Paasavond
1978-03-24
"Ik heb Hem heel den dag gewacht En tot mijn poop'lend hart gezeid: Verdubbel u toe lijdzaamheid, Hij komt wel vóór de nacht".- Jaargang 22
- nummer 12
Dit is de eerste strofe van een vers van Willem de Mérode. "Paasavond", staat er boven het gedicht en het vindt zijn inspiratie in de verschijning van de Here Jezus aan Zijn leerlingen, in de avond van die eerste dag der week. Die geschiedenis wordt ook wel "KIein Pinksteren" genoemd, omdat Jezus toen op hen blies en zei: "Ontvangt de Heilige Geest".
De dichter heeft de hele dag gewacht, maar hij was er zeker van, dat de Here Jezus wel komen zou vóór de nacht. Het is opvallend, hoe de Evangelisten en de Apostelen meer dan eens spreken van de nácht, waarin Hij verraden werd. De nacht heeft zijn verschrikkingen. Daar heeft Psalm 91 het over. Daarom sloten de mensen vroeger de blinden voor de ramen en zij vergrendelden de deuren.
In de nacht gebeuren de dingen die niet gezien mogen worden. De nacht is voor het ongedierte en het tuig. Onder totalitaire regimes worden 's nachts de arrestaties verricht. In de herinnering van de discipelen blijft onuitwisbaar die éne nacht, waarin hun Meester gevangen genomen werd. Toen heeft Jezus gezegd: "AIs tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken? Terwijl Ik dagelijks (we kunnen ook zeggen: overdag) bij u was in de tempel, hebt gij geen hand naar Mij uitgestoken.
Maar dit is uw ure (de nácht immers) en de macht van de duisternis".
Ook heeft Johannes kernachtig gezegd van het moment waarop Judas het Avondmaal verliet en naar buiten ging: "En het was nacht". Elke zieke en tobber weet van de duistere macht van de nacht. De nacht kan je wanhopig maken en waar is dan je geloof? Je vindt daarvan iets terug in Psalm 130. "Ik verwacht de Here, mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn woord. Mijn ziel wacht op de Here, meer dan wachters op de morgen, wachters op de morgen." De discipelen van de Here hadden een bittere ervaring met de nacht. Met het 's nachts naar buiten gaan. Zij blijven nu liever binnenshuis. Zij doen de deuren zorgvuldig dicht want van de buitenwereld is niets goeds te verwachten in de nacht. Zij hebben de deuren gesloten uit vrees voor de Joden. Willem de Mérode schrijft over ándere angsten dan voor de Joden.
,,'t Is avond en de speelse wind
schudt aan de rinkelende deur
en tikt aan 't dichte blind.
Nachts grote donker is nabij.
Voor bloeds heet suisen in mijn oor
gaat werelds koel gerucht teloor.
Hart, wacht en waakt met mij.
Plots, Zijn gelaat verlicht de zaal,
ter elfder uur verblijdt Zijn schijn.
Hij breekt het brood en plengt
de wijn:
Wij houden Avondmaal".
De gevaren van de vijanden wegen niet op tegen wat hém benauwt. De oorsuizingen, de hoge bloeddruk; je kunt het één en ander noemen. Vooral oak het hete bloed. De druk van ongerechtigheden, die de overhand hadden. Dan opeens: de Here is er. Had ik het niet gedacht? Hij zou vast wel komen voor de nacht. Ik wist het.
Al vaak is er op gewezen, dat de Here na Zijn opstanding bij voorkeur aan Zijn vrienden verscheen, wanneer zij bijeen waren. Paulus is een uitzondering.
Ook aan Thomas vertoonde Jezus zich niet, zolang die in afzondering zat te treuren en te twijfelen.
Johannes schrijft, dat de discipelen bijeen waren op dié eerste dag der week en hij vermeldt, dat zij acht dagen later weer samen waren; in datzelfde huis. "De eerste dag der week", dat wordt meteen een vast begrip voor de leerlingen en "voor hen, die met hen waren".
In Handelingen 20, 7 vind je de uitdrukking ook, verder in 1 Kor. 16, 2 en, enigszins anders, in Openbaring 1, 10. Vooral iets voor onze jongens en meisjes om eens na te kijken. Zij hebben immers herhaaldelijk de vraag, waarom we nu de zondag vieren en niet de sabbat, Maar vooral leeft bij hen de vraag, of dat nu beslist moet, zo'n zondag; en elke week weer zondag. Met de verplichting om naar de kerk te gaan. Zij voelen zij dat aan.
Er zit in die bijbelteksten geen verplichting ingebouwd. Er wordt geen gebod gegeven. Wel een vanzelfsprekendheid. Vrij algemeen wondt ons geleerd, dat wij nu de zondag afzonderen voor de kerkdiensten, omdat dit de dag is van de opstanding, Uit de genoemde bijbelteksten, althans uit Johannes 20, 19 krijg je inderdaad die indruk. Het sprak vanzelf dat de discipelen en de anderen, die van Jezus hielden, op die dag bijeen waren, want ze moesten toch met elkaar praten over wat er door de vrouwen verteld was. En zo is het gebleven. Een grote Engelse kerkgeschiedenis meent, dat die dag niet speciaal aangehouden is in verband met de opstanding, maar dat de Christelijke gemeente nadrukkelijk zich in de wereld onderscheiden wilde van de Joodse godsdienst. De Joden waren streng op de sabbat. De Christenen wilden laten zien, dat zij dáár niet bij hoorden. Zij kozen een andere dag en beleefden die dag ook anders. Niet als een wet met duizend verboden dingen, doch als een feestdag met blijheid en vrijheid. Maar het bleef vanzelfsprekend, dat je het heuglijke feit van de opstanding sámen vierde. Bovendien mocht je dan iets verwachten, want het was immers meteen twee zondagen achterelkaar gebeurd, dat de Here Jezus in het midden der gemeente kwam. En nóg is er, wanneer wij als gemeente samen zijn, in die samenkomst een groot stuk verwachting. Die wordt onder woorden gebracht in de preek, in het lied en het gebed en vooral ook bij het Avondmaal: want dan is het immers: ..."totdat Hij komt", 1Kor. 11, 26 en: " ...Ik zal opnieuw met u drinken", Matth. 26, 29. De discipelen hebben de eerste vervulling van die verwachting spoedig mogen zien, Hij was er opeens en Hij was het helemaal en zo écht. Het zal hun opgevallen zijn dat Hij weer !deren aanhad. Of misschien viel dat juist niet op, doordat het zo gewoon was. Maar op de zwarte vrijdag hadden de soldaten zijn kleren verdeeld en verdobbeld. Hij zal met lijkwindsels in het graf gelegd zijn, maar dat zijn geen kleren. Mogelijk hebben de engelen die nieuwe kleren meegenomen van Zijn Vader in de hemel. De HERE God had lang geleden ook kleren gemaakt voor Adam en Eva.
Hij is het echt. Hij heeft dat nadrukkelijk gezegd. "Een geest heeft geen vlees en beenderen zoals gij ziet, dat Ik heb". Hij toonde hun ook zijn handen, voeten en zijde. Wij zijn gewoon om te zeggen: de littekens. Dat staat er niet eens. Het is nog maar zo kort geleden. Waarschijnlijk waren het meer open wonden, dan dichte en droge littekens.
De theorieën van het ongeloof zijn uiteraard vele. Dit kan immers niet? Daarom versluiert menigeen, die wat zeggen moet op Pasen, de hele geschiedenis in vage termen en wij worden gewaarschuwd, dat wij van de verrijzenis ons geen grove zintuigelijke voorstelling moeten maken. Inderdaad weten wij niet, hoe dit alles mogelijk was en hoe het exact wás, maar wij kunnen het ons precies voorstellen, hoe de discipelen Hem zagen. Hij at en dronk voor hun ogen; zij mochten Hem betasten, Hij wis het. Er was geen twijfel mogelijk, Hij zegt twee keer: "Vrede zij U!" Hij wil nóg onder de mensen zijn en op de aarde en dat nog wel met vrede.
Terwijl Hij toch op aarde dodelijk gewond is en op het diepst bezeerd. Een huis of een dorp en stad, waarin wij een onprettige ervaring hadden, daarheen keren wij niet terug. Wij zijn al gauw de beledigde majesteit. Hij niet. Hij komt terug in die stad, waar Hij gekruisigd was en Hij zoekt opnieuw Zijn mensen op. Hij houdt het niet voor gezien. Zo is dan ook Willem de Mérode geen woordenkramer, wanneer hij Jezus verwacht. Het kon wel eens laat worden. De dichter kijkt op de klok. Elf uur al.
Als Hij nog vóór de nacht komen zal, dan heeft Hij niet veel tijd meer. Maar dat betekent ook, dat ik al bijna lang genoeg gewacht heb. Voordat de nacht zich over mij heen legt, zal Hij komen.
Dat mag je verwachten.
Dat mag je geloven.