Arbeid

1978-04-14
  • Jaargang 22
  • nummer 15
Dreigende werkloosheid
De economische situatie in ons land is niet erg rooskleurig. Ondanks het feit, dat de overheid het bedrijfsleven met honderden miljoenen per jaar steunt, worden we toch telkens weer opgeschrikt door bedrijfssluitingen en inkrimping van bedrijven.
In Enschede kennen we dit verschijnsel al jaren lang. Onze textielfabrieken zijn voor een groot deel al verdwenen.
Grote vlakten wijzen nog de plaatsen aan, waar vroeger fabrieken stonden. De tijd, dat de fabrieksfluiten ons wekten en overal de schoorstenen rookten ligt ver achter ons.
Maar ook in de andere sectoren van de industrie zijn de ontslagen niet van de lucht. Velen vragen zich ongerust af, wanneer zij op straat zullen komen te staan. Wanneer je eenmaal de vijftig gepasseerd bent, is het erg moeilijk weer werk te krijgen. En jonge mensen, die nog aan het studeren zijn, zien het gevaar opdoemen, dat ze klaar zijnde meteen een W.W.-uitkering moeten aanvragen. Soms hoor je de cynische, maar begrijpelijke opmerking van een "gezakte": nu ben ik tenminste een jaar later werkloos. Werkloosheid mag dan niet de ernstige financiële gevolgen hebben, die het in de dertiger jaren had, ook nu betekent het een financiële teruggang.
Maar dat niet alleen. Men voelt zich als werkloze uitgerangeerd. Men krijgt de gedachte, dat men een minder zinvol bestaan leidt. Men draagt geen verantwoordelijkheid meer. De contacten met anderen worden minder.
Met de tijd weet men niet goed raad. Ook in onze tijd is werkloosheid een groot kwaad.

Een nieuwe ethiek
Velen vinden die sombere kijk op de werkloosheid maar een conservatieve, overleefde gedachte. We moeten, zo zegt men, van de productiemaatschappij overstappen naar de vrijetijdscultuur.
We hebben in het verleden de waarde van de arbeid en ijver te zeer overschat. In plaats van de werkende mens, krijgen we nu de spelende mens. Prof. J. P. Kuiper, hoogleraar aan de V.U. in de sociale geneeskunde, heeft er dan ook voor gepleit, dat elke burger, of hij werkt of niet, een gegarandeerd inkomen moet hebben, dat hem een optimaal levensonderhoud moet verschaffen. Pas dan is de mens echt vrij, als hij kan doen en laten wat hij zelf wil. Wil hij werken, dan mag dit. Wil hij niet werken, dan is dat ook goed.
Daar is, zo meent deze hooggeleerde, nog steeds een emotionele, bijna religieuze binding aan de koppeling van arbeid 'en levensonderhoud. Het arbeidsethos, dat men vooral bij calvinisten vindt van "in het zweet uws aanschijnt zult gij uw brood verdienen" moet overboord. Het is ook niet nodig, dat er gewerkt wordt. De totale productie in onze maatschappij is voldoende om alle inwoners van Nederland een optimaal levensonderhoud te garanderen. Werken wordt' dus zo iets als een hobby, maar je kunt ook gerust een andere hobby kiezen.

Arbeid en hobby
Nu laat ik het verhaal over die voldoende productie in onze maatschappij maar schieten, al lijkt me deze beschouwing uit economisch oogpunt zeer aanvechtbaar. Belangrijker is in dit verband de vraag, of deze moderne arbeidsethiek niet in strijd komt met wat de Schrift ons zegt over de arbeid.
De Bijbel leert ons immers, dat arbeid behoort bij het mens zijn. Dit juist in tegenstelling met heidense opvattingen, waar men de arbeid als een noodzakelijk kwaad beschouwde.
Zo vonden de Grieken arbeid een vloek. Reeds in het paradijs kregen Adam en Eva de opdracht tot arbeid. God gebood de mens in het paradijs de hof te bewerken en te bewaren.
Ook in de cultuuropdracht, waarvan we lezen in Gen. 1: 28, ligt duidelijk de opdracht tot arbeid besloten.
Ook in het Paradijs kon men niet leven als in een luilekkerland, al was aan Adam en Eva een optimaal levensonderhoud gegarandeerd. Na de zondeval is er wel bijgekomen het "in het zweet uws aanschijns", Dat is ook nu nog van kracht hoe ook de technische vooruitgang het karakter van de arbeid heeft veranderd.
Door het arbeidstempo is er ook thans nog sprake van geestelijke en lichamelijke uitputting. Verder is er veel geestdodende arbeid, arbeid, die de mens vernedert, arbeid, waarbij de mens zijn verantwoordelijkheid niet beleven kan, arbeid waarin de mens niet zichzelf kan zijn. De mens moet nog steeds arbeiden met het zweet op zijn gezicht, maar de arbeid zelf is geen gevolg van de zonde. De mens is ook het enige schepsel van God, dat werkt. Dieren werken niet. Machines en zelfs' computers werken niet. Dat doet alleen de mens.
De werkende mens lijkt hierin op zijn Schepper. In zijn werken moet hij gelijkenis vertonen met zijn Schepper. God werkt ook. Jezus zei: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.
Arbeid is een van God gewilde levensfunctie van de mens.
Wij mogen Gods medearbeiders zijn.

Het doel van de arbeid
Helaas hebben velen het doel van de arbeid uit het oog verloren.' We zien dat aan de aanbidding van de zogenaamde prestatiemaatschappij. We jagen onszelf en anderen op om steeds meer te produceren om daarna zoveel mogelijk te consumeren. In deze prestatiemaatschappij heeft de arbeid als enig doel, dat men er zelf zoveel mogelijk beter van wordt. Voor iets anders dan zo groot mogelijke productie en consumptie hebben we geen tijd. De mens is, zo las ik ergens, in plaats van godvrezend tijdvrezend geworden. Tijd is geld.
Immers de mens moet zich bewijzen door zijn dagelijkse arbeid.
In deze prestatiemaatschappij is arbeid inderdaad een vloek geworden: Het doel van de arbeid is dan ook een geheel andere. Zo spreekt zondag 42 over het trouw arbeiden om de nooddruftigen te helpen.
De mens kreeg bij de schepping de cultuurtaak, de opdracht om in dit leven bewarend, bouwend, ontwikkelend en beheersend bezig te zijn. De mens heeft de opdracht uit de schepping te halen wat er in zit.
Bij de arbeid gaat het erom, dat de mens aan zijn bestemming kan beantwoorden.
In wezen is arbeid niet anders dan het volgen van zijn levensroeping tot dienst van God, de medemens en zichzelf. Om daarmee toe te groeien naar het beeld van God.
Hel motief van onze arbeid is dus, dat God het wil, 'de samenleving het vraagt en ons levensonderhoud het nodig maakt. Arbeid is ten diepste dienst aan God, .godsdienst, een daad van gehoorzaamheid aan God.
Arbeid is ons antwoord op de roeping van God. Arbeid is een middel tot beleving van de verantwoordelijkheid van de mens door het dienen van God in het heersen over het werk van Zijn handen. Hierdoor kan de mens beantwoorden aan het beeld, waartoe hij geschapen en geroepen is.

Wat is arbeid
Maar nu raken we toch wat in de problemen.
Wat moeten nu al die mensen, die niet werken? Zij, die onvrijwillig werkloos zijn? Zij, wier gezondheid niet toelaat te werken? Zij, die te oud zijn om te werken? Zijn dat geen medearbeiders van God?
Deze problemen rijzen, omdat wij niet goed meer weten wat arbeid is Bij arbeid denken wij nl. alleen aan betaalde beroepsarbeid. Die wordt door ons, ten onrechte, op de troon gezet. Bij voorkeur zetten we de geestelijke arbeid dan nog op een hogere troon dan de lichamelijke.
Een huisvrouw moet nog altijd met schaamte invullen, dat ze geen beroep heeft. Immers ze verricht geen betaalde arbeid. Dwaas natuurlijk, want ze verricht arbeid waartoe God haar geroepen heeft.
Even dwaas is de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid.
De heidenen beoordeelden de mensen naar hun intellect. De Bijbel kent dat onderscheid niet. Alle arbeid is dienst van God opgedragen. Het maakt voor God niets uit of men arbeidt met baggerlaarzen aan of in toga gekleed. Ik heb dan ook wat moeite met het spreken van goddelijk beroep, wanneer men daaronder verstaat, dat je bij arbeid een bepaald beroep uitoefent. We worden geroepen tot het vervullen van onze cultuuropdracht, maar dat kan ook best plaats vinden buiten een bepaald beroep om. Arbeid is antwoord op de roeping van God.
Maar God heeft in deze tijd lang niet alle mensen geroepen tot betaalde beroepsarbeid.
Daarom kunnen ook zij, die, zoals men zegt, buiten het arbeidsproces staan, in Bijbelse zin arbeiden. ~e zijn naar de maatstaf van de Schrift niet uitgerangeerd. Dat geldt ook voor mensen, die moeten leven van een uitkering van A.O.W. of W.W. Ook zij leiden een zinvol bestaan, mits ze in hun situatie antwoord geven op Gods roeping. Deze is voor hen anders, dan voor iemand, die in het zogenaamde arbeidsproces is opgenomen.
Maar niet minder zinvol, als men maar het juiste antwoord geeft. AI zal voor hen het geven van het juiste antwoord bijzonder moeilijk zijn. Het is dan ook een goede zaak, dat zij, die niet in het arbeidsproces opgenomen zijn door de sociale wetgeving niet in financiële moeilijkheden komen.
En het is onjuist, dat zij, die wel een betaald beroep uitoefenen, de gedachte koesteren, dat die anderen op hun zak parasiteren.

Arbeid en rust
Vroeger werd de beroepsarbeid zes dagen per week uitgeoefend. Toen dit teruggebracht werd tot vijf dagen, waren er christenen, die dit in strijd met Gods gebod achten. Immers de mens moet zes dagen per week werken en één dag rusten. Ook hier weer het misverstand, dat zes dagen werken zou betekenen, dat we zes dagen in de week betaalde beroepsarbeid zouden moeten verrichten.
We mogen ook niet vergeten, dat vrije tijd niet minder waardevol is dan beroepstijd.
Het gebod tot rust en tot arbeid staan ook niet los naast elkaar. Het arbeidsgebod mogen we niet losmaken van de rust. Dat doet men als de arbeid een zelfstandige grootheid wordt en een eigen plaats en doelstelling krijgt. De mens wordt dan door de arbeid verstikt. Hij gaat in twee werelden leven, een van de arbeid en een van de rust en de ontspanning. Arbeid en rust zijn echter geen tegenstellingen.
Ze zijn op elkaar aangewezen. Ook rust is dienst aan God. Prof. Schilder schreef zelfs, dat in de hemel arbeid en rust zullen samenvallen. Zo mogen we altijd in beroeps arbeid of in andere arbeid, ja zelfs als we rusten en ons recreëren, werkende en spelende onze God dienen.
En daarin het beeld van onze Schepper vertonen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief