lets over antithese (4 . slot)
1979-05-25
Adeldom verplicht- Jaargang 23
- nummer 21
Wanneer wij de wereldbevolking indelen in rijken en armen, kan het niet verborgen blijven dat de gemeente van Christus overwegend tot de rijken behoort. Veel christenen hebben daar een slecht geweten over en lezen uit dit feit af dat de christelijke gemeente Tout zit. Ik geloof niet dat dat nodig is. -We mogen gerust eens de vraag stellen: wie heeft 'Abraham' nu rijk gemaakt? Het zou toch niet zo vreemd zijn dat in Gods zegen die om Christus' wil over Europa is neergedaald, ook voorspoed meegekomen is, niet, alleen in materiële, maar ook in meer spirituele zin. We kunnen zelfs zeggen (maar dan zijn we wel ondankbare honden) dat we daar niets aan kunnen doen. Maar hoe gaan wij nu met dit gegeven om? Adeldom verplicht.
Nu niet gelijk denken dat er een aanslag op uw portemonnee wordt voorbereid. Dat u van uw overvloed moet geven. Want als het daarbij blijft, wordt op de duur onze frustratie alleen maar groter, vrees ik. De moeilijkheid is niet door liefdadigheid in materiële zin op te lossen. Als we dat denken, maken wij dezelfde fout als de materialisten.
Ja, zegt u, ik weet al waar u heen wilt. U wilt heenwerken naar een veel intenser en indringender evangelie-prediking aan de armen dan tot dusver ooit heeft plaats gevonden. U wilt dat dáárvoor de beurzen, maar vooral de harten open gaan.
Toch wilde ik dat nu niet zeggen.
Dat God zich met zijn heilsboodschap tot de armen richt en dat Hij de rijken uitnodigt zich in die beweging te laten opnemen, had ik de vorige maal al gezegd. Maar ik besloot toen mijn artikel met te schrijven, dat er voor de christelijke gemeente meer te doen is dan met het evangelie te vissen in het troebele water van de armoede. En daarover moet 't nu gaan.
Verplicht tot wat?
Ik denk aan Mozes die zijn prinselijke opvoeding en opleiding gebruikt heeft om voor zijn volk in te treden bij de farao van Egypte. Ik denk aan Esther die haar hoge positie aan het perzische hof heeft aanvaard om haar volk bij Ahasveros te verdedigen tegen de aanslag van Haman ("kom ik om dan kom ik om"). Haar oom Mordechai gaf haar, toen zij uit bangheid wilde zwijgen, dit in overweging:
"Wie weet of gij niet juist met 't oog op deze tijd' de koninklijke waardigheid gekregen hebt" (Esther 4 : 14).
Zou dat voor ons ook niet een nuttige overweging kunnen zijn, dat er wellicht een .goddelijke voorzienigheid in steekt, dat wij in een tijd van openbaar wordende wereld armoede in alle opzichten een positie hebben gekregen waarin wij onze "mond open kunnen doen ten bate van de stomme, ten behoeve van het recht van allen die wegkwijnen" (Spr. 31 : 8)?Het voorbeeld van Esther en haar volk is ook nog in ander opzicht leerzaam. Het joodse volk op welks ondergang Haman het gemunt had, was namelijk niet arm in de materiële zin van het woord. Het boek Esther bevat toespelingen op de grote materiële welvaart van de joden in het perzische rijk. Wanneer Haman aan Ahasveros het voorstel doet, het joodse volk uit te roeien, voorkomt hij de verdenking dat 't hem om hun rijkdommen begonnen is door te beloven: "dan zal ik tienduizend talenten zilver afwegen en ter hand stellen aan hen wier werk het is die te storten in de schatkist van de koning" (Esther 3 : 9). Dit bedrag moest opwegen tegen de buit die behaald zou worden bij de afslachting (vs. 13). Ook Esther zelf raakt aan het financiële aspekt wanneer ze tot Ahasveros zegt dat als Haman's plan doorgaat, er een ramp zal geschieden, "die onder de verliezen des konings zijn weerga niet hebben zal" (7: 4). Uit het boek Esther blijkt dat een volk arm en verdrukt en aan het leven bedreigd kan zijn zonder dat 't in materiële zin gebrek heeft. Is dat trouwens niet een overwegende trek in het joodse lijden de geschiedenis dooi? De historie van het joodse volk lijkt me dan ook een recalcitrant gegeven voor de marxistische geschiedenisbeschouwing en het joodse volk de steen in de gehaktmolen waar de marxisten de wereldgeschiedenis in doen. De staat Israël zoals wij die tegenwoordig kennen moge socialistische regeringen verdragen, maar ik durf de bewering aan dat het principiële socialisme niet past bij het joodse volk. Het is er te persoonlijk voor.
Nooit zal hun menigte een massa worden. Te persoonlijk en ook te weinig cynisch om in een mechaniek der geschiedenis te geloven.
Om hier niet te lang bij stil te staan, het boek Esther lijkt me een goed medicijn voor degenen die de bijbelse antithese als klassen-strijd uitleggen.
De rijke als profeet
Terug nu naar mijn punt: de rijke als voorspraak en pleitbezorger van de armen en verdrukten. Een prachtig voorbeeld daarvan is de aristocraat Jesaja die het met zijn zesvoudig 'wee u' opnam voor zijn arme en verdrukte volksgenoten tegenover de dronken knoeiers die over hen te zeggen hadden (Jes. 5 : 8-24). Een goed voorbeeld is ook de haagse advocaat A. M. C. van Hall, die in de vorige eeuw voor de Afgescheidenen in de bres sprong en de kleinzielige maatregelen tegen hen in zijn pleidooien ontzenuwde.
Maar nu iets belangrijks. Waarmee dreigen deze pleitbezorgers als ze zich keren tegen de verdrukkers?
De verleiding is groot dat zij aardse macht tegenover aardse macht stellen. Want laten wij ons niet vergissen: er kan vandaag gesproken worden van de macht der armen.
Een arme is in 't algemeen machteloos, maar georganiseerde armen zijn dat niet. Eerlijk gezegd wantrouw ik vele hedendaagse pleitbezorgers der armen op dit punt. Ik hoop dat ik mij vergis, maar ik krijg niettemin de indruk dat deze profeten de stukken op het bord van de geschiedenis bekijken en dan tot de conclusie komen dat 't verstandig is op tijd de zijde der 'armen' te kiezen, en dat dus hun moed uiteindelijk berekening is. Arglistig immers is het hart boven alles zegt een profeet.
Waarmee dreigen wij als we de verdrukker de wacht aan zeggen? De profeten van de bijbel doen het met zo iets vreemds en oncontroleerbaars als het oordeel Gods. Ja, maar God werkt niet anders dan door mensen, liegt men tegenwoordig.
En zo is men àf van dat lastige woordje g-o-d. Zo kan men zeggen: 'god of de geschiedenis', zoals men een paar eeuwen terug 't had over 'god of de natuur'. Nee, "over hen dondert Hij in de hemel", zingt Hanna in haar lofzang (1 Sam. 2 : 10). Goed, ik ontken niet dat de Here daarbij gebruik maakt van menselijke tussen-schakels, maar niet altijd en als Hij 't doet, dan ook steeds zo dat ze van te voren niet aan te wijzen zijn.
Voor het machts-denken staat dus de profeet altijd in het luchtledige, in de on-werkelijkheid. Daarom neemt het ongeloof zijn dreigingen ook niet serieus. Zelfs het geloof heeft er moèite mee. Er is er uiteindelijk maar een die een protesterende profeet ernstig neemt en dat is God Zelf. En Hij is de Heer, die 't recht der armen, der verdrukten gelden doet. Rijke kerken en christenen als wij zijn - wij hebben ruimschoots de toerusting ontvangen tot deze profetische taak. Ik bedoel niet dat onze rijkdom een stok achter de deur van ons protest zou kunnen zijn - daar is die rijkdom trouwens ook niet indrukwekkend genoeg voor - nee, onze rijkdom is vóór alles dat wij deel uitmaken van een beschaving die ons in alle opzichten mondig heeft gemaakt. En deze mondigheid, deze mond kunnen wij effectief open doen ten bate van de stommen. Is dat dan ook niet onze plicht? Onze eerste taak: evangelie-prediking onder de armen, zien we wel. Maar onze tweede taak: profetisch opkomen voor hun rechten, profetisch de verdrukker bedreigen met het oordeel GODS, zijn we daarvoor in? Of zijn we te bang?
Balans
Het wordt tijd dat we de balans gaan opmaken van de bijbelse antithese in vergelijking met de nieuw voorgestelde van de klassenstrijd.
Zeker, de bijbel is het boek voor de verdrukten, althans voor hen met name. (Wanneer je zegt, zoals de materialistische exegeten doen, dat de bijbel ook het boek van de verdrukten is, dan loop je voorbij aan het feit dat het evangelie niet van of naar de mens is, maar door openbaring van Jezus Christus (Gal. 1 : 11,12)). Voor de armen en verdrukten dus. Maar daar moeten twee restricties bij. In de eerste plaats blijft een groot gebied van armoede en verdrukking buiten onze beschouwing, wanneer we het leven slechts materialistisch beschouwen.
Ik denk trouwens dat de materialistische exegeten dit ondanks hun naam (?) wel met mij eens zijn, getuige hun aandacht voor de feministische strijd. In de tweede plaats zouden georganiseerde armen door de macht van hun massaliteit wel eens tot de rijken kunnen behoren. Nadat we deze beperkingen hebben aangebracht, zijn we er nog niet, want aan de armen en verdrukten die wij zo met zorgvuldigheid opzoeken, brengen wij het evangelie der zaligheid in toets-woorden, waardoor schifting ontstaat en de ware arme te voorschijn komt die zich herkent in de naam Lazarus.
Maar 't is waar, deze Lazarus staat aan het einde van onze bemoeienis, we kunnen met hem niet beginnen.
Wij starten zo veel mogelijk bij de 'bruto' -armen.
En. wat de rijken betreft, zij staan met hun rijkdom niet van meet af aan in het verdoem-hoekje. Voordat wij met Jakobus de gesel over .hen heen halen ("Wel aan dan, gij rijken ... hfdst. 5: 1 v.v.) mogen wij ze eerst, ook met Jakobus, in de evangelische beweging betrekken: "Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid, maar de rijke in zijn geringheid, 1: 9, 10. Hem wordt de proef afgenomen of hij in Gods ogen, in vergelijking met de arme, gering wil zijn. Doorstaat hij deze proef, dan is zijn rijkdom niet met hem ten verderve; hij kan er barmhartig en milddadig mee zijn en verder kan hij zijn opvoeding, opleiding, positie, status, beschaving en invloed en dan ook nog zijn geld (waarom niet?) gebruiken om op gerichte wijze wat onrecht is hardop onrecht te noemen en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn onder het oordeel Gods te stellen.
Wanneer we als christelijke gemeente zo te werk gaan, zullen we merken dat de bijbelse antithese heensnijdt door rijk en arm, zonder dat wij kunnen zeggen dat zij met deze maatschappelijke tegenstelling niets te maken heeft. Maar de ware tegenstelling wordt die tussen wie God dient en wie Hem niet dient (Mal. 3 : 18), tussen geloof en ongeloof.