In de nood leer je je vrienden kennen (2)

1979-06-15
  • Jaargang 23
  • nummer 24
Juist in de nood gebeurt het: dan kun je er niet mee ophouden, in God te geloven. Hij vertost ook als het niet meer kan.
Dat betekent ook: in de nood wordt je geloof hoe langer hoe meer echt geloof. Dan is er geen enkele ruimte meer voor alles wat wel op geloof lijkt, maar het daarom nog niet is. Dan leer je door alles wat je te verduren krijgt echt gelóven. Zoals Jezus, die - zegt het nieuwe testament ergens gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen hij heeft ondervonden: Dan wordt je geloof beproefd. En dan wordt je hoop beproefd. Die wordt zuiverder en radicaler: echte hoop. Hoop op God.
Geen hoop op de kansen die jij nog wel ziet. En zelfs geen hoop omdat jij - ondanks alles wat je overkomt - er toch wel tegen kunt.
En dat je echt niet omver te krijgen bent. Maar hoop op Hem, die jou draagt als jij valt en die jou vasthoudt als jij niets meer kunt vasthouden, zelfs Hem niet. Hoop op God, die jou toch in zijn handen houdt als jij geen vinger meer kunt uitsteken. Die zelfs als jij dood bent nóg zegt: ik ben zijn God; en ik ben niet een God van doden maar van levenden.
Dat is nu een hoop waarmee je niet bedrogen uit komt.
Je kunt hopen op van alles en nog wat. Maar ben je er ooit helemaal zeker van dat je je niet vergist?
Moet je niet altijd zeggen: ik hoop het, maar ...

Van God hoef je dat nooit te zeggen: ik heb wel op Hem gehoopt, maar ...
Waarom niet?

Omdat - zegt Paulus - de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is.

Dat is - alweer - niet een zin zin uit een theologisch leerboek.

Dit is wat Paulus zelf ervaren heeft.

De God op wie hij hoopt is een God die van hem, Paulus, houdt.

En die dat hem heeft laten merken en doet gewaar worden.

Want als Paulus het heeft over de liefde van God, - natuurlijk, dan denkt hij aan wat er - buiten hem om - gebeurd is. Dan denkt hij aan Jezus' dood en opstanding.
Maar dan denkt hij er ook aan dat deze God hem, Paulus, tegen alles in heeft weten te bereiken.
Tegen alles in. Want op de weg naar Damascus heeft God met zijn liefde hem ingehaald en heeft God hem met zijn liefde aangeraakt en overstroomd. God heeft zijn liefde in Paulus' hart uitgestort.
Dat is wat anders dan dat God er over gepraat heeft. Wat anders dan dat God alleen maar zegt: kijk maar eens naar de dood en de opstanding van Jezus. Nee, God heeft Paulus liefgehad. Hij is toen, bij Damascus, met de warmte van zijn liefde bij die vijand, Paulus,
binnengedrongen, zodat Paulus het wel ondergaan, ervaren moest: ja maar Hij houdt van me.
En sindsdien is dat een alles doorgloeiende realiteit voor Paulus: God houdt van me. Dat is het enige wat telt, wat me overeind houdt.
Dat Hij van me houdt, dat is alles.
Daar kan niets tegen op. Daar kan niets tussenkomen. Daar kan geen nood en geen benauwdheid iets aan veranderen. Want ik ben er zeker van - zegt hij in hoofdstuk 8 - dat noch dood noch leven, noch heden noch toekomst, noch hoogte noch diepte, of wat dan ook maar me zal kunnen scheiden van de liefde van God.
En hier - in hoofdstuk 5 - gaat hij eigenlijk nog verder. Want hier zegt hij: al die dingen, die vreselijke en vernielde dingen die maar over me heen komen en waar ik niet tegen op kan, - ze kunnen me eigenlijk alleen maar dichter brengen bij dat ene: de liefde van God. Juist als het leven en de dood me te pakken hebben, als de pijn van vandaag en de vrees voor morgen me te machtig worden en dat gebeurt! - juist dan doet God me dat des te meer weten, des te vaster geloven, des te zekerder zeggen: ja, maar God houdt van me.
Gelukkig, daar gaat niets van af.
Gelukkig, daarom heb ik altijd goede moed. Gelukkig, juist als alles wankelt, blijft dat overeind staan. Gelukkig, juist in de leegte weet God me te bereiken. Juist in de barre kou merk ik de stralende warmte van zijn hart dat voor me klopt, voor zijn armen die Hij om me heen slaat, van zijn ogen die me naar Hem toetrekken, zo dat ik Hem werkelijk zie, echt zie: Hij houdt van me. En dat blijft.
We roemen in verdrukkingen.
Is dat niet hetzelfde als wat Job tenslotte zei? Na alles wat hem overkomen was, na heel die bittere ervaring van: niets meer over te houden en systematisch fijngemalen te worden en geen enkele hoop meer te hebben. Juist toen kon dat woord er uit komen: Gelukkig, slechts van horen zeggen had ik van u vernomen, maar nu heeft mijn oog u aanschouwd.
In de nood leer je je vrienden kennen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief