De dichter en zijn gave
1978-03-31
Een groot kunstenaar kan houden van zijn moeder, kan houden van wijn en houden van geld en houden van honderd andere dingen in het leven. Als hij over die zaken het woord neemt, zal hij 't goed doen, omdat hij in de minste kleinigheden van zijn mens-zijn artiest is en omdat hij spreekt over wat zijn liefde heeft.- Jaargang 22
- nummer 13
Maar meer dan zijn moeder, meer dan de wijn en meer dan het geld, zal hem zijn kunst zijn.
Zijn kunst, dat is de kunst die hij bemint met een forse en jaloerse liefde, de kunst, de literatuur, die hij bloedig wreekt als zij wordt beledigd door het geslof en gekriebel van onvermogende krabbelaars, die hij slechts toelaat dat genaderd wordt door vorstelijke voeten en gestreeld wordt door vlammende handen.
Dit proza van Lodewijk van Deysel schoot mij te binnen toen ik voor de eerste maal het Zuid-Afrikaanse gedicht las, dat u hieronder vindt afgedrukt.
DIGTER IS HIJ
Digter is hij, die digterstaal
Diep uit die grond van sij hart kan haal.
En hij voel in sij hart 'n heerlijke drang
Om 'n vlugtige stemming in woorde te vang.
Digter is hij die verse maak -
Verse wat duisende harte kan raak.
Maar hij weet nie waar hij die mag van haal:
Dis 'n gawe wat bo uit die hemel daal.
Digter is hij die oog en oor
Tref met 'n pragtige woordekoor.
En hij hef sij stem op 'n lieflijke maat
Van die more vroeg tot die awend laat.
Digter is hij die deur en deur
Voel wat rondom en in hom gebeur.
Die sij siel se gevoeles uit kan giet
In 'n lewende, sprekende, roerende lied.
Dit gedicht is van de dichter A. D. Keet, van wie ik u niets meer vertellen kan, dan dat hij in 1888 is geboren en dat hij arts is geweest in de Vrijstaat. Ik heb naarstig gespeurd, want er moet over zo'n begenadigd woordkunstenaar toch wel meer te vinden zijn, maar, helaas, ik vond verder niets. Misschien later.
Nu wil ik graag iets kwijt over dit prachtige vers van hem.
De dichter heeft het hierin niet over zijn kunst, wat, volgens Van Deysel, de kunst zou zijn. Nee, hij heeft hét over de kunstenaar. Over de dichter. Wat is dat eigenlijk voor iemand, een dichter?
Nou, dat is hij "die digterstaal, diep uit die grond van sij hart kan haal".
Dat is die mens die, voor de uitdrukking van zijn verrukking en zijn afgrijzen, zijn liefde en zijn haat, zijn lach en zijn traan, zijn eerbied en zijn verachting, geen schilderskwast hanteert, geen muziekinstrument bespeelt, maar die dichterswoorden kan opdiepen uit de grond van zijn hart.
De woorden liggen er klaar. En altijd is er bij de dichter die heerlijke drang om zelfs een vlugtige stemming door te geven in een pakkend, boeiend, verrassend woord.
Zo komen de verzen tot stand die vele, vele jaren later, het verleden telkens opnieuw tot leven brengen. Steeds weer harten in vlam zetten. Dichterswoorden, zij voeren de uitdrukkingskracht op, om het met Remco Campert te zeggen, tot boven de boomgrens van de taal.
Hoe is dat mogelijk? Waar haalt de dichter de kracht vandaan? Ach, dat weet hij zelf niet. Het is een "gawe wat bo uit die hemel daal". Ja, ik heb mij vaak afgevraagd hoe het kan dat een musicus, een schilder, een beeldhouwer, schrijver of dichter kan zeggen dat hij niet gelooft. Niet gelooft in een oneindige Schepper, die het wonder van de kunst en haar uitingen heeft geschapen. En die ook het genieten van het werk van de kunstenaar als een heerlijke gave geschonken heeft.
Wat erg en wat arm als je niet ziet of niet wil zien dat het scheppen van een kunstwerk is ,,'n gawe wat bo uit die hemel daal". Neem nou de dichtkunst: Zij treft niet alleen het oor. Nee, als je een gedicht hoort zie je meteen wat wordt uitgebeeld door de woorden. Je springt met de polsstok van het juist gekozen woord voor elke hindernis heen naar het land dat de dichter je tonen wil.
Is het vreemd dat een mens die deze gaven ontving moet spreken? Dat hij zijn stem verheft "van die more vroeg tot die awend laat."? Maar ook, een echte dichter staat midden in het leven. Hij is gevoelig voor wat er in de wereld gebeurt. Hij heeft ook een eigen leven, eigen gevoelens.
De ene dichter kijkt meer om zich heen, de andere meer naar binnen. Maar beiden, de extraverte en de' introverte, ze geven hun gevoelens weer "in een levende, sprekende, roerende lied".
Terwijl ik dit schrijf denk ik: Wát doe je eigenlijk? Je schrijft na, duizendmaal minder mooi dan de dichter, wat hij in zijn gedicht zegt. 't Is waar. Maar leest u nu het gedicht nog eens. Stel dat het u bij het eerste lezen niet zo pakte, dan zal het u, na mijn' gestamel, misschien wel grijpen.
En meer heb ik echt niet willen bereiken.