Tweeërlei oproep tot kerkelijke hereniging
1978-05-19
In "Saamhorig" las ik dat prof. Douma geschreven heeft over een mogelijke hereniging van de Vrijgemaakte Kerken "binnen" en "buiten verband". Voor zo'n hereniging heeft hij al vast een aantal "voorwaarden" geformuleerd! Hier volgen ze: - Jaargang 22
- nummer 20
1. De onverkorte aanvaarding van de gereformeerde belijdenis, overeenkomstig het Ondertekeningsformulier.
Tot beslechting van de strijd onder ons over dit punt houdt deze onverkorte aanvaarding concreet in, dat
a. De Particuliere Synode van het Zuiden van 1962-1963 "terecht de aangenomen leer der kerk in antw. 57 van de H.C. als de leer der Schrift heeft gehandhaafd tegenover de daarvan afwijkende en daarmee strijdende gevoelens van Ds B. Telder;
b. De Generale Synode van Rotterdam-Delfshaven terecht de aangenomen leer der kerk, uitgedrukt in de Dordtse Leerregels als de leer der Kerk heeft gehandhaafd tegenover de daarmee strijdende gevoelens van Ds L. E. Oosterhoff.
2. De hartelijke verdediging van het zelfstandig bestaansrecht van de gereformeerde kerken.
Tot beslechting van de strijd onder ons over dit punt houdt deze hartelijke verdediging concreet in, dat
a. de Vrijmaking niet slechts een "historische aangelegenheid" is, maar in gedachtenis dient te worden gehouden als een werk des Heren, dat ook voor het heden van betekenis is voor ons en onze kinderen.
b. samenspreking op landelijk niveau met de synodale kerken in de huidige situatie zinloos is, gelet op de voortgaande ontwrichting in leer en leven van deze kerken, waartegen tot nu toe zowel vanuit haar eigen kring als van onze zijde tevergeefs gewaarschuwd is.
3. De loyale hantering van de kerkenordening voor het onderlinge verkeer van de kerken.
Tot beslechting van: de strijd onder ons over dit punt houdt deze loyale hantering concreet in, dat
a. de besluiten van meerdere vergaderingen overeenkomstig art. 31 van de D.K.O. en met behoud van de daargenoemde uitzondering, metterdaad voor vast en bondig worden gehouden;
b. het verband met die kerken, die de onder a. genoemde besluiten niet voor vast en bondig willen houden, maar zich aan de meerdere vergaderingen óók verder niets gelegen laten liggen, als verbroken moet worden beschouwd.
Tot zover prof. Douma.
Toen ik dit stuk met deze "voorwaarden" die in feite "eisen" zijn Las, herinnerde ik mij een vroegere poging tot "hereniging" van kerken. Die ging uit van Calvijn. En ze betrof de vereniging van de Geref. Kerken en de Lutlherse. Calvijn was door fanatieke Luthersen - o.a, Westphal en Heshusius - op een schandelijke en zelfs lompe wijze aangevallen en belasterd. Het heeft maar een haar gescheeld of deze Lutherse fanatiekelingen hadden hem met een kerkelijk banvonnis verdoemd.
En wat en hoe schreef Calvijn toen? Ik zal het hier laten volgen: "Wat men ook moge zwetsen", zo begon hij zijn oproep, "wij zijn zeker niet door menselijke beschikking uit de verstrooiing van het pausdom tot die eenheid samengebracht, welke er thans is."
En waaromtrent Calvijn met de zijnen èn de Luthersen - ondanks alle mogelijke verschillen in avondmaalsopvatting, kerkregering enz. die hij beter dan iemand anders kende het eens waren tekent Calvijn dan met deze woorden: "Over de éne God en de ware rechte wijze om Hem te dienen; over de verdorvenheid van de menselijke natuur en de zaligheid uit genade; over de manier waarop de rechtvaardigheid verkregen wordt; over het ambt en het werk van Christus; over de bekering en haar uitwerking; over het geloof dat ons heilszekerheid schenkt; over het gebed en over alle andere hoofdpunten wordt immers overal bij ons hetzelfde verkondigd. Wij roepen de éne God, onze Vader, aan in het vertrouwen op dezelfde Middelaar; dezelfde Geest der aanneming tot kinderen is ons een onderpand van onze toekomstige erfenis; door hetzelfde offer heeft Christus ons allen verzoend; op dezelfde gerechtigheid die Hij voor ons verworven heeft, vertrouwt ons aller hart en wij beroemen ons op hetzelfde Hoofd."
En nadat Calvijn zo het volle licht heeft laten vallen op dat waarin Gereformeerden en Luthersen één: zijn gaat hij in grote bewogenheid zó verder: "Het zou toch wonderlijk zijn als Ohristus, die wij allen loven als onze Vrede, die aan alle vijandschap een einde heeft gemaakt en God in de hemel met ons verzoend heeft, niet óók zou maken dat wij hier op aarde een broederlijke vrede onderhouden!
Wat moet ik nog zeggen over onze opdracht om dag in: dag uit te strijden onder dezelfde banier tegen de Antichrist en zijn tirannie, tegen het afschuwelijk bederf van de ohristelijke religie, tegen de goddeloze bijgelovigheden en de ontheiliging van al wat heilig is. Is het voorbij zien van zovele heilige samenbinding en van deze overeenstemming (consensus) welke zo kennelijk door de hemel werd gesanctioneerd en het veroorzaken van scheuring (divortium, letterlijk: echtbreuk) onder hen, die in hetzelfde leger strijden niet even wreed als de goddeloze verscheuring van Christus?"
Tot zover Calvijn.
Dit zijn twee oproepen tot vereniging. Ik zou de lezers willen verzoeken beide goed op zich te laten inwerken.
In de eerste klinkt ons tegen de kille superioriteit van de man die, overtuigd van eigen gelijk, vanuit kerkelijke hoogheid decreteert op welke voorwaarden de afvallige “tegenpartij" in genade kan worden aangenomen.
In de andere horen we de christen wiens hart gebroken is vanwege de kerkelijke verscheurdheid, die vóór alles wijst op Jezus Christus, op wat Deze schonk en op de eenheid die Hij door zijn Geest bewerkte, die alle 0:1-recht en smaad die hem door "de tegenpartij" werd aangedaan vergeet, en die nu, met het oog op Christus, smeekt om ondanks alle verschillen de uitgestoken warme broederhand te aanvaarden!
De "wortels" van de politiek
Het Friesch Dagblad citeerde uit EIseviers Magazine een uitspraak van Mgr. Ernst, bisschop van Breda, over de "wortels" van de politiek. Het is deze:
"Wanneer men naar de betekenis van het christen-zijn voor de mens als politiek verantwoordelijke vraagt, dan heeft dat, dunkt mij, betrekking op de wortels van de politiek. En wel op de wortels van politiek in een diepere laag dan de politieke keuze zelf. Ik zou er graag vier willen noemen.
De eerste is de wederkerigheid van de verhouding van God en mens en van de verhouding mens en mens...
(..) Een tweede wortel van politiek (..) is de wisselwerking van hart en daad, die fundamenteel is bij Jezus (..), Een derde wortel is de maatstaf van het politiek gebeuren: gerechtigheid. (..) En de vierde is de doelstelling: de vrede in de. zin van broederschap" .
Toen ik dit las dacht ik aan wat Groen van Prinsterer meermalen over de "wortel" van de christelijke politiek heeft opgemerkt. Ik noem een paar van zijn uitspraken.
In de Nederlandse Gedachten van 16 dec. 1869 schreef hij: "Tegen het ongeloof zijn we met de ganse christenheid, rooms en onrooms, verenigd door het geloof in de enige offerande eenmaal aan het Kruis volbracht.
Tegen elk bijgeloof, ook tegen dat van Rome, ligt de kracht der Reformatie in het Amen op de apostolische belijdenis van Luther en Calvijn: niets (let wel: Niets!) te willen weten dan Christus en dien gekruist. Vrede door het bloed des kruises. Deze waarheid die, zegt men, arm is, maakt volgens ons voor de eeuwigheid rijk!"
En in de Tweede Kamer zei Groen eens in grote bewogenheid: "Het leerstellige, historische, positieve Christendom, het licht waarvan elke kerkelijke belijdenis een straal is... heeft tot middelpunt: het Kruis. In dat éne woord is de ganse leer, die de christen beide in het leven en in het sterven rust geeft, de leer van zonde, verlossing en dankbaarheid, vervat. Neem het weg, dan valt, naar mijn beschouwing (zo exclusief ben ik) het Christendom weg... Hier ligt een onoverkomelijke kloof. En waarom zijn wij in dit opzicht, exclusief?
Omdat, zodra wij ophouden exclusief te zijn, wij worden geabsorbeerd; omdat hier een vraag is, in de meest verheven zin van het woord, over leven en dood." (Adviezen Il, 268, 269) Dit is de wortel, de kern, de allesbeheersende drijfkracht van heel Groens grootse politieke activiteit.
Van Groen, die volgens de A.R.P. de staatsman is om na te volgen.