De bede en de voorbede

1978-03-17
  • Jaargang 22
  • nummer 11
Er is een actie gaande om de "bede" weer in de troonrede terug te krijgen. Zoals U waarschijnlijk weet heeft het vorige kabinet de gebruikelijke "bede" aan het einde van de troonrede geschrapt.
In die bede werd de hoop uitgesproken dat de Almachtige het werk van de Staten-Generaal zou zegenen.
Het kabinet-Den Uyl-Van Agt maakte daar een eind aan. De bede werd geschrapt.
Veel mensen waren nogal verontwaardigd. De A.R.-fractieleider Aantjes was teleurgesteld, maar hij bleef gedogen en hij vond niet dat je zo iets tot een zaak van "politiek" moest maken. Ik deelde de verontwaardiging niet. Toen niet. Vandaar dat ik mi ook niet gelukkig ben met een hantekeningenactie om het huidige kabinet te vragen deze bede weer op te nemen in de troonrede.
Ik schrijf dat met spijt. Want de mensen, die deze actie gestart zijn, hebben mijn sympathie. Ze zijn bewogen over de ontkerstening van ons volk. De goede zaak gaat hen ter harte.Wie zou daarvoor geen sympathie hebben?
Ons volk heeft inderdaad een terugkeer nodig tot de HERE. Wil er nog van enige toekomst, die de moeite waard is, sprake zijn, dan mag er inderdaad wel heel wat veranderen.
Verder is natuurlijk de verontwaardiging, die er heerste toen de bede geschrapt werd, goed te begrijpen. Het was een inbreuk op een bestaande gewoonte, waarop vooral christenen gesteld waren. De inbreuk op, de gewoonte was ook een politieke daad. Daarom had Aantjes ongelijk toen hij de zaak geen voorwerp van politiek wenste te maken. Het had en het heeft inderdaad met de heiligheid van Gods Naam te maken. Die moet je niet te grabbel gooien in de politiek, maar een bestaande gewoonte veranderen is een politieke daad. Bovendien één van een verlegenheidskabinet dat er kwam, omdat er gebrek was aan politieke wil tot iets anders. Een noodoplossing.
Dat zulk een kabinet niet wat bescheidener optreedt is vreemd en politiek. Maar de machtswellust van de socialisten is intussen wel duidelijk geworden.
Toch was ik niet zo erg verontwaardigd toen. Maar dat had een andere oorzaak. Ik meen dat de zin van het gebod tot de heiliging van Gods Naam deze is: God wil niet genoemd worden, als Hij ook niet bedoeld wordt. Zodra men Hem noemt zonder Hem echt te willen prijzen, dan is men toe aan de zonde tegen dit gebod.
De vrees was wel gewettigd - en echt niet pas bij het optreden van het kabinet-Den Uyl-Van Agt - dat de bede tot een formule geworden was, waarom de meeste mensen die erbij betrokken waren, nu niet zo erg veel gaven. Het is niet te verwachten van ongelovigen dat ze enige zin zien in de bede aan het slot van de troonrede.
En daar het in ons land zo is dat' het kabinet verantwoordelijk is voor de troonrede, kun je moeilijk van de ongelovige kabinetsleden vergen, dat ze zo iets zinvol vinden. En als ze de HERE, die Zich in Zijn woord geopenbaard heeft, niet bedoelen, laten ze Hem dan ook maar niet noemen.
Er was, toen het niet meer gebeurde alle reden om er politiek wat van te zeggen (de machtswellust), maar er was ook alle reden om de vraag of het nog wel zinvol was dit gebruik, ontkennend te beantwoorden.
Daarom meen ik ook dat er mi ook geen reden is om te vragen het gebruik weer in te voeren. Immers lang niet alle kabinetsleden, die toch de' verantwoordelijkheid dragen, zullen het echt gemeen:d weer invoeren. Laat het dan niet gebeuren. Dat is echt' beter. Meer naar de Schrift dan omgekeerd. Je moet er trouwens ook niet aan denken dat het ene kabinet het afschaft, het volgende kabinet het gebruik weer invoert en dan een volgend kabinet weer een andere beslissing neemt. Dat wordt zeer oneerbiedig.
Zoals het ook oneerbiedig is als de bede gebruikt wordt door mensen, die er eigenlij!k niets om geven. Kohlbrugge zei dat we de Naam misbruiken, als we ons van de Naam bedienen met een ander doel dan om die Naam te heiligen. De Naam is te hoog en te verheven om als passend slot te worden gebruikt.

In "Trouw" van maandag 6 maart jl. werd een stuk overgenomen van Ds J. van Dam, uit het blad "De Christen".
Het blad van de Unie van baptisten. Ds Van Dam is er ook tegen dat de bede terugkeert in de troonrede. Met zijn conclusie ben ik het eens. In zijn argumentatie zitten wel enkele "doperse ketterijen" om met Koejemans te spreken. Ik ben het eens met ds Van Dam als hij stelt dat Nederland geen christelijke natie is. Alleen zou ik zeggen: Nederland is niet méér een christelijke natie. En dan krijgt men ook direct het verschil Nederland is eens vrijwel een gedoopt volk geweest. En 'dat vindt een baptist niet van belang. Dat Nederland een christelijke natie zou geweest zijn is "een mythe, die zijn ontstaan
vond in de praktijk van o.a. de kinderdoop". Het is ds Van Dam toe te geven dat er waarschijnlijk wel vaak "romantisch" is gedaan over de gedoopte natie. Maar evenmin valt te ontkennen dat Nederland een gedoopt vol!k was. En dat is echt meer dan met water knoeien. De doperse doling dat de waardigheid van het sacrament afhankelijk is van het daaraan voorafgaand geloof is een "theologisch judaïsme", waarover Luther zich terecht zo kwaad gemaakt heeft.
Verder schrijft ds Van Dam: "De Naam van God is te heilig om die aan een regeringsstuk - want dat is de troonrede - te verbinden. Het aanroepen van de Heilige Naam heeft zo grote en verreikende consequenties, dat geen regeringsbeleid het kan verdragen met de Naam des Heren verbonden te worden". Dat nu lijkt me niet in overeenstemming met de Heilige Schrift. Een scheiding tussen natuur en genade die totaal vreemd is aan de Schrift, Als de Heiland en de apostelen spreken over het sociaaleconomische - en het is niet nodig om daarvan voorbeelden aan te halen - dan mogen wij dat ook doen. Dat mogen ook mensen doen die met de politiek bezig zijn.
Het is jammer dat b.v. de blijvende les van de wet van Mozes over recht en onrecht, over vrijheid en gebondenheid, ook over oorlog en vrede niet meer doorwerkt in het politieke denken van christenen. Er valt veel te leren. Dat heeft met "theocratiseren" van de samenleving niets te maken.
Er behoeft niets getheocratiseerd te worden. Maar alle dingen, óók overheid en staat, hebben wel te maken met ons geloof in de God en V.ader van onze Here Jezus Christus, in de God van Israël, de God van Abraham, Izak en Jacob. Laat Münzer maar radicaliseren.

De bede moet maar niet terugkomen. Want Nederland is geen gedoopte natie meer. En het is niet de plicht van christenen een ongewild getuigenis van niet-christenen te vragen. Dat kweekt maar huichelaars en het brengt het Evangelie, het heilig Evangelie in een kwade reuk Ik behoor niet tot de mensen die er prijs op stellen als verdraagzaam bekend te staan. Ik ben niet zo verdraagzaam in de moderne zin van het woord. Maar verdraagzaam in de zin van het Woord wil ik wel graag zijn. En dat betekent toch wel dat we het stempel van het Evangelie niet met geweld (met politieke machtsmiddelen) moeten trachten op te leggen aan onze samenleving. Wel is ons de voorbede geboden. Voor alle dingen. 1 Tim. 2: 1 V.v. Laten we dat doen. Dan doen we ontzaglijk veel. Voor het kabinet. Voor de oppositie. Voor alle hooggeplaatsten. Voor de Koningin. Deze mensen hebben het moeilijk genoeg in deze tijd. En dat is niet alleen hún schuld, maar óók de onze.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief