Zie, hier is uw God(slot)
1978-06-30
- Jaargang 22
- nummer 26
Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met al de heiligen, in staat zijn te vatten; hoe groot de breedte en lengte en hoogde en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.
Efeze 3: 17·19
Jaren geleden las ik een Engelse of Amerikaanse roman over een jonge huisarts, die, behalve de "gewone" patiënten, ook een ontstellend groot aantal mensen op zijn spreekuur ziet verschijnen die eigenlijk helemaal geen doktershulp nodig hebben, maar op de een of andere manier het leven niet aankunnen en bij wie de opgekropte onlustgevoelens en frustraties en spanningen zich uiten in allerlei vage lichamelijke klachten. En hij maar luisteren en recepten schrijven, één keer, tien keer, honderd keer.
Maar ondertussen gaat hij hoe langer hoe meer walgen van die vreemde troep, die hij niet begrijpt: wat zijn dat voor mensen, die nog niet eens gewoon leven kunnen, hun eigen problemen oplossen, door de moeilijkheden een weg vinden? Wat zijn dat voor mensen, die aan het leven kapot gaan?
Tot hij ontdekt - maar daar zit natuurlijk een hele geschiedenis aan vast - dat hij zelf er ook zo een is.
Dat hij het ook niet redt. Dat het wel een gammel stelletje mensen is, dat op zijn spreekuur verschijnt.
Maar dat hij bij dat stelletje hoort. Aan de kwalen, waaraan zij lijden, lijdt ook hij.
En als hij er dan eindelijk weer bovenop is, dan begint hij opnieuw aan zijn praktijk. En dan komen die zelfde mensen weer. Maar dan probeert hij echt te helpen. Niet meer van een afstand aankijkend tegen die vreemden, maar werkelijk als hunner één. Vandaar de titel van de roman: Niet als een vreemde.
Aan dat verhaal moet ik denken bij dit woord van Paulus: geworteld en gegrond in de liefde. Met dat woord duidt hij het eigenaardige, het essentiële van de gemeente van Christus aan. Als Christus door het geloof in jullie harten woning maakt, zegt hij, dan zijn jullie geworteld en gegrond in de liefde. En dan bedoelt hij niet: jullie, stuk voor stuk. Maar: jullie samen. Dan is jullie gemeente-zijn, jullie samenleving, verankerd in de liefde.
Wat bedoelt Paulus daarmee: de liefde?
Het is in elk geval duidelijk, dat hij de liefde die aan de gemeente haar bestand geeft in het nauwste verband brengt met de liefde van Christus. Door dat de gemeente staat in de liefde, gaat ze begrijpen wat de liefde van Christus is. Het is nl. de zelfde soort liefde. Want hoe heeft Christus ons liefgehad?
Niet als een vreemde. Niet van een afstand. Hij heeft ons niet "geholpen" zonder dat het hem zelf raakte. Nee, Hij heeft zich helemaal met onze nood vereenzelvigd. Onze nood was zijn nood. We gingen er aan kapot. En daarom ging Hij er aan kapot. Want Hij was één van ons.
Zó tekent Paulus dan ook de saamhorigheid in de gemeente. In dat bekende hoofdstuk, 1 Korinthe 12, waar hij de gemeente een lichaam noemt. En - zegt hij - zoals het in een "lichaam toegaat, zo gaat het ook in de gemeente toe: als één lid lijdt lijden alle leden mede. En als het één lid goed gaat, bloeien alle leden op. Want zó leven ze samen, Ze leven één leven. Ze zijn allemaal volstrekt betrokken bij het wel en wee van de ander. Want het is hun wel en wee.
Dat zie je dan ook in de gemeente te Jeruzalem. We kijken er van op als er staat: ze hadden alle dingen gemeen: daarom als er één gebrek had, dan stelde de ander zijn bezit ter beschikking.
Dat vinden wij opvallend: je huis verkopen om een ander gemeentelid aan geld te helpen. Maar wat wil je anders verwachten, als achter die gemeenschap van goederen iets anders zit: een gemeenschap van leven, een gemeenschap van verdriet en blijdschap. Ze hadden alle dingen gemeen. Dat wil niet in de eerste plaats zeggen: ze hadden alle bezittingen gemeenschappelijk. Maar: ze hadden alles wat ze beleefden gemeenschappelijk. Onder de ziekte van de één gingen ze allemaal gebukt. En de dood die één gezin trof verscheurde hen allemaal. Natuurlijk: ze stonden klaar om elkaar te helpen.
Maar dat was het eigenlijke nog niet eens. Het eigenlijke was: als de één iets verschrikkelijks overkwam, dan wist de ander geen raad meer. Als sommigen wanhoopten, dan werd dat de wanhoop van allen. Ze hadden alle goederen gemeen. Want ze hadden alles gemeen. Ze hadden maar één leven.
Zo beleef je nu het wonder van Christus' liefde. Alleen als je zó samenleeft - zegt Paulus - alleen dan zal je ook in staat zijn te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is. Van dát namelijk wat Christus tot stand brengt. Van wat dát is: een gemeente van Christus.
Zo alleen krijg je het door, hoe geweldig de dimensies zijn van Gods heil. Hoe intens de eenheid is die Hij onder mensen teweegbrengt. Hoe glorieus dat is en hoe verrukkelijk: samen te leven.
Dat zal je dan kunnen vatten. Maar dat kun je dan ook alleen maar samen met alle heiligen. Dat kun je nooit op je eentje. Dat kun je nooit als je wel bij elkaar op een hoop kruipt en een heleboel dingen voor elkaar doet, maar toch vreemden voor elkaar blijft. Dat kun je alleen maar als je samenleeft. Want in die intense, radicale samenleving met al de heiligen, juist daarin en daarin alleen neemt Gods heil gestalte. Laat God zichzelf zien. Zichzelf ervaren.
Alleen zo zal je de liefde van Christus kennen. Daarmee bedoelt Paulus niet een studeerkamerkennis, een theoretisch inzicht. Zelfs niet een kennis die je krijgt door alleen maar in de bijbel te lezen. Want het is een kennis die tot stand komt in de ervaring. Je kunt de liefde van Christus nooit "kennen", als je die niet ondergaat, ervaart, beleeft. En je ervaart de liefde van Christus alleen maar als je zelf geworteld en gegrond bent in de liefde. samen met al de heiligen.
We lezen en horen honderdduizenden woorden over Gods liefde. Maar wat helpt het ons als we die liefde niet ondervinden? Als we het niet te merken krijgen, dat God om ons geeft?
Maar dat is het dan ook juist. Je wordt zijn liefde gewaar als je het ondervindt, dat die anderen geen vreemden meer voor je zijn. Maar dat je samen hoort, onvoorwaardelijk en door alles heen samen. Eén lichaam. Eén nieuwe mens.
Dan, als jij kapot gaat aan het verdriet van de ander en als jij verrukt bent van blijdschap als die ander gezegend wordt, als jouw angst wordt meegedragen door de mensen om je heen en als het geluk dat God tóch voor jou doet bloeien de ogen van die anderen doet oplichten, dan ervaar je wat je zo graag ervaren wilt, en wat God je wil geven: zijn liefde. Dan ervaar je hoe geweldig het heil is van God.
En hoe heerlijk het leven is. Want het is echt: samenleven. Dan ervaar je hoe intens God van ons houdt. Want je beleeft het, hoe intens we van elkaar houden. Dan ervaar je dat. Niet op je eentje. Maar samen met al de heiligen.
En dan worden we samen vervuld tot alle "volheid Gods". Dat is een term die Paulus speciaal in deze brief gebruikt met het oog op de gemeente. Hij bedoelt: zo wordt Gods inwoning onder jullie volkomen.
Zo zal in jullie samenleving het woord vervuld worden: zie, hier is uw God.
Zo, als Jezus het gezegd heeft: een nieuw gebod geef ik u dat ge elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.
Hieraan zullen allen weten, dat ge discipel van Mij zijt, als ge déze liefde hebt onder elkaar.
Dat is het woord van Hem, die op het punt stond zich helemaal met ons te vereenzelvigen. Die zó bij ons hoorde, die zich zo onlosmakelijk aan ons verbond, dat onze dood zijn dood werd. En zijn leven ons leven. Niet als een vreemde. Maar als één van ons.
Hij is onze vrede (2 : 14). Daarom maakt Hij alle treurenden tot vredestichters (Matth. 5 : 4 en 9). En van die vredestichters, van hen die geworteld en gegrond zijn in de liefde, geldt: zij zullen kinderen van God genoemd worden. Want zoals zij, die kinderen, zijn, - zo is God.
En waar zij, die kinderen, zijn, dáár is God.
Om het met een kleine variant op de woorden van Huub Oosterhuis te zeggen:
Hij huwt ons, vreemden, aan
elkander,
zijn liefde gaat van mond tot mond.
Hij geeft zijn lichaam ons
in handen.
Zo leven wij zijn nieuw
verbond.