Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen...
1978-04-14
Je hoort ook vandaag nogal eens het verwijt aan het adres van de kerk, dat ze het werk van de Geest heeft vergeten of op zijn minst heeft verwaarloosd.- Jaargang 22
- nummer 15
Allerlei charismatische bewegingen propageren de noodzaak van de Geestesdoop met de daaraan verbonden gaven (charismata, vandaar de benaming) van het spreken in tongen, genezing op het gebed en nog andere mystieke krachten, die zouden bewijzen, dat de ontvanger van die gaven pas ècht de Heer toebehoort.
Geloof is niet genoeg, er moet de doopt van de Geest bijkomen.
Verschillende groepen van deze schakering erkennen dan ook de doopsbediening van de kerk niet, want zij dopen pas als de tekenen van de doop met de Geest ontvangen zijn.
Wanneer leden van de kerk tot deze groepen willen behoren, moeten ze dan ook "overgedoopt" worden, zodra ze de Geest ontvangen hebben. Men laat zich nogal eens beïnvloeden door de warmte, de blijdschap en de gemeenschapszin van deze groeperingen, omdat men meent, dat deze in de bestaande kerken ontbreken.
Men mist dat dan in de omgang van en met de kerkmensen. En vaak komen onze jongelui met hun voorbeelden aandragen, om aan te geven, wat een dooie boel het in onze kerken is.
Hoewel ik de eerste zal zijn, om dit toe te geven en mij af te vragen, in hoever ik daar zèlf schuld aan heb, meen ik toch, dat niet déze verschijnselen als zodanig de aantrekkingskracht op velen van ons uitoefenen.
Er is nl. een véél diepere vraag. Dat is deze: is het verzoeningswerk van Christus inclusief zijn opstanding en heerlijkheid voldoende voor het levend heil van Gods kinderen of moet er aan die heilsfeiten nog een ander worden toegevoegd, nl. die van de Geestesdoop. En als die Geestesgaven pas bewijs zijn van het ècht kind van God zijn, wordt dan toch weer niet het menselijk doen en laten door die Geest, het kenmerk van leven uit genade? Ook hier zal de kerk (en dat bent U en ik) zich moeten toetsen en zich moeten afvragen: weten we met het werk van de Heilige Geest eigenlijk wel goed raad?
Daar is de apostel Paulus in zijn tijd al mee bezig. Hoewel hij de gemeente van Korinthe in dit hoofdstuk noemt: "een brief van Christus, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God", blijkt o.a. in dit gedeelte, dat er ook nogal wat christenen waren, die vasthielden aan de joodse kalender en aan de joodse tradities. Daarom geeft hij met nadruk het verschil aan tussen het oude en het nieuwe verbond als de bediening van een nieuw verbond, niet van de letter, maar van de Geest.
Hoe heerlijk dat oude verbond reeds was, toch moest het verdwijnen, want het was nog maar de voorlopige openbaring van Gods heil, die in de thora en in de profeten beschreven was en dus van buiten áf tot de joden kwam. Vervat in een verbondsstatuut, dat als een reglement iets van boven af oplegde.
Daarom wilden die joden ook telkens weer iets met die letter, met die thora gaan doen. Er lag nog een bedekking over heen, omdat ze de rijke inhoud nog niet konden zien, die straks in Christus hun zou zeggen, dat álles genade is. Dat oude verbond, dat oude statuut zou straks helemaal verdwijnen.
Opdat de joden niet zouden denken, dat dit nu het grootste heil was. En dus aan dat oude zouden blijven hangen (prachtig zegt Paulus dat in vers 13). Want die oude bedeling van Mozes bracht: veroordeling (vers 9).
Maar die verdwijnt in Christus en telkens, wanneer iemand zioh tot de Heer bekeerd heeft, wordt dat deksel weggenomen, vers 16.
En dan komt de bedeling van de Geest. Paulus zegt dat heel kernachtig: "De Heer nu is de Geest ... " De Heer. Als Paulus deze benaming voor Christus gebruikt, bedoelt hij altijd: de opgestane Heer. De Heer van Pasen. Die dood en graf heeft overwonnen en verheerlijkt is aan de rechterhand van God de Vader.
En dat heilsfeit van de paasmorgen is zó onlosmakelijk verbonden met het vervolg, dat de Heer van Pasen geen ógenblik wacht met het voltooien van zijn werk, maar direct dóórstoot naar Pinksteren.
"De Heer nu is de Geest ... " Niet dat de Heer en de Geest dezelfde personen zijn. Maar de Heer, de Opgestane, is weergekeerd in de gestalte van de Geest. En de Geest, dat is dat woord "pneuma", dat telkens in het nieuwe testament voorkomt. Geest is allereerst: het onzichtbare.
Je kunt het niet meten en wegen. Hier is de onzichtbare God bezig met ongekende, bovenaardse krachten.
Maar Geest is ook dit: wèl onzichtbaar, maar daarom niet minder reëel, niet minder werkelijk, niet minder existentieel. Tenslotte is Geest ook dit: het heeft eigen identiteit; met niets of niemand te vergelijken; geheel apart, geheel enig, waarbij ál het vorige in het niet valt en het komende een eigen identiteit heeft (heilig).
De Heer nu is de Geest.: Christus, de opgestane Heer is wèl onzichtbaar, maar héél werkelijk in hun midden. En zijn werk heeft een heel eigen identiteit. Werkelijk, Pasen en Pinksteren vallen op één dag.
Er hoeft aan het heil na Pasen niets meer te worden toegevoegd. Het geloof behoeft niet te worden aangevuld of bewezen door de Geestesdoop. Het levende geloof is de Geestesdoop, want de opgestane Heer verkeert in de gestalte van de Geest met de zijnen. En de vraag is niet meer, wat ik met de wet en het evangelie zal moeten doen, om behouden te worden. Nee, de vraag is, wat dat evangelie van de levende Heer met mij doet.
Want niet de wèt (het oordeel) maar het evangelie (de genade) gaat ons leiden.
De Geest zal ons in álle waarheid leiden (dat is dus: de levende Heer).
De bedeling, dat wij precies Gods wil moesten weten, omdat wij iets met die wil moesten doen is voorbij; voorgoed; nu, in de nieuwe bedeling gaat dat evangelie en die wil van God iets met óns doen.
Ja, misschien meer dan we zèlf weten. De levende Heer, die de Geest is, gaat ons brengen, waar we nooit aan gedacht hebben.
In Paulus' tijd behoorde polygamie, slavernij, eigendomsegoïsme en vrouwenslavernij tot de structuur van de maatschappij. Niemand, ook Paulus niet, heeft ooit een bevel gegeven, die structuren te veranderen en die misstanden op te heffen. Maar als Jezus in de Geest en als de Geest in hun midden vertoeft, groeit spontaan de gemeenschap van goederen; wordt het huwelijk hersteld, verdwijnt ten slotte de slavernij, omdat de genade van de Geest hen tot andere mensen maakt.
De Heer nu is de Geest, d.w.z. de opgestane Heer heeft in het hart van zijn gemeente en van zijn kinderen het kompas van de liefde gebouwd, zodat Hij onze koers bepaalt en wij nooit meer zijn wil moeten doen als naar een van buiten tot ons komend statuut maar zijn wil mogen doen als een van binnen in ons levend geloof, dat bloeit in de liefde. Als Jezus niet bij zijn discipelen is, kibbelen ze alleen maar over de vraag, wie de eerste onder hen zal zijn. Maar als Hij er weer bij is, vragen ze alleen, wat ze voor de ander en met elkaar kunnen doen.
Zelfs van de wet en de wetscasuistiek zijn ze verlost en met een onbezwaard gemoed plukken ze aren op de sabbat, want ze weten dat hun Heer, die de Geest is, Heer is ook van de sabbat.
"En waar de Geest van de Heer is, dáár is vrijheid." Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen, dan weten we ook weg met het werk van de Heilige Geest. Dat is de vrijheid. Niet de losbandigheid, maar de vrijheid.
De vrijheid van de liefde, want de liefde doet God en de naaste géén kwaad.
Denkt U daarover tot de volgende keer eens na?