Gereformeerd Kerkboek? De melodieën beproefd
1978-05-12
Dan nog enkele opmerkingen over afzonderlijke gezangen.- Jaargang 22
- nummer 19
Gz, 6, onze geloofsbelijdenis. Die komt nu al in drievoud voor en wel Gz. 6 (berijming Voet) op een slechte melodie van een deputaat uit 1920-1933; de onberijmde (Gz. 6a) waarvoor een melodie voor een Straatsburg's Credo uit 1553 is verknutseld - en een onberijmde (Gz. 6b), waarvoor Paul C. v. d. Westering een Niceaans Credo heeft verknipt. Alle drie achten wij aanvechtbaar. 1)
De eerste, omdat de 3 cepumten, ondanks een synodale opdracht om zich met deskundigen uit de Orgarrisenvereniging te verstaan, de muziek zelf wel meenden te kunnen regelen. Blijkbaar waren ze gerenommeerde harmoniumhefhebbers en de onbenullige melodie van Gz. 6 is duidelijk aan dit instrument geboren; bestaat uit een boeketje lieflijke aceoorden - maar niet uit een ritmisch gefundeerde spanningsboog. De maker hield zich schuil. Ons is echter destijds, zowel van theologische als muzikale zijde, geraden, naar ds A. H. v. Minnen te kijken.
Over deze melodie dus geen goed woord. Maar de beide andere hebben, hoewel bogend op klassieke voorouders, onvoldoende vorm, spanning, structuur, poids et majesté. Ze zijn samengesteld uit klassieke motieven maar missen de coupletvorm. Vergelijk Pidoux I, nr 206. - Wat dan?
In Datheen's bundel was een tweede berijming, alzo die van Jan Utenhove, getoonzet op de voor-reformatorische, ook door Luther gebruikte, melodie uit de 15e eeuw. Deze melodie is overgenomen in onze uitgave-1773 en wel voor de tweede berijming van ons Credo. Zo'n vier eeuwen was dit dus een officiële kerkelijke melodie onder ons. Totaal onverwacht en onverantwoord hebben de Middelburgse deputaten in 1933 deze majestueuze wijs (ook door Baoh enkele malen bewerkt) laten vallen. En wel... ten behoeve van het Westlandse harmoniumproduct. Een eenvoudige daad van verduistering, subsidiair oplichting, En géén die een snavel open deed, een vleugel verroerde of piepte, om met Jesaja te spreken; of het moest D. N. J. v. d. Paauw zijn geweest, die als toenmalig voorzitter van onze organisten in O & E-1933 stoutmoedig maar beleefd van leer trok.
Een enkele uitgever ging zijn eigen gang; deputaten kon het verder niet schelen, ondanks speciale synodale opdracht: om op de uitgaven toe te zien 2); zo'n uitgever bleef de melodie uit de 15e eeuw (Luther 1524) afdrukken. Een ander gaf de z.g. Straatsburgse uit 1553, naast de deputatenmelodie. Jongbloed liet de officiële melodie geheel vallen.
Wij hebben meermalen het pleit gevoerd voor de oudste en beste melodie, de 15e eeuwse, die bij Luther in 1524 voorkomt, bij Datheen-1566, bij de Statenberijming-1773, bij Bach - en die vandaag overal ter wereld in de Lutherse kerken gezongen wordt. 8) Een melodie, welke alleen in onbruik is geraakt omdat de woorden in flagrante strijd kwamen met de muziek, Misschien mogen we voor snuffelaars verwijzen naar onze studie "Een gezongen geloofsbelijdenis" in "Organist en Eeredienst'', nov. 1961 t/m mrt 1962, die een vrijwel uitputtende behandeling gaf van berijmde en onberijmde credo's uit vroegere en latere tijden.
Een opmerking over Gz. 11 Ere zij God. Reeds meermalen is door bevoegder hand dan de onze aangetoond, dat deze erbarmelijke wijs, met zijn vervelende en vermoeiende herhalingen, toch niet een kerkmelodie kan worden genoemd. Ons volk is er dol op? Ja, ook op plumpudding en kerstkalkoen. Maar voor verantwoordelijk gestelde deputaten is dat geen overweging. Reformatie is niet vastleggen van het verleden - maar klaarmaken voor de toekomst.
Gz, 15 In het kruis, Zowel naar tekst als melodie een aardig zondagschoolliedje, maar nooit te rekenen tot kerkmuziek.
Gz. 18, 19, 21 en 24 vallen tekstueel onder hetzelfde bezwaar als 15: dat da Costa's brallende Oosterse taal voor onze tijd hopeloos verouderd is; erger: tot onwaarachtigheid en humbug kan worden gestempeld. Zijn uitroeptekens wijzen er al op. Hier is niet ûit de Schrift, hier is niet náár de Schrift gesproken.
Dit staat ver beneden Luther. Dit staat ver beneden Barnard, Wit, Schulte Nordholt. De melodieën (18, 19,24) maken het ook al niet beter.
Gz. 17 U heilig Godslam. Deputaten van 1920-1933 deden er wel aan, de onbekende wijs van psalm 54 naar voren te schuiven. Ze toonden namelijk aan: dat een "onzingbare" psalmwijs onbemind wijl onbekend kan zijn, maar niettemin wel zingbaar. Wij houden echter onoverkomelijke bezwaren tegen het krulstaartje, dat deputaten-1933 aan de melodie van ps. 54 deden bengelen.
Destijds gebruikten wij hiervoor het woord coda (= staart). Dat woord wordt nu door deputaten-1975 overgenomen of het om iets eerbaars ging. Nu, die coda, dat aangehangen staartje, is volstrekt niet eerbaar. Primo omdat bij een universele wijs uit de reformatorische schat niets moet worden aangenaaid.
Secundo omdat dit staartje uit de hypo-ionische toonreeks van de psalm valt, zoals wijlen J. M. Vetter aantoonde. U zie slechts hoe deze coda halverwege naar C uitwijkt, een zaak die in de hele psalm niet bestaanbaar is. Tertio omdat deputaten-1975 de smakeloze historie op de voet volgen, door halverwege nog een rust aan te brengen. 4) Iets dat zelfs deputaten-1933 te gortig was; die spraken van "een toegevoegde regel". Zo is het krulstaartje nog geknikt ook.
Couperen zo iets.
Gz, 1, de Wet. Naar wij menen was het Con. Huygens, die in de 17de eeuw al de vraag stelde: is het wel juist, Gode zijn eigen geboden toe te zingen?
Daarvoor zijn ze ons tooh niet gegeven? - Het bundeltje Honderdnegentien nam alleen het toepasselijke slotcouplet van Voet over. Daar zit wat in - behalve die geboôn.
Gz. 30 Een vaste burcht. De tekst van Martin Luther werd berijmd door dr H. J. Schilder. Smilde zegt ervan: "De tekst van H. J. Schilder heeft hier en daar een sterke toon en pakkende regels. De slotstrofe is zeker niet de beste". We zijn blij met deze berijming en deze beoordeling en merken op, dat althans één gezang uit "eigen kring" afkomstig is.
Wij besluiten de bespreking van de gezangen uit het Gereformeerd Kerkboek met een samenvatting van de hymneloog-musicoloog Bernard Smilde:
"Van harte hoop ik dat onze vrijgemaakte gereformeerde lezers bij hun deputaten in de kerkelijke weg zullen protesteren tegen dit onverantwoorde gezangenboek. Wat de teksten betreft is het een schrale, zeer schrale oogst. Wat de muziek betreft, zijn het slechte vruchten. En die moet men God noch mensen aanbieden".
Wij sluiten ons hier volkomen bij aan. Maleachi zou zeggen: probeer het uw vorsten eens aan te bieden!
De kerk van Spakenburg vroeg openbaar: kunnen we niet tot één psalmboek komen? Dat zou dan voor ons, buitenverbandse kerken, geldend moeten gemaakt worden. Na het voorgaande wordt het misschien duidelijk: nu, dan dit psalmboek zeker niet. Bovendien: moet dat nu, één psalmboek? Is niet al bewezen, dat uit onze kerken bepaald geen eigen boek kan komen, dat beter is dan wat er te koop is? En dat we te machteloos zijn, dan dat we iets op tafel kunnen brengen dat ons het recht (laat staan de plicht) zou geven: afstand te nemen tot de andere psalmzingende Nederlandse christenen?
Blijven over de formulieren en de belijdenisschriften. Tja, wanneer die voor onze mensen eindelijk eens in een modem gewaad konden worden gestoken - daar is wat voor te zeggen. Hoewel dan meteen wel bezien mag worden: in hoeverre is dat werk nog nodig? Zijn anderen, met name de Christelijke gereformeerden, ons al niet voor?
En de idee om ook de kerkenorde (welke eigenlijk? Na elke kerkscheur worden de spelregels immers gewijzigd) aan het Kerkboek toe te voegen, is een regel waard. Wij kwamen eens voor huisbezoek bij een familie, waar een beduimeld exemplaar van de DKO op tafel lag. Ondoordacht als gewoon zeiden we: we wilden dat hier de Bijbel net zo uitgelezen werd als de kerkenorde.
Maar dat was fout. De huisvader stoof op en riep: wat hebt u tegen de kerkenorde?!
Hoegenaamd niets, zeiden we, we weten alleen veel goeds van de Bijbel te zeggen. Incident gesloten.
Mogen we tenslotte nog iets goeds van het Liedboek voor de Kerken zeggen?
Het is onze taak niet, propaganda voor dat boekje te maken. Als wij van tijd tot tijd een lied hieruit bespreken is het, omdat we er tegen aan liepen. En steeds weer trof ons, hoe dicht dat liedboek bij de Schrift staat, de Schrift als historisch gegeven aanvaardt, en met eerbied over de geopenbaarde God in Jezus Christus spreekt.
Welnu. Door het gebruik van het Liedboek komt de beste psalmberijming van deze eeuw, wellicht de laatste uit deze bedeling, tot onze beschikking. Wanneer een kerkeraad besluit, deze bundel critiseh te gebruiken, kan hij zelf uitzoeken welke psalmen hij uit dit boek verkiest, welke gezangen aanvaardbaar mogen heten. We spreken over een product van dichters en schriftgeleerden, gebracht in modern Nederlands, met een diepte, die ook buitenkerkelijke mensen kan interesseren. Daarnaast blijven voor bepaalde wensen de bundels 1773, Hasper, Muns e.a. beschikbaar. Om Datheen en Marnix niet te vergeten.
Door het Liedboek te gebruiken komt bovendien een reeks van bijna 500 kerkliederen tot onze beschikking. Daarin de hele oogst van Middelburg, vrijwel de hele oogst van GS-1975, maar dan veel beter. Daarin zitten ongetwijfeld liederen, die het naar uwen onze overtuiging niet of minder goed doen, als kerkelijk lofoffer. Weet u hoe veel? Wilt u ze eens tellen? Maar u hóeft ze niet allemaal te zingen. Ook in onze "enige" gezangen zijn liederen, welke wij bewust niet meezingen.
En denk eens aan het volgende. Eens mochten wij spreken op een gecombineerde avond van vrijgemaakte en christelijke gereformeerde broeders en zusters. Vertrouwde ons een christelijke gereformeerde zuster toe: haar bezwaren tegen een lied uit het Liedboek, dat haar kinderen op school leerden zingen; het was zo modern, zo ongeestelijk, het stuitte haar tegen de zachte borst.
Toegevende dat we niet alles uit het Liedboek behoeven te aanvaarden, vroegen wij nieuwsgierig naar het nummer. Het was nr 122, naar Nun komm der Heiden Heiland. Een reformatorisch kerklied van Martin Luther, Van die goede Luther, die als eerste de christenen in Duitsland aan het zingen bracht; die Jesaja's visioenen (24) vertolkte; die het gebed des Heeren (48) berijmde; die Een vaste B-urcht (401) dichtte naar aanleiding van psalm 46; die zoveel andere psalmen in vrije liedvorm had weergegeven; het kerstlied Vom Himmel hoch en och, zo vele vele andere mooie kerkliederen - denk alleen nog aan "Bewaar ons Heere bij uw Woord" (310).
U begrijpt het al. Toen hebben we dit lied eens voorgelezen. Een adventslied.
Niet slechts een seizoenlied voor de decembermaand - maar een gebed om Christus' wederkomst. We hebben op de Bijbelse termen en achtergronden gewezen in elk couplet. Leest u het zelf maar eens en ontdek nog meer. U zult merken dat alles appeleert op de Schrift, appelleert op UIW geloof. Moeten wij nog zeggen, dat het lied voortaan minder verdaoht was voor die zuster dan ,,O Kindeke klein"?
Laatste opmerking. Moet het "Liedboek voor de Kerken" door onze meeste kerkelijke vergaderingen worden gekeurd en "vrijgegeven"?
Wie iets weet van de werkwijze van sommige kerkelijke deputaatschappen, wie wel eens als knechtje van de kok van de kerkelijke bijkeuken heeft gewerkt, denkt diep na alvorens ja te antwoorden. Indien al. Bovendien: de meest bezwaarde groep kan altijd de voorhoede ophouden - moet men nu in Spakenburg goedkeuren wat de broeders in Amsterdam zullen zingen? Dan: de werkzaamheid van onze broederliefde wordt wel altijd ingeroepen, om rekening met de tragen te houden - zelden om rekening met de voorhoede te houden. We zijn allemaal bezorgd over wat "dreigt te verachteren". Maar slechts eenmaal zagen we een gebed voor o~e pioniers.
Laten we vooral christelijk-practisch zijn. De ontwikkeling der dingen sedert 1970 is zo geweest, dat verscheidene kerken de moed vatten, het Liedboek-1973 te gaan beproeven. Voorzover bekend is deze vrijheid haar goed betomen. Met welk recht zouden we die vrijheid nu eigenlijk willen afnemen?
Noten
1) De index vermeldt v. d. Westering als "auteur". Dit is onjuist. Hij verzorgde slechts de melodie. Evenzo Schulz ten aanzien van Gz 11.
2) Zie ons artikel "De chaos in onze Gezangenmelodieën",O & E sept. 1939, aan al de synodeleden van Sneek. uitgereikt.
3) Ook Ghijsen, voor 1693, gebruikce deze melodie.
4) Deputaten "verantwoorden" die rust, door te zeggen dat ze daarmee het ritme van de hele melodie homogeen maken. Ze doen juist het eegengestelde.