Een ontevreden mens
1978-04-14
De bekend geworden bestuursambtenaar Eduard Douwes Dekker schreef honderd twintig jaar geleden, onder het pseudoniem van Multatuli, een aanklacht tegen de Nederlandse koloniale politiek. Hij droeg zijn boek, behalve aan zijn vrouw, aan koning Willem IIIop. Vurig idealist en strijder voor menselijkheid en rechtvaardigheid, heeft hij niet alleen een boeket internationale problemen op de Nederlandse tafels gedeponeerd, de spanningen tussen een veroverd koloniaal gebied en een winstplukkend moederland aangewezen, de tekortkomingen van een verantwoordelijke regering ten aanzien van een onderdrukt en doodarm miljoenenvolk aangetoond - maar ook onze vaderlandse litteratuur verrijkt met een oorspronkelijk stuk proza van superieure kwaliteit.- Jaargang 22
- nummer 15
Als hoogtepunten van dit boek zijn te noemen: de voorname toespraak tot de Hoofden van Lebak, het ontroerende gedicht over Saïdjah en Adinda en ...de fabel van de Japanse Steenhouwer. Die laatste hebt u misschien ook wel buiten Max Havelaar aangetroffen, want zij is oud en universeel. Maar laten we het stuk eens ophalen zoals Multatuli het schreef: door spreektrant en schrijfwijze houdt het dan zijn aroma. Meteen zien we dat Multatuli ten onrechte van een fabel sprak; het is een gelijkenis, die hij opleverde. Want in een fabel spreken stomme schepselen om mensen te onderwijzen - hier niet. Maar in een gelijkenis treft u een zinnebeeldig verhaal - zoals dit.
"Er was een man, die steenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en tevreden was hy niet. Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk ware, om te rusten op een baleh-baleh met klamboe van roode zyde.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy wàs ryk. En hy rustte op een baleh-baleh, en de klamboe was van roode zyde.
En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden pajong boven het hoofd van den koning.
En als de ryke man dît zag, verdroot het hem dat er geen gouden pajong werd gehouden boven zyn hoofd, En tevreden was hy niet. Hy zuchtte, en riep: ik wenschte koning te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy wàs koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men den gouden pajong.
En de zon scheen met heete stralen, en verbrandde het aardryk, zoodat de grasscheut dor werd. En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht had boven hem. En tevreden was hy niet. Hy zuchtte, en riep: ik wenschte de zon te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy wàs de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden, naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom, En hy verschroeide den grasscheut op het aardryk, en het gelaat der vorsten die de de aarde waren. En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen der zon stuitten daarop terug. En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaagde dat die wolk machtig was boven hem, en tevreden was hy niet. Hy wilde de wolk zyn, diezoo machtig was, En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en ving de stralen op, zood at het gras groen werd. En de wolk regende in groote druppen op het aardryk, en deed de rivieren zwellen, en banjirs voerden de kudden weg. En hy verwoestte door veel waters het veld.
En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in groote stroomen, maar de rots week niet. En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de sterkte van zyn stroomen ydel was, En tevreden was hy niet.
Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenschte die rots te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy wèrd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het regende.
En daar kwam een man met een houweel, en met puntigen bytel, en met zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots.
En de rots zeide: wat is dit, dat die man macht heeft boven my, en steen en houwt uit mynen schoot? En tevreden was hy niet. Hy riep: ik ben zwakker dan deze ... ik wenschte die man te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy was een steenhouwer. En hy hieuw steenen uit de rots, met zwaren arbeid, en hy arbeidde zwaar voor weinig loon, en hy was tevreden".
Tot zover het verhaal, En om de thans minder bekende woorden te verklaren: een baleh-baleh is een rustbank van bamboe, een klamboe is een muskietengordijn, een pajong is een zonnescherm waaraan tegelijk de rang van de beschaduwde te zien is, een banjir is een overstroming en de spelhng IS vermoedelijk van Siegenbeek.
Maar de ontevredenheid verstaan we allemaal en het streven naar hoger en meer en beter en gemakkelijker is geen van ons vreemd. Zo is de mens. Altijd geweest. Wanneer de spanning tussen behoeften en omstandigheden te machtig werd streefde ieder naar betere dingen. Men zegt dat luiheid de vader der uitvindingen is. Zo is ontevredenheid de drijfveer naar hoger levensniveau, betere producten, groter prestaties, ook verbetering van ons gedrag, zelfs verdieping van ons leven.
Maar ontnuchterend is het slot van de "fabel". Steeds opklimmend van laag tot hoog steeg de steenhouwer zo lang ...tot hij zijn oude beroep terug had.
De kring gesloten? Ja, met dien verstande dat hij nu tevreden was. Geen magische misleiding, geen toverkring - maar inzicht in de samenhang der dingen. Een begin van wijsheid.
Prediker was verder dan de Japanse Steenhouwer. Die zag de ijdele betrekkelijkheid van ons bestaan - maar tegelijk zag hij dat het de "goeden" anders verging in die ijdelheid dan' de "zondaars". De eersten krijgen van God wijsheid wetenschap en vreugde. De laatsten steken daar armoedig tegen af; wat ze hebben wordt hun nog afgenomen (3 : 26). Het slot van zijn wijsheid is dan ook: vrees God en houd zijn geboden. Dan krijgen we tevredenheid zonder lamlendigheid; wetenschap zonder waanwijsheid; en vreugde zonder uitzinnigheid.
Zullen we het daar maar op houden?