JEREMIA

1979-06-01
  • Jaargang 23
  • nummer 22
Een soortgelijke situatie ontstaat er in Jeruzalem. De Babyloniërs slaan een bres in de buitenmuur en stromen de stad binnen. Maar de tweede muur is nog intact en vormt nog een obstakel voor de Babyloniërs. Ze zijn nog geen meester van de hele stad.
Toch zijn de vooruitzichten voor Jeruzalem nu wel heel somber en zonder meer hachelijk. Alleen de grootste optimisten kunnen nog hopen dat de Babyloniërs verjaagd worden uit de veroverde stadswijk. Eigenlijk is die kans nihil. tenzij er een leger zou arriveren om de stad te ontzetten.
Maar waar zou dat leger vandaan moeten komen? Dat is de grote vraag.
En iedereen weet het antwoord: nergens vandaan! Zo'n ontzettingsleger is er eenvoudig niet.

Uitbraak
Men beseft in Jeruzalem dan ook dat het een verloren zaak is, ook al omdat de voedselvoorraden op zijn. Men geeft de moed op de stad nog te kunnen behouden en ziet nog slechts één uitweg: een poging om uit te breken en een gebied te bereiken waar men een soort guerilla-bestaan kan opbouwen.
Die poging wordt ondernomen. In de nacht volgend op de dag waarop de Babyloniërs een bres in de buitenmuur geslagen hadden, ontvlucht Zedekia met een aantal van zijn manschappen de stad.
Op een bepaald punt lagen de buitenmuur en de binnenmuur zo dicht bij elkaar, dat ze door een poort met elkaar verbonden waren. Die poort vormde een soort sluis van de binnenmuur naar de buitenwereld.
Wanneer de vijand het stadsgedeelte tusen de buiten- en binnenmuur veroverd had, kon men via deze sluis contact met de buitenwereld bewaren.
Die poort was speciaal met het oog op een dergelijke situatie gebouwd en kon ook als vluchtroute gebruikt worden.
Je ziet hen gaan in het donker. Soldaten en officieren verlaten behoedzaam hun stellingen bij de binnenmuur.
Sluipend en fluisterend, om geen lawaai te maken en de wachtposten van de Babyloniërs niet te alarmeren, verzamelen ze zich bij de koninklijke tuin in het zuidelijke stadsgedeelte, waar ook de sluispoort gelegen was. Daar voegt Zedekia zich bij hen met zijn zonen en zijn gevolg en zijn ministers. Ze openen de sluispoort en in doodse stilte trekken ze erdoor.
Ze zijn gespannen. Zouden de Babyloniërs het merken? Zou hun vluchtpoging in de kiem gesmoord worden?
Of zouden ze de kans krijgen te ontsnappen?
Het schijnt te lukken. Aan het andere einde van de poort staan de Babyloniërs hen niet op te wachten. Geen van hun wachtposten slaat alarm. De koning en zijn mannen slagen erin de weg naar de Vlakte, dat is de weg naar Jericho, te bereiken. En dan gaat het in ijltempo verder. Dat wil zeggen: voorzover het donker en hun door voedselgebrek verzwakte conditie een ijltempo toelaten.

Wraak
Toch is hun vlucht niet geheel on opgemerkt gebleven. De Babyloniërs krijgen er toch lucht van en zetten de achtervolging in. Zedekia en zijn mannen hebben een voorsprong. Maar vlakbij Jericho worden ze ingehaald.
Zedekia's legertje wordt in de pan gehakt. En hijzelf wordt met zijn zonen en ministers gevangen genomen.
Ze worden naar Ribla gebracht, ruim 300 km ten Noorden van Jeruzalem.
Want daar bevindt zich het hoofdkwartier van Nebukadnezar.
Zedekia wordt voor hem geleid. Nebukadnezar zal vonnis over hem vellen.
Want voor hem is Zedekia een rebel, een opstandeling, een revolutionair.
Hij heeft het verbond met' Nebukadnezar, dat hij met een eed bekrachtigd had (vgl. Ezech. 17), verbroken.
Hij is in opstand gekomen.
En bovendien had hij het gewaagd het babylonische leger te weerstaan, liefst anderhalf jaar lang. Dat zijn dingen die een machthebber als Nebukadnezar niet ongestraft laat passeren en waarbij hij hard en genadeloos toeslaat.
Dat gebeurt ook. Nebukadnezar geeft bevel dat Zedekia's zonen voor diens ogen ter dood gebracht moeten worden.
Dat was een gruwelijk vonnis.
U moet u even realiseren, dat dit het laatste was dat Zedekia te zien krijgt in zijn leven. Dat beeld dat zijn zonen een voor een gedood werden, werd nooit meer door andere beelden verdrongen. Want onmiddellijk daarna werden zijn eigen ogen verblind.
En dan wordt hij, met koperen ketenen geboeid, naar Babel gebracht, als een gevangene. En alle vorsten van Juda, die Zedekia hadden overgehaald tegen Babel in opstand te komen, worden in Ribla gedood.
Zo neemt Nebukadnezar wraak.

Jahweh's oordeel
Toch is niet alleen Nebukadnezar hier aan het werk. De HERE zelf voltrekt zijn oordeel over Zedekia en Jeruzalem. Een oordeel dat Hij al jarenlang aangekondigd had en waarvoor Hij ook jarenlang gewaarschuwd had. Want Gods oordeel is geen onontkoombaar noodlot. Het had anders kunnen gaan met Zedekia en Jeruzalem, als ze geluisterd en zich bekeerd hadden. Omdat ze dat niet deden, breekt het oordeel los en wordt het voltrokken.
Daarbij is Nebukadnezar Jahweh's instrument.
Ook dat moeten we niet in fatalistische zin verstaan. Want Nebukadnezar behoudt daarbij zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij is wel Jahweh's instrument, maar niet Jahweh's robot. Een robot draagt geen verantwoordelijkheid, maar Nebukadnezar wel. Hij is verantwoordelijk voor de wijze waarop hij Jahweh's oordeel voltrekt.
Daarbij is hij overmoedig geworden tegen de HERE (50: 29).
Daarom zal Jahweh's oordeel ook over Babel komen.
Maar nu is het nog niet zo ver. Nu komt het over Zedekia en Jeruzalem.
Wie Gods Woord verwerpt en naast zich neerlegt, kan niet aan dat oordeel ontkomen. Gods arm is altijd langer dan ons verzet. Ons verzet loopt er altijd op stuk. We kunen wel proberen het te ontlopen en daarbij misschien zelfs wel tot Jericho komen.
Maar er komt altijd een moment waarop God ons op onze vlucht inhaalt.
Het oordeel wordt ook over Jeruzalem voltrokken. De stad wordt geheel door de Babyloniërs veroverd. Ze wordt nog niet onmiddellijk verwoest, maar alleen bezet. De verwoesting volgt een maand later (vgl. 52 : 6 met 52 : 12). Dan arriveert nl. Nebuzaraden, de bevelhebber van Nebukadnezars lijfwacht, met persoonlijke instructies van de koning. De tempel en het paleis van Zedekia en alle huizen der aanzienlijken worden verbrand.
En de muren van de stad worden grondig gesloopt. Alles wat er van Jeruzalem overblijft, is een geteisterde, ontmantelde stad vol puinhopen, waar alleen nog wat armoedige huizen overeind blijven staan. Als een bulldozer scheurt het Babylonische leger de flanken van de stad open, trekt er verwoestend en verpletterend doorheen en laat haar zieltogend achter.

Verwoeste tempel
Ook de tempel, het huis van Jahweh, wordt dus verwoest. Hoewel Jeremia dat herhaaldelijk in het vooruitzicht had gesteld, had men nooit willen geloven dat het werkelijk gebeuren kon. Want de tempel was nu juist de grote basis van hun vertrouwen. De aanwezigheid van de tempel garandeerde de aanwezigheid van Jahweh, dacht men. De tempel garandeert ons behoud. Een stad waarin het huis van Jahweh staat, kan niet ondergaan. Dat kàn Jahweh gewoon niet toelaten.
Daarmee zou Hij zichzelf blameren.
Maar het kon wel. Want Jahweh's zegenende aanwezigheid wordt niet gegarandeerd door een gebouw of een instituut of godsdiensitge handelingen, maar is alleen maar reëel in de weg van geloofsgehoorzaamheid.
Zo is Christus' zegenende aanwezigheid in onze kerkdiensten ook geen automatisch gevolg van het feit dat de regen er wordt uitgesproken, dat er wordt gebeden en dat Gods Woord er gelezen wordt. Wanneer het zo zou zijn dat een gemeente God maar laat praten, mag ze niet op zijn zegen rekenen.
Als men ruimte geeft aan haat en nijd of blijft wrokken of oneerlijk is in zaken of welke andere zonden dan ook blijft vasthouden, is God niet zegenend aanwezig in zo'n gemeente, ook al wordt de zegen er uitgesproken en ook al wordt er gebeden.
Zo was het in Jeruzalem. Omdat Jahweh in de dagelijkse levenspraktijk geen plaats had, daarom was Hij niet zegenend en beschermend en reddend rn hun midden. Daarom was ook de tempel geen garantie voor de veiligheid en voor het levensbehoud van de bewoners van Jeruzalem. Want God kan niet worden opgesloten. Hij kan niet worden gekooid in een gebouw en niet worden vastgepind aan liturgische handelingen. Gods aanwezigheid en Christus' zegen worden alleen gerealiseerd in de weg van geloof. En geloven is geen vrijblijvende, theoretische zaak, maar het concrete doen van Gods geboden.
Omdat het aan dat geloof ontbrak, was Jahweh niet in hun midden. Omdat men niet op die manier wilde geloven en geloof voor hen niet meer inhield dan een brok vrome godsdienstigheid en het vervullen van godsdienstige plichten, werd de tempel een waardeloos gebouwen voltrok zich ten langen leste Gods oordeel.
Ten langen leste. Want niemand zal kunnen ontkennen, dat God eindeloos geduld heeft gehad.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief