JEREMIA

1979-06-08
  • Jaargang 23
  • nummer 23
Gods vergelding
Het gros van de bewoners van Jeruzalem werd bij elkaar gedreven en op transport gesteld naar Babel. Alleen de allerarmsten mochten temidden van de puinhopen achterblijven. Aan hen gaven de Babyloniërs de akkers en de wijngaarden rondom Jeruzalem en in Judea. Want de Babyloniërs hadden er natuurlijk niets aan als het land zou verwilderen. Het was ook in hun belang, wanneer de landbouwproduktie op peil bleef. Bovendien zouden ze die allerarmsten aan zich verplichten door hen in het bezit te stellen van de akkers en wijngaarden.
Politiek gezien was dat niet eens zo slecht bekeken.
Zo waren de allerarmsten van het volk de enigen die erop vooruit gingen.

Vóór de komst van de Babyloniërs waren zij de vernederden en vertrapten en verdrukten en hadden ze te lijden onder het optreden van de rijken (vgl. Ezech. 22: 7, 29). Nu waren de rollen omgekeerd. De rijken werden als berooide gevangenen naar Babel gevoerd. En de armsten werden de eigenaars van de akkers en de wijngaarden.
Dat was een goede zet van de Babyloniërs.
Maar toch is er ook iets in aanwezig van het patroon van Gods handelen. Denkt u maar eens aan het lied van Hanna (1 Sam. 2) en de lofzang van Maria (Luc. 1): hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Dat gebeurt hier letterlijk. De rijke Jeruzalemse grootgrondbezitters, die door de luxe waarin ze geleefd hadden, verwekelijkt waren, die altijd op hun wenken bediend waren en die gewend geweest waren hun ondergeschikten bevelen te geven en uit te schelden, lopen nu met een schamel bundeltje kleren op hun rug over de stoffige bergwegen te sjokken, opgejaagd en uitgefoeterd door babylonische soldaten. Zij zijn alles kwijt.

Maar de armen weten niet wat hun aangaat. Zij zijn ineens de bezitters van akkers en wijngaarden.
Daar zit iets van Gods vergelding in.
De rollen worden omgekeerd. Dat impliceert nog niet zonder meer, dat God restloos aan de kant van deze armen staat. Of dat het geval zal zijn, hangt af van de vraag wat zij nu met deze nieuwe situatie gaan doen en hoe ze die verwerken. Daar krijgen we in het vervolg nog wel wat over te horen.

In ieder geval zit er op dit moment iets van Gods rechtspraak in.
Hij doet de armen wier rechten zo lang geschonden zijn, nu recht wedervaren.
In de miserabele omstandigheden waarin de rijken nu verkeren, ligt mee een oordeel over de verdrukking van de armen, waaraan zij zich schuldig gemaakt hadden.

Een nieuw begin maken

Tussen de voortsjokkende, geketende ballingen loopt ook Jeremia. Dat was niet de bedoeling. Nebukadnezar had via overlopers en mensen die gehoor gegeven hadden aan Jeremia's oproep, het nodige over Jeremia gehoord. Hij wist van zijn doorlopende oproep zich aan de Babyloniërs over te geven.
Daarom had hij bevel gegeven, dat Jeremia in vrijheid gesteld moest worden.
Dat was ook gebeurd. Onmiddellijk na de verovering van Jeruzalem was Jeremia uit de gevangenhof bevrijd.
Maar toen een maand later de bevolking werd samengedreven voor het transport naar Babel, hadden de babylonische soldaten die hem niet kenden en die ook de beschikking van Nebukadnezar niet kenden, hem bij de grote hoop gegooid en hem mee op transport gesteld naar Babel.
Maar op de een of andere manier komt Nebuzaraden, die van Nebukadnezar de opdracht gekregen had Jeremia vrij te laten, erachter. De ballingen zijn dan inmiddels al op transport gesteld en bevinden zich bij Rama, ongeveer 8 km ten Noorden van Jeruzalem. Jeremia wordt bij Nebukadnezar gebracht. En uit hetgeen deze tot Jeremia zegt, blijkt dat de Babyloniërs nauwkeurig op de hoogte zijn van Jeremia's prediking.
Jeremia krijgt de vrije keus. Hij mag meegaan naar Babel en daar zal hij dan de persoonlijke bescherming van Nebukadnezar genieten. Maar hij mag ook in Juda achterblijven. Dan moet hij zich bij Gedalja voegen, die door Nebukadnezar als stadhouder over Juda was aangesteld. Jeremia kiest voor het laatste en gaat naar Mizpa, ongeveer 4 à 5 km ten Noorden van Rama, waar Gedalja residentie had gekozen.
Het oordeel van de HERE heeft zich voltrokken. Maar ook midden in het oordeel blijft de HERE zijn verbond gedenken en maakt Hij niet radicaal een einde aan zijn volk. Een rest blijft in Juda achter. En die rest is niet verstoken van Gods Woord. Want Jeremia is bij hen. Zij kunnen nu een nieuw begin maken. Dat kan nl. bij puinhopen. Juist daar kun je helemaal opnieuw beginnen.
Gods oordeel is verschrikkelijk. En het doet pijn als alles in puin geslagen wordt. Maar voor wie de stem van de HERE verstaat en zich erdoor laat gezeggen, kan het grote vrucht dragen.
De vraag waarvoor de achtergeblevenen nu staan, is: wat doen we met de puinhopen? Leiden ze ons tot vernieuwing?
Of proberen we toch op de oude voet door te gaan? Wanneer we bij kerkelijke puinhopen staan, zijn dat dat de centrale vragen. Willen we ons laten vernieuwen? Of haken we toch weer naar het oude? Willen we dat toch niet loslaten?

JEREMIA 30: 18-22

Tegen de draad in?

Jeremia staat bekend als een profeet die een onafgebroken stroom van oordeelsaankondigingen over het volk Israël heeft uitgesproken. Maar de hoofdstukken 30-33 dragen duidelijk een ander karakter. Ze bevatten een belofte van herstel.
Deze hoofdstukken stammen uit de tijd vlak voor of vlak na de val van Jeruzalem. In de hoofdstukken 32 en 33 vinden we een duidelijke tijdsaanduiding.
In de hoofdstukken 30 en 31 ontbreekt die. Maar er bestaat naar de inhoud zoveel overeenstemming met de beide andere hoofdstukken, dat ze wel uit dezelfde tijd zullen stammen.
Die tijdsomstandigheden zijn trouwens bijzonder veelzeggend, Eindelijk begint het tot de mensen in Jeruzalem door te dringen, dat het er hopeloos met hen voorstaat en dat de Babyloniërs vandaag of morgen de stad zullen veroveren. En het is geen plezierige zaak om te denken aan wat er dan met hen gebeuren zal. Misschien is op het moment dat Jeremia de profetieën van hoofdstuk 30 uitspreekt, het onheil al geschied. Misschien is Jeruzalem al gevallen. Ik voel er het meest voor de hoofdstukken 30 en 31 te dateren in de korte tijd tussen de val van de stad en het begin van de deportatie. Hoe dat zij, in ieder geval is er een noodsituatie. En dan komt Jeremia met heilsbeloften.
Je eerste reactie is: die man gaat ook altijd tegen de draad in. Toen alles nog goed ging en er geen vuiltje aan de lucht was, heeft hij alleen maar onheil en ondergang aangekondigd.
Toen alle profeten zeiden: vrede, vrede, geen gevaar! zei hij: schrik van rondom! De vijand uit het Noorden komt! Toen schilderde hij alles zwart en onheilspellend af. Maar nu de situatie werkelijk somber is, nu iedereen in zak en as zit en er werkelijk reden voor pessimisme is, hangt hij mooie verhalen op en doet hij opgewekt.
Zulke mensen zijn er. Ze gaan altijd tegen de draad in. Als iedereen tevreden is en het goed naar de zin heeft, doen ze niets anders dan kritiek spuien en zwartgallig zijn. Maar als iemand het niet meer ziet zitten en iedereen de moed heeft laten zakken, doen zij alsof daar geen enkele reden voor is. Altijd zijn ze in de contramine.
Daar leven ze van. Is Jeremia ook zo'n figuur?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief