Gods bestuur
2006-02-17
In de groep die vorig najaar een reis naar Zuid-Afrika maakte (zie Opbouw 23 en 24 van 2005), zaten twee naamgenoot-- Jaargang 50
- nummer 4
predikanten: de Gereformeerd Vrijgemaakte ds. Sieds de Jong en de Nederlands Gereformeerde ds. Henk de Jong. Tijdens en na de reis spraken ze indringend met elkaar over de vragen die bovenkwamen bij het zien van zoveel ellende: hoe is God betrokken bij al dat lijden? In twee opeenvolgende nummers (20 en 27 januari) van de Gereformeerde Kerkbode (Groningen - FryslânDrenthe) staat een verslag van hun gesprek. Ondanks alle zijwegen loopt er een soort rode draad doorheen: terwijl Sieds (hieronder afgekort als SdJ) steeds op zoek lijkt naar verklaringen om greep te krijgen op het feit dat God erge dingen laat gebeuren, komt Henk (afgekort: HdJ) onbekommerd op voor de vrijmacht van de Allerhoogste. Een paar fragmenten; eerst over de niet na te rekenen manier waarop God als Vader betrokken is bij ellende en lijden:
HdJ: Als geheimenisvolle God is Hij tegelijk verheven en dichtbij.
SdJ: Dat vereist wel een enorme omschakeling in je denken. Als je denkt aan een vader, dan gaan je gedachten geen moment uit naar iemand die verkrachting toestaat of noem maar op. God wordt ook Vader genoemd. Dan kan Hij in het denken op geen enkele manier wél verbonden worden met dat soort dingen.
HdJ: Dat is het kinderbijbeleffect in onze geloofsvoorstelling. Wij hebben kinderen en onszelf wijsgemaakt dat God niets anders dan vader en wel vader-in-het-kwadraat is. Wat onze eigen vader niet kan, kan God wel. Dat effect is ergens heilloos geweest. Daarmee hebben wij de kinderen en onszelf op een verkeerd been gezet.
Zeer terecht zei Van Ruler al: ‘God is ruiger dan wij denken’. () Met ‘ruig’ bedoel ik: ‘met de indruk van willekeur’ of vriendelijker: ‘onnarekenbaar’. Al die woorden hebben een geloofsgeheim bij zich. De goedheid van God is een geloofsartikel en dus ook kwetsbaar en aan te vechten. Door de tijd heen kom je ertoe te zeggen: en toch is God goed. Vroeger hadden ze het dan over het ‘nochtans van het geloof’.
Vervolgens brengt HdJ de - wat hij noemt - ‘onvanzelfsprekendheid van Gods vaderschap’ ter sprake:
Ik denk hier aan de ingang van de Dordtse leerregels: Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen’ (I,1). Onze redeneringen hebben als vooronderstelling dat we uitgaan van het leven en dan registreren we alles wat daar tegenin komt als afwijking van het normale. In de Dordtse Leerregels gaat het andersom. Men gaat uit van de dood en alles wat ermee samenhangt als het gewone. En dan komt als grote uitzondering: ‘Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren Zoon ge-zonden heeft in de wereld, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (I,2). Tegen die achtergrond wordt het Evangelie gesteld. Als je die achtergrond weglaat is het Evangelie geen Evangelie meer, wat moet je ermee? Het is dan een rare, slappe boodschap. Ik kan me dan voorstellen dat veel mensen buiten de kerk hun schouders ophalen over zo’n evangelie: ‘Ik kan er niks mee’. Wij moeten meer oud-gereformeerd worden.
SdJ: Dan doel je op zondebesef?
HdJ: Ja. () Het geluid van de DL moet er echt wat meer uit komen. Bij het doopformulier zie je dezelfde inzet: ‘Wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden’. En ook de eerste doopvraag haakt daar op in: ‘Belijdt u, dat onze kinderen, hoewel zij in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerlei ellende, ja zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen, toch in Christus geheiligd zijn en daarom, als leden van zijn gemeente, behoren gedoopt te zijn?’ () Ook in de gemeente kun je daarmee niet bij iedereen terecht. Dat is waarom de toekomst hier in ons land aan de islam is. In Turkije is het vroeger ook zo gegaan: alle christelijke kerken zijn daar omgeturnd tot moskeeën. Hoe heeft dat gekund? Wel, de islam was daar eigenlijk al, er hoefde niet zoveel te veranderen. Hier ook niet. Veel kerken hebben dezelfde boodschap als de islam: ‘pas een beetje op en dan komt het goed met je’. Een wettische boodschap met de veronderstelling dat wij dat kunnen. Maar het is radicaal anders. ‘Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf’. Kunnen wij dat, of zijn we inderdaad ‘van nature geneigd God en de naaste te haten?’