Nog eens met een dichter op de gracht

1978-04-14
  • Jaargang 22
  • nummer 15
Toen ik enkele weken geleden iets schreef over het gedicht van de Zuid-Afrikaanse dichter A. D. Keet, getiteld "Digter is hij", wist ik niet dat ik één van zijn verzen kende.
Ik had, zo schreef ik, naarstig gezocht om iets van hem aan de weet te komen, doch heel weinig gevonden.
Om er dan mee op te houden is, althans voor mij, bijna onmogelijk. Dus? Doorzoeken!
En jawel in een Encyclopedie voor Wereldliteratuur, vond ik iets. Er stond in, dat de dichter in Amsterdam had gestudeerd. In die tijd, zo ongeveer tussen 1915 en 1925, heeft hij verzen geschreven welke later zijn opgenomen in zijn eerste bundel, uitgegeven onder de titel "Gedigte".
Er werd nog bij vermeld dat er ook een gedicht in stond over Amsterdam, met als eerste regel "Ou Amsterdam is tog zo mooi". Toen ik die regel las wist ik dat ergens in mijn boekenkast, in de één of andere bloemlezing dit gedicht te vinden moest zijn, want ik kende die regel en kon hem zelfs een heel eind aanvullen.
Dus weer op zoek. Nu is zoeken in bloemlezingen vol gevaar te worden afgeleid. Maar, ondanks dat, ik heb het gevonden. En omdat ik het mooi vind en we het pas over een beleving op een gracht hebben gehad, geef ik het graag door.

Amsterdam
Ou arnsterdam is tog zo mooi
Met al sy liggies uitgetooi
In donker, donker nagte.
Dis liggies hier, en liggies daar

In lange rye aanmekaar,
Wat flikker in die gragte.
En honderd-duisend ogies loer
Op spieëlgladde watervloer

Daar bowe uit die hemel.
Dis liggies hier, en liggies daar
En bootjies wat so saggies vaar,
Dat ligte golfies wemel.
Die liggies soek mekaar weer op

In water, wat teen walle klop
Op stormagtige nagte.
So toweragtig, lief en skoon
Is liggies wat op walle woon
En flonker in die gragte.

Voor die jonge student, ver van huis, waren die verlichte grachten typerend voor Amsterdam.
Hij genoot van die duizenden lichtjes die weerkaatst werden in het water. De lichtjes van de lantarens en van de sterren. Prachtig, als het water spiegelglad is, en toverachtig als er een boot door de gracht gaat of als het stormt.
De dichter geeft het alles zó weer dat het herleeft. Je loopt met hem mee over de gracht. 't Is doodstil. Heerlijk.
Toen ik nog wat namijmerde over dit gedicht, realiseerde ik me dat het rustig wandelen, laat op de avond over een gracht, wel uit de tijd is. Zeker in Amsterdam.
Trouwens, al zou het niet gevaarlijk zijn, je zou, vanwege de vele geparkeerde auto's, van het grachtwater niet eens veel te zien krijgen.
Er is wel wat veranderd. Gelukkig maar dat het verleden kan worden vastgehouden in een gedicht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief