Een verzwegen thema (2)
1978-05-19
In dit laatste artikel wil ik komen tot het opstellen van een aantal stellingen, die betrekking hebben op de vragen van persoonlijke levensleiding.- Jaargang 22
- nummer 20
In het eerste artikel zagen wij vanuit de bijbel dat er alle reden voor is om te geloven in een God, die zó groot is, dat ook het kleine van ons eigen leven van iedere dag Hem aangaat.
Wij mogen Hem erin betrekken en Hij laat Zich van Zijn kant daarin niet onbetuigd. In de nieuwe relatie waarin wij door Christus met God staan is ook ruimte voor levensleiding en geborgenheid. Hoe ervaren wij die?
Israël had de wolkkolom en de staafjes van de Urim en de Thummim waarin ze Gods wil mochten aflezen, maar wij hebben noch het een noch het ander. Moeten wij dan maar afgaan op ons gevoel - of onze innerlijke stem?
In het vorige artikel wezen wij ook dat af.
Wij kunnen ons gemakkelijk dingen inbeelden. Wel zagen wij ook toen al dat de Here anderzijds soms wondere wegen gebruikt, tot op zichzelf genomen zeer twijfelachtige verschijnselen toe, om Zijn leiding aan mensen duidelijk te maken. Misschien moeten wij het in het vorige artikel gezegde wel zó samenvatten: alles kan tot middel worden in Gods hand maar niets is het op dwingende wijze, zodat het Goddelijk karakter ervan bij voorbaat vaststa ..r. Mevrouw Schaeffer kreeg in 1955 een gift van 1000 dollars op de laatste dag dat zij het aanbetalingsbedrag kon betalen voor de aankoop van chalet les Mélèzes, dat het centrum werd van het l'Abri-werk. Voor haar was dit een teken van Gods leiding in hun Leven.
Wanneer wij achteraf met haar omkijken, zijn wij dat met haar eens.
Maar vooraf? Wie durft vooraf met 100% zekerheid te spreken? Een man uit Groningen had een omgekeerde ervaring: hij bad om een huis -'- en kreeg nog diezelfde avond een telefoontje van iemand die hem een huis aanbood. Hij nam het als uit Gods hand aan. Maar hij zegt: ik ben nog nooit zo bedrogen uitgekomen: het lekte en schimmelde en stonk: ik heb er alleen maar ellende van beleefd!
Achteraf bleek dat hij zich in Gods leiding vergist had. Dat leidt ons tot de eerste stelling:
1. Gods leiding sluit de menselijke verantwoordelijkheid niet uit, maar in.
D.w.z. wat ons ook overkomt, aan onverwachte ontmoetingen, plotselinge of niet plotselinge bezoeken, brieven, aanbiedingen, gevoelens en ervaringen, wij blijven als mensen steeds zèlf verantwoordelijk voor wat wij ermee doen. Wij mogen wikken en wegen. Wij mogen niet de zwaarte van onze verantwoordelijkheid op de Here afwentelen, vanuit een soort onvolwassenheid. Wij zullen wel eens met een zucht moeten belijden, wat Kierkegaard schijnt te hebben neergeschreven: "Heer, zó handel ik in deze zaak; het is best mogelijk, dat wat ik nu doe erg dom is en schadelijke gevolgen voor mij zal hebben, maar op het moment weet ik niet beter, en ik weet ook dat ik niet langer moet spijbelen, maar dat er gehandeld moet worden. Dus doe ik het. Maar daarom ze~ ik het ook tegen U en doe ik een beroep op U, want U bent immers mijn Vader en U hebt een liefde, die mijn begrip te boven gaat. Terwijl de handeling mij uit de hand loopt, geef ik haar aan' U over; doe U ermee wat U wilt. Ik ben er zeker van, dat op die manier het allerdomste toch nog goed afloopt".
Wel zegt Kierkegaard erbij: het spreekt vanzelf dat dit niet iets betreft wat zondig of goddeloos is. (O. Jager, Wat wil God eigenlijk?, blz. 39). Maar naast de minimum-zekerheid waaraan Kierkegaard hier uitdrukkin~ geeft, zijn er vaak royalere momenten, waarop wij ineens een duidelijke wenk krijgen in welke richting wij moeten gaan. Zelfs dan echter is het belangrijk om ons te realiseren dat wij de keus hebben gemaakt en dat wij daarom aanspreekbaar zijn op deze daad en dat wij ons niet achter de Here mogen verbergen. Het kan zelfs met het duidelijkste teken nog zo zijn dat wij ons in de uitleg ervan vergissen...
Dat leidt mij tot stelling twee.
2. De zekerheid over Gods leiding in mijn leven is er een, die groeit.
Hoe wist Paulus de ene keer dat het de Here was die hem tegenhield (Hand. 16: 7) en de andere keer dat het de Satan was (1 Thess. 2: 18). Uiterlijk gezien waren de hindernissen om niet te gaan misschien wel gelijk. Had Paulus dat dóór, met een knip van zijn vingers? Ik denk het niet. Ik denk dat hij het gebeuren "geproefd heeft, tijd genomen heeft om de gevolgen te zien, en bij het voortgaan in de tijd de groeiende zekerheid heeft gekregen dat het een een streek van Satan was en het ander leiding van God. Ook hier geldt in heel speciale zin: uit de vruchten ken je de boom. Dit betekent dat andere factoren altijd meebeslissen.
Wie op grond van een bijzondere samenloop van omstandigheden meent dat het meisje dat hij daardoor ontmoet heeft de vrouw is die de Here hem geeft, kan gelijk hebben, maar zich ook pijnlijk vergissen. Andere factoren spelen daarin mee (of zij wel bij hem past bijv.) en die factoren moeten de eerst ontstane zekerheid doen uitgroeien, maar kunnen ze ook afbreken. Zelfs in het bekende verhaal van Abimelech uit Gen.
24 is dit het geval. Hij bidt om een teken: laat het zo zijn dat het meisje dat zegt 'zal ik ook uw kamelen drenken' de vrouw is die Gij bestemd hebt voor uw knecht Isaac.
(vs 14) Maar als de Here dit gebed verhoort, dan zegt Abimelech niet: nu weet ik wie de Here mij gegeven heeft - integendeel: dan staat er: "en de man sloeg haar zwijgend gade om te weten of de Here zijn weg voorspoedig gemaakt had of niet" (vs 21). Pas wanneer hij de nuchtere vragen gesteld heeft wie zij is en waar zij vandaan komt (vs. 23) en deze factoren de eerste gebedsverhoring nog ondersteunen omdat zij"
Abimelech de zakelijke informatie geven, die hij nodig had (in zijn verantwoordelijkheid tegenover Abram), toen boog Abimelech de knieën en wierp zich neer voor de Here, en zei: Geprezen zij de Here, want Hij heeft mij geleid! (vs. 27). Dit geldt evenzeer voor Gods leiding ten aanzien van een hele gemeenschap van christenen. Daarom waren er onder ons die zeiden: of de vrijmaking (uit)leiding van God was of piet, dat moet de toekomst leren. Een lijn loopt over punten. We hebben méér punten nodig om de lijn van zekerheid t.a.v. Gods leiding te kunnen zien lopen.
3. Het verhaal van Abimelech geeft ons een derde stelregel in de hand waarnaar wij ons moeten richten nl.
er is geen leiding dan ná toewijding.
Hoe komt het dat Abimelech zo'n zeer bijzondere gebedsverhoring ontvangt terwijl wij soms op een nog belangrijker kruispunt van wegen bidden en er gebeurt niets!?
De uitleggers van Gen. 24 vestigen er met recht de aandacht op dat Abimelech de erfopvolger van Abram's bezittingen zou zijn geworden als Isaac - of Isaac’s nageslacht wegviel. Dat werpt een speciaal licht op de zelfverloochening waarmee Abirnelech hier te werk gaat en bidt.
Bewijs toch genade aan mijn heer, bidt hij, niet denkend aan zijn eigen schade. Er klinkt al iets in door van Johannes de Doper's woorden t.a.v. Jezus: "Hij moet groeien, ik moet minder worden" (Joh. 3 : 30). Op die weg bewijst de Here aan Abimelech op bijzondere wijze Zijn leiding. Bijzondere leiding wordt gegeven na bijzondere toewijding. Is dat misschien de achtergrond voor het feit dat zendelingen vaak meer van Gods bijzondere leiding weten te vertellen dan thuiskerken? Vanwege hun bijzondere toewijding.
Soms laat de Here niets van zich merken, omdat wij hem niet echt willen volgen (1 Sam. 28) en Jezus zegt ergens: alleen indien iemand diens wil doèn wil, zal hij weten dat ze van God komt (Joh. 7 : 17).
Hoe intenser wij Christus navolgen en het Koninkrijk van God zoeken, des te meer wordt ons Zijn weg duidelijk.
Dat is ook de achtergrond achter de bekende woorden van Ps. 37 : 4: verlustig u in de Here, dan zal Hij u geven de wensen van uw hart. Als wij Gods wensen tot ome wensen maken, maakt Hij de onze tot de Zijne en gaan er bijzondere dingen gebeuren.
4. Toch sluit Gods leiding de raadsels niet uit.
Dezelfde Johannes de Doper is er het voorbeeld van hoe een man in grote toewijding toch ineens voor bittere raadsels kan komen te staan. Prof. Berkhof wijst erop dat het uitgerekend Romeinen 8 is waar Paulus het duidelijkst spreekt over Gods bijzondere levensleiding, een hoofdstuk dat voor het grootste deel gaat over het lijden in de tegenwoordige wereld.
"De zorg van God komt tot ons midden in een voorlopige en schuldige wereld, vol grilligheden van wat wij het toeval noemen en vol "wetmatigheden van wat wij het noodlot noemen" (Christelijk geloof, 467). In die wereld mogen wij weten "dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben" (Rom. 8 : 28). Er zit een patroon in Gods handelen met ons. Hij heeft een plan met ons leven. Wij lezen dat er niet zelf in.
Alsof leiding alleen een kwestie is van interpretatie en duiding. Rom. 8 : 28 verzekert ons dat God van zijn kant dat erin legt, erin weeft, zoals ie een patroon kan weven in een tapijt.
Maar niet altijd zien wij dat zelf. Somt zien wij alleen maar de warrige onderkant van het weefwerk. Juist dan komt het erop aan te blijven geloven.
Totdat de Here ons opnieuw er een glimp van laat zien, zoals Mozes op de Nebo even een blik mocht slaan op het beloofde land.
5. Deze leiding van God in ons leven is nooit automatisch. Wij kunnen wel degelijk het plan van God met ons leven missen, door onwilligheid of domheid. Wij kunnen bouwen op het fundament met stro en met goud (1 Cor. 3 : 12). Zodra wij teveel denken vanuit Gods voorzienigheid, die immers over alle dingen gaat en door geen mens is tegen te houden, krijgt ons nadenken over levensleiding iets automatisch over zich. Het maakt ons ook niet meer blij die op te merken. Als alles met God te maken heeft, dan is dat voor ons vaak gelijk aan de stelling dat niets met God te maken heeft. God is dan gelijk aan het lot.
Maar in een wereld vol moeiten, en vragen, schuld en gebrokenheid iets te zien van Gods heilsplan - ook in ons kleine individuele leven - dat maakt blij en verwonderd. Daarom benadrukt prof. Berkhof, dat wij over Gods levensleiding moeten nadenken niet vanuit de leer over Gods voorzienigheid, maar vanuit Gods heilswerk in Christus. Wie Christus navolgt, wordt in Gods plannen ingeschakeld. Niet automatisch, maar alleen via zijn steeds weer hernieuwde en te vernieuwen geloofskeus.
In die navolging maakt de Heer ons soms ook bij voorbaat al duidelijk in welke richting Hij ons sturen wil, laat Hij ons vaak achteraf zien, waarom het zo moest en niets anders en bemoedigt Hij ons met Zijn bel ofte, ook als wij niets zien noch vooraf, noch achteraf, dat Hij alle dingen toch doet medewerken ten goede, als wij Hem maar liefhebben boven alles - en onze naaste als onszelf.