Heeft de Bijbel dan toch gelijk?

1978-05-19
  • Jaargang 22
  • nummer 20
Toen Werner Keiler destijds zijn boek "De Bijbel heeft toch gelijk" publiceerde, irriteerde hij de gelovige bijbellezer.
Want die zat er waarlijk niet op te Wachten, dat het "gelijk" van de Bijbel wetenschappelijk zou worden bewezen. Hij gaat er immers van uit dat de Bijbel, Gods Woord, onfeilbaar is en dat alles wat hiermee in strijd komt ongelijk heeft. Nu, Werner Keiler bedoelde het niet zo grievend als wel eens opgevat is. Die gaf eerder in naïeve verwondering te kennen, dat de opgravingen aan de feitelijke nauwkeurigheid van de Bijbel beantwoordden. En dat moet kunnen.

Het boek "De ark in de branding" van dr W. J. Ouweneel (Buijten en Schipperheijn, Amsterdam 1976) doet vaak aan de titel van Keiler denken. En dat geeft een lichte huiver. Want wie te veel bewijst bewijst niets, zegt een spreekwoord. De schrijver van dit laatste boek kan zo enthousiast en meeslepend en geduldig en onuitputtelijk en belezen, ook belezend, de juistheid van het zondvloedverhaal bewijzen, dat de welwillend kritische lezer (als we ons vandaag zo noemen mogen) zich soms afvraagt: wel wel, zou de Bijbel dan toch nog gelijk hebben?
En toch is dat de laatste opmerking niet, die dit boek verdient.

In vroeger eeuwen en daarna hebben geleerden hun vege huid moeten redden door veinzend toe te geven dat de zon om de aarde draait. Ze wisten beter - maar de inquisitie wist niet beter. Dit overbekende voorbeeld staat niet op zichzelf. Sinds onheugelijke tijden komen mensen tot de ontdekking, dat hun waarnemingen niet altijd kloppen op wat de Bijbel letterlijk zegt. (De Bijbel noemt de eenhoorn - maar hebt u dit legendarische wezen ooit ontmoet?) Hun streven is dan niet: het ongelijk van de Bijbel of het ongelijk van de wetenschap te bewijzen. Hun streven, indien goed, is dan: de harmonieuze synthese, het schone samenstemmen, tussen het ene en het andere gegeven te ontdekken. Met dat streven zijn zelfs theologen niet altijd geslaagd; in Zondag 4 H.C. is een schrijnende tegenstelling blijven staan tussen Gods barmhartigheid en Gods rechtvaardigheid, een tegenstelling, die in de Bijbel bepaald geen grond vindt naar onze mening. Als iemand vandaag de moed zou hebben de lange procedure van een correctie op onze geloofsstukken aan te spannen (de gedachte alleen schijnt huiveringwekkend) - dan zou hij hier een begin kunnen vinden.

Nu zijn de vragen rondom de eerste bijbelhoofdstukken legio, dat is bekend. Hoe is de weergave van de schepping tot stand gekomen? Wie heeft de zaken beschreven, die geschied waren eer de mens geschapen werd? Wie kende de schrijfkunst (en wat daar achter Iigt!) toen de mens zich van heden, verleden en toekomst bewust werd? Wie weet het verschil tussen symbool en geschiedschrijving zuiver te stellen?

Sommigen staan bij die vragen met hun antwoord klaar. "De inspiratie", zeggen ze. De "heilige mannen Gods"
hebben het opgeschreven. "Alle Schrift is van God ingegeven en nuttig ter onderwijzing", enz. Jawel. Maar wàt hebben de heilige mannen Gods geschreven - en wat is daar zonder inspiratie aan toegevoegd? Denk nu eens aan het persoonlijke cachet, dat de medicijnmeester Lucas of de farizeeër Paulus aan zijn werken meegaf? En "inspiratie" zegt u - maar welke van de diverse inspiratietheorieën hebt u daarbij op het oog? En: is alle Schrift door God ingegeven? Met hetzelfde recht (zeggen ook onze meest betrouwbare uitleggers) kunt u vertalen: "alle van God ingegeven Schrift is nuttig ter onderwijzing" enz. Waarmee uw stelling ineenstort. En zegt u nu niet te gauw: dat is vuige ketterse taal - want met zulk een lichtzinnige uitspraak hebt u de gestelde vragen niet beantwoord maar ontlopen. Ieder, die serieus de Bijbel leest, speciaal het begin van Genesis, is tot hinken en zinken ieder ogenblik gereed, om met de 18de eeuwse psalmist te spreken.

Om maar dicht bij huis te blijven: een halve eeuw geleden is een gereformeerd theoloog over boord gespoeld vanwege één loslippige uitspraak op de kansel; en nog vorig jaar heeft een onzer redacteuren voorzichtig gesteld: dat we, gezien de symbolische betekenis van de "data" rondom de Bijbelse zondvloed, deze verzen "niet argeloos" kunnen lezen.' Kom, laten we nu, in volle verzekerdheid der geloofs, ons niet zo eng opstellen, dat we elkanders denken en denkresultaten bij voorbaat al binnen de perken van onze huidige overtuiging opsluiten. Wanneer we de door ons vastgestelde waarden (waarvan we weten dat ze aan alle menselijke kortzichtigheid lijden) tot universele en feilloze exegese van Gods Woord verheffen, overschatten wij het theologisch denkwerk en onderschatten wij het werk van Gods Geest. Dat leert ons de historie van de draaiende zon.

Deze dingen moeten vooraf worden opgemerkt, want bij "De ark in de branding" (de titel is een fijne vondst) gaat het om ons "hanteren" van de bijbelse gegevens tegenover het "hanteren" van wetenschappelijke gegevens. En wanneer de schrijver talloze malen met begrijpelijke blijmoedigheid bressen in de wetenschappelijke vesting weet aan te tonen - welke bressen bij rechtstreekse aanvaarding van het bijbelverhaal vermeden schijnen te worden - is de christelijke lezer geneigd dankbaar te applaudisseren. Of die lezer hiermee positief meewerkt aan de komst van het Koninkrijk is een ander punt.

Het gaat hier om de stellingen "evolutionisme" en "creationisme". Bij het evolutionisme gaat men ervan uit, dat alle levende wezens door verbetering uit de vorige soorten zijn ontstaan, zodat de mens na een lange weg van evolutie uit de laagste wezentjes zou zijn ontwikkeld; zodat er voor een scheppende God alleen plaats over blijft voor het destijds op gang brengen van dit evolutieproces.
Bij het creationisme gaat men ervan uit dat God, zoals de Bijbel zegt, alle wezens (en tenslotte de mens) "naar zijn aard" heeft geschapen, de mens zelfs als beeld van God zelf. Zodat de mens door zijn naamgeving een momentopname van de aard van elk wezen kon verstrekken; daarmee aantonend dat hijzelf boven die geregistreerde schepselen staat. Variatie is sedert Adam altijd' mogelijk gebleken; opklimming tot hogere soorten is nimmer aangetoond. Er is bij het creationisme dan ook geen plaats voor vanzelflopende ontwikkelingen: er is wel afhankelijkheid van een God, die aan zijn schepping dagelijks gedenkt.

Zo simpel als hiervoor beschreven is het natuurlijk niet. Al in onze schooljaren zei onze rector: "nu ze in Amerika genoeg hebben van de evolutie wordt dat tweedehands zaakje in Europa geïmporteerd en de wetenschap is er dol op. Als iemand je wetenschappelijk aantoont dat de mens van de apen afstamt, moet je hem rustig blijven bekijken en dan nadenkend zeggen: misschien hebt u toch gelijk." Vrage: zag de Europese wetenschap de evolutietheorie inderdaad als tweedehands en overwonnen en afgedankt? Of was het religieuze klimaat hier toen al zo onwelwillend tegenover hen, die de Bijbelse gegevens niet bij voorbaat als historisch bruikbare gegevens hanteerden, dat zij een kant op gedróngen werden? Was er bereidheid tussen die beide groepen, om samen naar een harmonisch compromis te zoeken tussen Schriftuur en Natuur? Of was er alleen "antithese"?


Hier zit voor de bijbellezer natuurlijk alles aan vast. Want de oudheid van deze aarde wordt op honderden miljoenen jaren gesteld. De ouderdom van dit heelal, van vele sterren althans, wordt zelfs op miljoenen licht-jaren gesteld. *) Hoe weet men zo iets? De ouderdom van de aarde wordt gemeten naar de tijdperken, welke door de gesteentelagen worden aangegeven. In die gesteentelagen geven de fossielen (versteende, vroeger levende wezens .of organismen) de bevestiging van de gevonden perioden: in de "oudste" gesteenten treffen we de onbenulligste wezens aan, in "latere" gesteenten de fossielen van hoger geordende dieren en planten. Pas heel laat en heel zeldzaam vinden we souvenirs van de vroegere mens.

Deze theorie is hecht opgesteld, maar heeft een zwakke bres, zo wijst dr Ouweneel aan. Want heel de ouderdomsmeting is gebaseerd op de evolutietheorie: als zouden de laagste wezens voorafgegaan zijn aan de hoger ontwikkelde. Is die theorie onjuist, dan is de leeftijdsbepaling van de aarde onjuist.
Anders gezegd: de miljoenen jaren wereldgeschiedenis, de klimatologische wijzigingen op aarde, de ijstijden en zo voort zijn het gevolg van een theorie, welke in het leven is geroepen om de ouderdom van de aarde vast te stellen. Geen wonder dat evolutionisten herhaaldelijk op het hoofd moeten krabben.
Hun sleutel is opgeborgen in de brandkast!

Dank zij een grote dosis jeugdige moed, een Bijbels vooroordeel en grote belezenheid toont dr Ouweneel aan dat zij, die de Bijbel letterlijk nemen, veel minder problemen overhouden. Daarmee schijnt hij een goed eind op weg te zijn, om de ouderdom van deze aarde op ongeveer 7000 jaar te stellen. Dat alles is toch interessant genoeg om een volgende week op door te gaan?


*) Een lichtjaar is weliswaar geen eenheid van tijd doch van afstand, maar suggereert genoeg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief