Herder

1978-03-31
  • Jaargang 22
  • nummer 13
Vrijwel elk jaar wordt in alle gemeenten een preek gehouden over de verschijning van de Heer aan het meer van Tiberias. Misschien is het verhaal al bijna doodgepreekt. Maar ik wilde nu iets aanroeren, wat geen dominee in zijn preek noemen zal, omdat hij niet voor zichzelf preken wil.

Het gaat mij niet om die 153 vissen. Wat is daarover veel gefantaseerd.
Een man in de oudheid zei: er zijn 153 volken op de aarde en elk volk is door een vis vertegenwoordigd.
Een ander had deze vondst: De cijferwaarde van het woord Simon is 76 en die van de Here Jezus 77, dat is samen 153, want Jezus en Simon zijn nu weer één. Wanneer Johannes dergelijke beweringen horen kon, zou hij bulderen van de lach en tenslotte zeggen: mensen, mensen, dat komt er nou gewoon van, dat ik visserman was. Zoiets onthoud je. Wij vergaten dat niet weer, dat er 153 vissen in het net zaten. Bizondere vangsten, daar onthoud je de besomming wel van. Hetzelfde heb je met het net, dat niet scheurde. Dat is de vissers opgevallen. Tijdens het optrekken hebben ze in spanning gezeten. Het net houdt het vast niet, maar het bleef heel. Wonder boven wonder. Geen apostel zou daar later van maken: zoals het net niet scheurde, hoewel er vele vissen in zaten, zo zal de kerk niet scheuren, wanneer er velen in haar komen.

Het gaat mij om Petrus. Maar vooraf nog iets anders. Johannes 21 begint zo ongeveer met het woord "discipelen"
en dat loopt uit op "Volg Mij". Sommige nieuwere vertalingen hebben in plaats van "discipelen", de vertaling "leerlingen". Daar is wat voor te zeggen. Want wie op de Christelijke school geweest is, kent het woord "discipel", maar er komen tegenwoordig ook mensen de kerk binnen, die op een openbare school geweest zijn. Zij vinden het maar een vreemd woord. De vertaling "leerling" heeft ook weer haar bezwaar. De klanken van dat woord roepen niet op, wat er in ligt. Onze jeugd is ook leerling, maar zij hebben veel meesters. Elk vak weer een ander en elk uur een ander. Zo is er dan ook geen sterke band tussen leraar en leerling. De leerling vergelijkt de éne . met de andere en hij staat kritisch tegenover zijn docenten. In de schoolkrant spot hij graag een beetje met ze. Alleen in de muziek is er nog iets terug te vinden van die oude relatie tussen de meester en zijn leerling.
Van een organist bijvoorbeeld wordt gezegd, dat hij een leerling is van v. d. Horst, of van Stam, van Engels of van Kee. De organist stelt er ook prijs op, dat je dat weet. Het bepaalt zijn kwaliteit en de achting voor hem en hij vertelt graag over zijn hoofdleraar. De band blijft; er is ook navolging van de leraar. Zo heb je dat in het oosten. In Indonesië zegt een jonge man tegen de zendeling: "Ik wil graag Uw leerling zijn, ik wil u volgen". Daar heb je die twee begrippen naast elkaar. Dat vind je in Johannes 21 terug en op vele andere plaatsen in de bijbel. De leerling bindt zich aan de meester, hij verloochent zichzelf maar hij zal de meester niet verloochenen. Zo wordt op het zendingsveld de zonde van Petrus, toen hij de Here Jezus verloochende, veel scherper aangevoeld dan bij ons in het westen. Petrus ontkent niet alleen maar, dat hij de Here Jezus ooit gekend heeft, neen, hij breekt de band met de Heer stuk. Hij geeft zijn geloof prijs en hij spreekt eigenlijk uit, dat hij tégen Jezus is, hij zal zijn eigen weg gaan of een andere rabbi volgen. Zijn leven zal na de verloochening in alle opzichten radikaal anders zijn dan daarvoor. Hij keert als discipel zijn Meester de rug toe, om Hem voortaan tegen te staan. Hij loopt bijne in de pas met Judas. Tussen het verraden en het verloochenen is niet zoveel verschil. Wel tussen het hart van Petrus en dat van Judas, maar als je hun daden "op zich" beoordeelt, maakt het niet veel uit tussen die twee.

Aan het meer van Tiberias vraagt nu de Here Jezus, of Petrus Hem liefheeft, "meer dan dezen". Petrus heeft namelijk gemeend dat hij zich in liefde en trouwen overgave onderscheidde van de anderen. Die gedachtekan hij beter loslaten, want dat is wel gebleken, dat Petrus zich niet in-gunstige zin onderscheidde van de anderen. In zijn antwoord laat hij dan ook merken, dat hij het begrepen heeft. Hij zegt alleen maar: "Here, Gij weet, dat ik U liefheb". Daar verdwijnt dan meteen maar het "primaat" van Petrus. Hij wordt niet onderscheiden van de rest. Vorig jaar was er iemand die bij de traditionele lintjesregen een koninklijke onderscheiding weigerde. Het was iemand van naam in het kerkelijk leven. Een vrouw. Haar motief tot de weigering kwam dicht bij wat wij nu lezen in Johannes 21. Zij vond dat het in de kèrk niet hoort, dat je meent, dat je meer bent dan de anderen en dat ook de koningin je dus niet "onderscheiden" moet van je mededienstknechten. Niemand hoeft natuurlijk die gedragsregel te volgen, in dat weigeren van een lintje, maar ik vond het wèl scherp aangevoeld. Overigens weten we allemaal, dat meestal zo'n lintje gegeven wordt, niet vanwege het feit dat iemand trouw de kudde Gods gehoed heeft, maar omdat hij praeses of scriba was van een synode en dat heeft met het herderschap niets te maken.

Dan valt ons verder op, dat Petrus geen schuldbelijdenis hoeft af te leggen. Je kunt zeggen: de Here Jezus vraagt die schuldbelijdenis niet, omdat Hij toch wet-weet, wat er in het hart van Petrus was. Diep berouw namelijk.

Maar dat gaat toch niet op, want dan had de Here Jezus ook niet drie keer behoeven te informeren naar Petrus' liefde. Die kende Hij óók.
Nee, het is Jezus' barmhartigheid, dat Hij van Petrus geen schuldbelijdenis vraagt. Nu zou iemand kunnen menen dat Petrus er dan toch maar gemakkelijk af kwam. Dacht u?
Doeschka Meijsing schreef in haar Loek "De haan", dat je er voor zorgen moet, altijd zo'n beest bij je te hebben. Als je die aan Petrus laat zien, zal hij niet weigeren je door te hten. U houdt evenmin als ik van die grapjes over de hemelpoort, maar het is wèl raak geschoten. Petrus zal zelfs wel stil geworden zijn, elke keer als hij een haan zag op de markt.
Maar de Here Jezus is zijn helper. De Here Jezus is verre van het Donatisme, dat wij in de kerken gekend hebben. "Zo iemand hoort in onze kerken niet thuis". "Wie dit leert of ondertekend, laat die meteen maar opstappen". Maar afgedacht van zulke ellendige situaties in het kerkelijk leven, je kunt in zo'n week van Pasen, en natuurlijk ook heel het jaar door, er vertroosting aan hebben, wanneer je leest hoe de Here Jezus het "geval-Petrus" benadert, of de "zaak-Petrus" behandelt. Dan gaat het niet om wat zijn medediscipelen van hem dachten. Er is ons trouwens niets van bekend, hoe die over hem oordeelden. Ze hebben hem in ieder geval gewoon bij zich in de kring gehouden. Maar het gaat een herder der kudde om de vraag, hoe de Here Jezus over hem denkt. Wat schiet je elke dag wanhopig tekort in alle opzichten. Je denkt: die broeder was ik eigenlijk een beetje vergeten. Die zuster heb ik toch niet goed geholpen.
Op mijn preken heb ik mijn best gedaan, maar heb ik toch ook niet vaak de zaak wat scheefgetrokken? Sommigen blijven in het ambt tot over hun tachtigste, vooral in de zwaarste kerken en dan denk je bij jezelf: ik doe het werk erg graag, maar de verantwoordelijkheid voor de jeugd, voor de ouderen, voor de zieken en de moeilijke mensen is zó groot, dat ik het toch ook als een vreugde zal ervaren, als ik die verantwoordelijkheid niet meer heb, En zie, dan bemoedigt de Here Jezus ons allen met de manier, waarop Hij met Petrus spreekt. DE liefde bedekt alles, schrijft Paulus later. Die heeft ook eens een zinnetje geschreven, waaruit je zou kunnen afleiden, dat hij van mening was, dat hij zich gunstig onderscheidde van de andere apostelen. "Ik heb meer gearbeid dan zij allen". Maar, alsof hij schrikt van zijn eigen woorden, laat hij er meteen op volgen: "Doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is". Het leek mij goed, dat wij even zaten in de kring der leerlingen, rondom de Pastor pastorum, de Herder van de herders. Hij spreekt moed in, door de manier waarop Hij met Petrus bezig is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief