest ... enzovoorts) en pas bij de negende zaligspreking overgaat op de tweede persoon: zalig zijt gij.
Ds Zuurmond heeft in een artikel in Wending 'Zalig de armen' (XXXIII, 8-1978) ook op deze persoons-
overgang gewezen. Hij trekt er de conclusie uit dat Jezus de armen tussen Zich en de gemeente in geplaatst heeft, om daarmee de gemeente de armen aan het hart te leggen: Jezus wil geen gemeente tenzij deze goed is voor de armen.
Maar ik meen dat deze uitleg te houterig is. De 'armen' en de 'gemeente' blijven dan teveel als gesloten groepen naast elkaar staan, alsof Jezus voor elk van beide groepen een apart soort heil zou hebben. Het ligt echter tussen de 'armen' en de 'gemeente' alles veel bewegelijker. Er is tussen hen dezelfde spanning als tussen 'naaste' en 'broeder'. De leer van Jezus hakt de 'gemeente' uit de 'scharen' los. De eerste acht zaligsprekingen zijn nu te beschouwen als toetswoorden waarop vanuit de scharen verschillend gereageerd wordt - er zijn er die er blij mee zijn, zij gaan de helling van het discipelschap op; er zijn er ook die zeggen: wat heb je dáár nou aan? en afhaken. Er zijn er trouwens ook die eerst komen en daarna weggaan - al naar de gelijkenis van het zaad (Matth. 13 : 3 v.v.). Tot degenen die tot Hem komen uit de scharen, zegt Jezus nu: zalig zijt gij ... Zo zijn de scharen mogelijke discipelen en 70 zijn de armen mogelijke Lazarussen en Jezus haalt ze er door zijn leer uit.

Nogmaals: vergeestelijking?

Toets-woorden dus, de zaligsprekingen.
Je kunt dat aan de eerste de beste ook goed merken: zalig de armen van geest. Hebben we hier de vergeestelijking van de arme?
Nee. U moet de uitdrukking vergelijken met drie andere typeringen in de zaligsprekingen: reinen van hart, hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid en vervolgden om der gerechtigheid wil. Met de uitdrukking 'reinen van hart' onderscheidde Jezus zich van alle reinheidsdrijvers van zijn tijd. Bijv. de Essenen, die helemaal apart gingen zitten bij de Dode Zee, om geen vuile handen te krijgen. Die waren meer rein van lichaam dan van hart. Of de Farizeeërs, die de buitenzijde van de beker en van de schotel reinigden, maar van binnen vol roof en onmatigheid waren (Matth. 23: 25). En met 'de vervolgden om der gerechtigheid wil' onderscheidde Jezus zich mogelijk van de Zeloten, de rechtse extremisten van die tijd, die inderdaad ook wel vervolgd werden, maar om des gewelds wil. Door te spreken over 'honger en dorst na,ar de gerechtigheid' knoopt de Heiland aan bij de, reële honger en dorst, zoals die door de armoedige scharen geleden werden (Hij vermenigvuldigde niet voor niets het brood!), maar gaf Hij tegelijk aan dat de mens bij brood alleen niet leven kan. Zo is ook de uitdrukking 'armen van geest' geen vergeestelijking of ontkenning van werkelijke armoede, maar de vraag is er meegesteld: wat voor kant ga je met je armoede op? Want er zijn vele armen met de mentaliteit van de rijken, die als ze de middelen krijgen, er even poenig of nog poeniger mee worden. De arme van geest zie ik nu op één lijn staan met de ware weduwe van Paulus (zie vorig artikel) en de arme Lazarus, over wie Christus in de gelijkenis spreekt.
De arme, die totaal aangewezen is op het reddend ingrijpen van God en dat ook wil weten. En ik denk dat als er meer armen van geest zouden zijn, wij bok meer van dat reddend ingrijpen van God zouden zien, want de hand des HEREN is niet te kort geworden om te verlossen (Jes. 59 : 1). "Want de scepter der goddeloosheid zal niet blijven rusten op het erfdeel der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken naar onrecht (Ps. 125 : 3)." brengt, en dat is het woord 'schare' (of m.v. 'scharen'). Wat kom je dat begrip vaak tegen in de evangelies!
Je vraagt je af: moesten die mensen niet werken? Hadden ze niets anders te doen dan groepsgewijs te lanterfanten? Ik denk dat het een tijdsbeeld geweest is en dat we via dit woord inzage krijgen in de sociale en religieuze nood van die dagen.
De mensen waren voortdurend in beweging, want ze waren voortdurend op zoek. Hongerig en dorstig - naar wat? Naar de gerechtigheid?
De profeet Amos zegt (8 : 12): "Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken het woord des HEREN; maar vinden zullen zij het niet".
Scharen, schapen zonder herder, vatbaar voor volksverleiding. Wie zou er verantwoordelijk mee omgaan?
En zou de aanwezigheid van de scharen niet ook op verpaupering kunnen wijzen?
Het zou kunnen zijn dat wij ons in de naaste toekomst op het verschijnsel 'schare' moeten voorbereiden: samenscholingen van mensen die onvoldaan over het bestaande, bereid zijn iets nieuws aan te horen en zelfs te volgen. Ik heb het gevoel dat het evangelie, dat zo met 'scharen' in de weer is, over een nog vóór ons liggende actualiteit spreekt. Ais bijvoorbee1d de werkloosheid nu eens echt zou doorzetten of de energie-crisis het auto-gebruik eens helemaal lam zou leggen zoals bijvoorbeeld onze slaapsteden ook overdag bevolkt zouden zijn? Zou het evangelie dan niet nieuwe kansen krijgen om uit scharen discipelen te doen toestromen?
Het evangelie zou dan weer opnieuw bij de bruto-armen mogen starten met de klaroen-stoot van royale heilsverkondiging voor allen: alzo lief heeft God de wereld gehad ... "Dat de genade particulier is" zou dan in het vervolg wel blijken.
Toch is er voor de christelijke gemeente nog meer te doen dan met het evangelie te vissen in het troebele water van de armoede.
Daarover de volgende week D.V. We zullen dan ook de balans van de bijbelse antithese opmaken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief