HET HUIS MET DE BOVENZAAL

1979-06-08
  • Jaargang 23
  • nummer 23
De uitstorting van Gods Geest op de gelovigen begon ergens in Jerusalem.

Maar waar ergens in Jerusalem?
Soms wordt gedacht, ook wel gezegd, dat al die belangrijke feiten uit de heilsgeschiedenis in of nabij de tempel plaats vonden. En inderdaad zei de Heiland eens, dat Hij "dagelijks in de tempel was". Natuurlijk niet binnen de tempel - daar kwamen geen kinderen van Juda, alleen kinderen van Levi. Maar wel in de zuilengang van Salomo heeft de Heiland veel vertoefd.
Na de aankondiging van de ondergang van deze tempel bleef Hij echter met zijn leerlingen meest buiten het tempelterrein, op particuliere grond. En daarbij speelt een huis met een bovenzaal een belangrijke rol.
Laten we dat eens nalopen. Die bovenzaal komt u eerst tegen bij het paasmaal - dan bij Christus' verschijningen - daarna bij de uitstorting van de Geest - en tenslotte bij de bevrijding van Petrus uit de gevangenis.
Laten we eens aannemen dat met die vier bovenzalen een en dezelfde bovenzaal is aangeduid. Misschien vinden we bij onderzoek wel goede gronden voor deze veronderstelling. In dat geval kunnen we het huis met de bovenzaal nauwkeurig localiseren.

U herinnert zich dat Jezus zijn jeugd in Nazareth doorbracht, maar in latere jaren in Kapernaum woonde. Beide plaatsen liggen in het Noordelijke Galilea; daar koos Hij ook zijn leerlingen, de Galilese mannen.
Toen zijn eindfase inzette trok Jezus echter met zijn discipelen naar het honderden kilometers Zuidelijk gelegen Jerusalem, in Judea. Want het kwam niet te pas 1) dat een profeet buiten Jerusalem gedood zou worden, zei Hij.

Twee dagen voor het laatste paasmaal, toen de grond in Jerusalem "heet werd, was Jezus met zijn leerlingen in Bethanië. Dat is en klein dorp, Oostelijk van Jerusalem, daarvan slechts door de Olijfberg gescheiden.
We weten dat Jezus daar graag kwam: Hij had er vrienden uit Galilea wonen. Vanuit Bethanië ziet u vandaag de grote gebouwen van Jerusalem in het Westen liggen.

Jezus was daar dus twee dagen voor Pasen 2). Hij gebruikte het maal bij Simon, de gewezen Melaatse. En de volgende dag, de dag voor Pasen, was Hij nog niet in Jerusalem terug. Want toen zijn leerlingen Hem vroegen, waar ze het door Mozes voorgeschreven paasmaal zouden houden, stuurde Hij enkelen "naar de stad" 3). Om daar een "bovenzaal" klaar te maken. Hij noemde geen naam - was de grond niet heet in Jerusalem? - maar gaf een herkenningsteken: een man met een kruik. De opdracht is uitgevoerd en in de namiddag - want Pasen begon op de avond ging de Heiland met zijn andere leerlingen hen achterna.
De wandeling duurde geen uur. Bovendien behoefde men niet door de stad zelf te gaan, maar kon voor de stadsmuur linksaf, het Kidrondal volgen, tot de Sionsberg. Boven op die kleine heuvel ligt vandaag nog de "cenakel", de plaats die wordt aangeduid als de zaal van het laatste avondmaal. Nu staat er een middeleeuwse kruisvaarderskerk, waar in Jezus' dagen een particuliere woning heeft gestaan 4).

Een huis met een bovenzaal - zouden er veel geweest zijn? Want die bovenzaal bood ruimte voor dertien man: geen staanplaatsen, geen zitplaatsen, maar ligplaatsen! En er waren nog meer plaatsen, er was ruimte voor "velen". Zulke huizen vindt u gewoonlijk niet binnen de stadsmuren - daarvoor moet u buiten de stad zijn. En toch te Jerusalem?

Jawel, de Sionsberg heette Jerusalem, maar in werkelijkheid ligt hij onmiddellijk ten Zuiden van de stad, tegenover de Sionspoort. Veilig: uitzicht naar alle kanten en gelegenheid om weg te komen, wanneer gezagsdienaars de berg zouden opkomen. Alleen buiten de enge stadsmuren is dat denkbaar: een fors huis, met ruimte voor vergaderingen en met een dienstmeisje 5).
Met dat dienstmeisje lopen we even op de zaak vooruit. U moet denken aan Petrus, die op wonderlijke wijze bevrijd werd uit Jerusalem's gevangenis.

U weet wel: Herodes Agrippa had Jacobus, de broer van Johannes, ter dood gemarteld om de orthodoxe Joden een genoegen te doen. Nu was Petrus, de leider van de Jerusalemse christenen, aan de beurt. De gemeente was samengekomen en was aan het bidden voor het behoud van haar voorganger. Haar gebed werd verhoord: Petrus werd door een engel buiten de gevangenis gebracht. Hij dacht te dromen, maar toen hij tot zichzelf kwam wist hij meteen waar heen te gaan: naar buiten de stad, naar een huis met een bovenzaal, waar hij ongetwijfeld de vrienden zou vinden. En ja, Petrus klopte aan het bekende adres, de dienstbode Roosje deed het luikje open, herkende Petrus, vergat van verwondering de deur te openen en ging het binnen vertellen. Pas toen mocht Petrus binnenkomen,
kon zeggen dat hij vrij was en meteen ging onderduiken 6). Hij gaf instructies voor Jacobus, de broer van de Heiland. Dat alles gebeurde in het jaar 44 nC, dus ongeveer 10 jaar na het laatste paasmaal.
En nu is de plaats van het bovenhuis te noemen: het huis van Johannes Marcus. Eigenlijk van diens moeder Maria.

Terug in de geschiedenis: tot de dagen na Jezus' kruisdood. De Heiland is enkele malen te Jerusalem aan zijn discipelen verschenen. Ze waren in het geheim bijeen, de deuren op slot, bang voor vervolgingen 7). Maar de Heiland wist ze te vinden op het bekende adres; ook de beide mensen uit Emmaüs wisten ze daar te vinden. De volgende week opnieuw, hetzelfde adres. Welk adres? Een huis met voldoende ruimte voor zo'n groot gezelschap, dus buiten de stadsmuren. Denkt u ook niet aan de bovenzaal, waar het paasmaal was gehouden, de vorige week?

Dan - na de bevolen tocht naar Galilea 8) - kwamen ze terug naar Jerusalem."
Daar hebben ze met de Heiland gegeten en het bevel ontvangen om bij elkaar te blijven voor de eerstdaags komende Geest. Na de hemelvaart, die vlak bij de Olijfberg plaats vond, zijn ze weer bijeen gebleven, te Jerusalem. Waar precies? In "de" bovenzaal, waar ze gewoonlijk verbleven 10). Dat waren de leerlingen, met Maria en de vrouwen; en wellicht ook de huiseigenaars, Johannes Marcus en zijn moeder Maria.
In die dagen heeft voorganger Petrus voorgesteld de vacature-Judas op ordelijke wijze aan te vullen. Als het in de bovenzaal op de Sionsberg is geweest, had men uit het raam een blik op de Akeldama, de bloedakker.
Tussen die akker en de bovenzaal staat vandaag de "kerk van het hanengekraai": daar moet Judas zijn laatste acte hebben beleefd. Alles op enkele minuten afstand - geen wonder dat Judas in hun hoofden bleef rondwaren.

En dan kwam pinksteren. Ze waren weer "allen bijeen op dezelfde plaats" 12). Welke plaats? De bovenzaal, waar ze gewoonlijk "verblijf hielden". En op die plaats gebeurde het wonder van de vlammen, de stormwind, het spreken in vreemde talen. De schuilkerk werd openbare kerk: de geluiden drongen naar buiten, trokken de aandacht van anderen.

Als een lopend vuur ging het de Sionspoort door, de stad binnen. Daar was veel volk op straat, buitenlandse Joden die met pinksteren naar Jerusalem waren gekomen. Ze kwamen er op af en hoorden hun eigen taal spreken! Het omgekeerde van Babels spraakverwarring vond plaats: de misverstanden vielen weg, men begreep elkaar. Dit was van de Heere alleen.
Er was geen schuilhouden aan. De kerk liet van zich spreken, barstte de bovenzaal uit. Want hoe fors die zaal ook was - Petrus met de elven moesten naar buiten 13) om de samengestroomde menigte te woord te staan, bereid om verantwoording af te leggen van de Geest die in hen was.
Een dag om nooit te vergeten. De geheime kerk had geen vrees meer voor de ortholoxie - de "kerkleiders" hielden zich stil en drieduizend mensen sloten zich aan bij de orde-van-Christus.

Toen zei Petrus in zijn machtige pinksterrede iets, dat we niet voorbij moeten gaan. Hij sprak van David, die in psalm 16 de opstanding uit de dood had bezongen. En hij zei: dat beweerde David niet van zich zelf, want we weten allemaal dat David wèl gestorven en begraven is en ... we staan boven op zijn graf.

In onze vertaling staat "zijn graf is bij ons tot op deze dag" 14). Maar in het Grieks moet staan: ónder ons, onder onze voeten. En nu blijkt de bovenzaal inderdaad op de Sionsberg te liggen. Want David had zijn paleis, de "stad Davids", op de berg Sion, even ten Zuiden van Jerusalem.

En David is daar op die Sionsberg begraven 15). In Petrus' dagen wist iedere Jood het graf van David te liggen: een nationaal mausoleum als van koning David overleefde alle eeuwen, alle verwoesters, van Titus en Hadrianus af tot de Arabieren en de Turken toe. Dat graf is nog bekend in Jerusalem - elke gids kan het u wijzen: onder de "cenakel".

Ziet u wel dat het niet absurd is, de verschijningen van de Heiland, zowel als de uitstorting van de Geest, als het laatste paasmaal, alle in dezelfde bovenzaal te localiseren? Sinds de middeleeuwen, of eigenlijk reeds eeuwen langer, zijn die plaatsen als één plaats aangewezen. Het huis van Johannes Marcus' moeder Maria.

Tenslotte: wie was die Johannes Marcus ook weer? Hij was een leerling van Petrus 16), door Paulus aanvankelijk meegenomen op zendingsreis 17), maar later door deze losgelaten 16), daarna toch in bescherming genomen 19), als medewerker aanvaard 20) en zeer gewaardeerd 21). De schrijver van het Evangelie. Hij heeft als jongen alles van het begin af gezien en gehoord. Hij woonde met zijn moeder in het huis met de bovenzaal.

1) Luc. 13 : 33 - 2) Marc. 14: 3 - 3) id. 14: 15 4) v.d, Heyden en Gafni, "Kijk op Jerusalem", 1978 - 5) Hd. 12: 12 - 6) id .12: 17 - 7) Joh. 20: 19 8) Mtt. 28: 10; 28: 17; Joh. 21 : 14 - 9) Hd. 1 : 4,9 - 10) Hd. 1: 13 _ 11) Hd. 1 : 15 - 12) Hd. 2 : 1 - 13)Hd. 2 : 14 - 14) Hd. 2 : 29 - 15) 1 Kon. 2 : 10 - 16) 1 Petr. 5 : 13 - 17) Hd. 12 : 25 - 18) Hd. 15 : 37 - 19) Col. 4: 10 - 20)Filem. : 24 - 21)2 Tim. 4 : 11.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief