Verbinding verbroken?

2012-04-28
  • Jaargang 56
  • nummer 9
Ze stond wat verscholen bij de kapstokken in de hal van onze kerk. Ik zocht mijn jas en reikte langs haar heen, terwijl ik – eigenlijk wat automatisch – naar haar glimlachte en vroeg: ‘Bent u nieuw hier?’ Gek, dacht ik meteen, ik blijf ‘u’ zeggen tegen voor mij vreemden, ook al zijn ze duidelijk jonger dan ikzelf.
Ze glimlachte niet terug, maar keek me wel aan. ‘Ik ben geen lid’, zei ze. ‘Als u dat bedoelt.’ Moeilijk gesprek! riep een stem in mijn hoofd, maar ik liet me niet uit het veld slaan.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet meteen’, zei ik en nu lachte ik hardop. ‘Maar ik ken u niet, ik heb u nooit eerder gezien en ik dacht …’ ‘U dacht: vangen’, zei ze. Nu lachten we allebei.
En er ontspon zich een heel gesprek, daar bij die kapstokken.

Aan dit voorval moest ik terugdenken toen ik nadacht over het thema ‘verbinding’ – dat in dit nummer van Opbouw op verschillende manieren naar voren komt. Wat is dat toch met dat woord, maar vooral: wat betekent het als het gaat om de kerk? Waarom zitten er vaak zo veel haken en ogen aan, naar het lijkt? Uit het gesprek van destijds – dat ik hier verder niet uit de doeken zal doen – werd één ding heel duidelijk. Er was een erfenis, bij ons allebei. Heel verschillende erfenissen, dat wel, maar op een bepaalde manier ook wel weer zo verwant dat we elkaar na een halfuur aankeken en zeiden: ‘Het was goed om je te spreken. Dank je wel!’ We waren geen vreemden meer voor elkaar.

Die ene, rechte lijn
Ik was een kind, in de jaren zestig.
Een gedoopt kind, net als mijn broers en zus. Ik zeg dat erbij omdat het belangrijk was, daar waren mijn ouders heel duidelijk over. Je hebt een zegel op je voorhoofd, zei mijn moeder wel eens, als een argument dat geen tegenspraak verdroeg. En dat begreep ik ook, zo jong als ik was. De doop was een soort brandmerk: voor altijd van God. Best mooi. De plek van de kerk was daarmee verwant.
Mijn ouders hadden zich (een) weg gevochten uit een kerk die die doop anders opvatte, een andere kleur gaf, een opvatting die de boel verengde en God in zijn grootheid en verkiezing aantastte – althans zo onthield ik het.
Ze hadden zich bevrijd, zo moest je dat zien. Vrijmaking. Een woord dat je fier moest uitspreken, ook al voelde ik als kind wel dat er van alles bij meekwam, niet in de laatste plaats boosheid, en verdriet. Familiebanden raakten beschadigd, de band met de kerk kwam op 1 te staan. Die band was sterk en werd steeds sterker naarmate de tijd verstreek, leek het wel.
Als kind had ik de kerk hoog – in mijn hoofd. Op de middelbare school leerde ik bij kerkgeschiedenis over die ene, rechte lijn van Abraham naar nu. De beloften van God kwamen rechtstreeks, door alle tumult en geharrewar van eeuwen, binnen in de kerk waarvan wij lid waren. De ware Kerk. Het was goed om daar lid van te zijn, natuurlijk was dat goed. Wat dacht je? Als God je roept, hoe zou je Hem dan de rug toekeren? De stem van mijn moeder.

Bolwerk
Sterke banden waren het. Mensen die samen gingen voor de waarheid, de zuivere leer. En de geschiedenis herhaalde zich – maar nu zeg ik het verkeerd. Want het was natuurlijk geen herhaling, het was een heel nieuw strijdperk dat zich aandiende eind jaren zestig.
Nu was de inzet geen voorgeschreven opvatting maar juist de roep om ruimte, althans van de ‘andere’ kant.
Voor mijn ouders, en velen met hen, bleek het onverteerbaar. In meer dan twintig jaar hadden ze de kerk (weer op)gebouwd. Een bolwerk was het geworden, van waaruit gewerkt kon worden in de samenleving – waar je nog altijd niet ‘van’ was maar wel ‘in’ verkeerde en waarin het van het grootste belang was dat daar een goed gereformeerd geluid klonk, op allerlei gebied. Zo veel organisaties waar een G voor stond – hoezo ‘ruimte’? Dit was de ruimte waarin de kerk stond: de richting die ze was ingeslagen sedert ’44. Wie daaraan begon te tornen zou het spoor bijster raken, dat stond voor hen als een paal boven water. Als ik nu terugkijk zie ik dat de verbinding enorm was. De kerk was als een jas, een grote, loden jas, waarin je samen warm bleef – een tikkeltje benauwd misschien, maar dat moest je ervoor overhebben. Van buitenaf gezien was het meer een uniform, waaraan men je kon herkennen en waarin je je ambt vervulde: het ambt aller gelovigen. Ik ben opgegroeid met kerktaal, neem me niet kwalijk. ‘Zo is het en niet anders.’ Kloeke taal. Wij waren verbonden met de ‘Kerk van alle eeuwen’, zoals we elke zondagmiddag konden horen als de Twaalf Artikelen van het ‘algemeen ongetwijfeld christelijk geloof’ weerklonken. Geen twijfel mogelijk.

De andere kant
Betekende dat een verbinding gebaseerd op angst, zoals iemand me later zei? Ik weet het niet. Ik zie ook een andere kant. Haarscherp staat die op mijn netvlies: mijn vader, letterlijk geknield voor zijn bed, op het versleten bruine kleedje, in zijn pyjama.
Biddend tot zijn God, smekend om zicht op de rechte weg, het pad in de wildernis van opvattingen en interpretaties, de koers die hem zou brengen waar hij moest wezen: bij zijn HEER. Ja, misschien was er angst.
Angst om die HEER te verliezen – uit het oog te verliezen vooral, want het geloof dat Hij ons nooit zou verlaten was er ook – maar dan moest je Hem wel volgen natuurlijk. En in dat volgen kwam het erop aan. Er was domweg geen ruimte voor andere opvattingen dan die er in die twintig jaar waren geformuleerd en nagesproken in Belijdenissen van eeuwen her. Je moest dat niet eens willen. Er kwam maar onrust van.

Onrust
Dat bleek ook zo te zijn. Grote onrust zelfs. Avonden waarop de schuifdeuren dicht gingen en de gordijnen ervoor, omdat er over de kerk werd gesproken, met gemeenteleden die dezelfde gevaren signaleerden: geluiden vanaf de zondagse kansel, predikanten die zaken begonnen te bevragen, opvattingen tegen het licht hielden. Alsof ze Gods Woord zelf tegen het licht hielden. Waakzaamheid was geboden. Soms werd het zichtbaar. Als kind zat ik op scherp achter de mouw van mijn moeder; zou hij weer zo heftig zijn hoofd gaan schudden, mijn vader, of zelfs opstaan en weglopen, zoals al een keer was gebeurd? Voor mij was het daarom een opluchting dat er op een bepaald moment werd besloten niet meer naar ‘onze’ kerk te gaan, maar de kerk in de buurgemeente te bezoeken, waar de vertrouwde woorden nog klonken, zonder vragen die je niet moest stellen. Het onversneden evangelie, was dat ook maar niet het beste?
Intussen gingen de diensten in de door ons verlaten gemeente natuurlijk door, en ook nog vlak bij ons huis, achter in onze straat. Ik zag ze aankomen, de mensen die ik kende, als ze hun auto’s parkeerden achter onze heg. Moest ik ze groeten, kon dat wel? ‘Blijf maar even binnen’, zeiden mijn ouders. Ach, misschien wilden ze me ook gewoon de onrust besparen.

Het werd een keus die leidde tot een breuk, alweer, zij het bij ons niet in de familiebanden deze keer. Opnieuw, zo leerde ik, was het zaak om de goede verbinding aan te gaan, of nee, niet aan te gaan maar door te zetten. Die rechte lijn, van Abraham naar nu, zette zich door in de kerk die doorging. Die verbinding was onvoorwaardelijk.
Breken met die kerk was zoveel als breken met God.

Oorlog vanbinnen
Terugdenkend aan die tijd voel ik (bijna) opnieuw hoe nauw dat stak en hoe zwaar het woog. Te zwaar.
Juist het cruciale van deze hele geschiedenis, de verbinding met God die gelijkgeschakeld werd met de verbinding met de kerk, heeft gemaakt dat ik op mijn beurt deze verbinding op een gegeven moment wel moest verbreken. De kerk ging ons voor, het was zaak om in de pas te blijven, er was geen tijd en geen ruimte om uit te wijken of halt te houden. En al helemaal niet om het pad te verlaten en het eens van een heel andere kant te bekijken. Ik wilde niet zijn als mijn ouders, ik wilde geen strijdperk waarin ik partij zou moeten kiezen, zoals toen.
En het kwam er ook niet van, tenminste niet openlijk. De oorlog ontstond gaandeweg vanbinnen, in mijzelf. Ik wilde trouw blijven aan de verbinding waarin we waren grootgebracht, maar verloor langzaamaan de verbinding met mijzelf. En nog bleef ik het volhouden: wie zichzelf niet wilde verliezen, zou immers niet behouden worden … Denk er niet te licht over. Het ging in tegen alles wat ik geleerd had, waarvan ik overtuigd was geweest, namelijk dat niet ik maar de kerk het voor het zeggen had. Dat ik moest luisteren, moest buigen, zolang in de kerk het evangelie verkondigd werd.
En dat werd verkondigd, dat kon ik toch niet betwisten? We zaten opnieuw gevangen in geharrewar en in grote onrust, dat ook. Mocht je wel weg, louter en alleen omdat je het te benauwd kreeg? Wie is opgegroeid en opgevoed in de kerk van mijn ouders zal deze vragen herkennen.

Ruimte
Tot ik het op een dag niet meer geloofde.
Hoe dat kan? Ik weet het nog altijd niet. Maar toen het zo was, hebben we het inderdaad gedaan, hebben we ten slotte de verbinding verbroken.
Formeel, dat in de eerste (en misschien ook wel de laatste) plaats.
Niet langer waren we vrijgemaakt, hoewel – dat voel je al aankomen – we ons hadden vrij gemaakt, want zo was het wel.
Misschien toch kinderen van onze ouders? Alleen, er openbaarde zich wat mij betreft één groot verschil: pas toen ik de verbinding werkelijk verbrak, ontstond er een ruimte die ik niet voor mogelijk had gehouden, ruimte voor een andere, en verrassend nieuwe band: de band met God die mij kende zoals ik was en altijd was geweest – mét mijn vragen, twijfels, de losse eindjes, en mijn verlangen om dicht bij Hem te zijn. Een God die me aanzag en me vergaf – wat had ik nog kunnen goedmaken? – en de onrust tot bedaren bracht.

Verbonden
Toen ik tien jaar geleden, samen met mijn man, de stap zette en de kerk van mijn ouders verliet, was het inderdaad alsof ik me moest ontdoen van een jas, een jas waarin ik me thuis had gevoeld, zo veel jaar, waarin ik elk detail kende, van alles verzameld had in de zakken, een jas die warm was geweest maar ook te warm, waarin ik me had laten beschermen tegen de kou van buiten maar het ook Spaans benauwd had gehad. Die jas moest uit. ‘Om weer een nieuwe aan te trekken’, zei een oude studievriendin, die niet alleen de kerk maar ook het geloof allang had afgezworen. Ze kreeg gelijk en ongelijk. Want eindelijk, na al die jaren, kwam ik erachter dat het kan: dat je een verbinding kunt maken zonder dat je erin komt vast te zitten.
Dat er een band bestaat die, integendeel, rust geeft. Dat je bij wijze van spreken het badwater kunt weggooien en het kind kan behouden. Het Kind.
Misschien is dat nog wel het mooiste.
In gedachten schuif ik aan naast mijn vader, op mijn knieën, op het kleedje voor het grote bed. Ik weet me – eindelijk – met hem verbonden, zonder dat het schuurt. Een erfenis. Maar dan eentje die ik nooit meer kwijt wil.

Coosje Haan-de Jong is redacteur van Opbouw en lid van de NGK Amersfoort-Noord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief