De Nederlandse trek naar Amerika 1846-1947

1978-05-19
  • Jaargang 22
  • nummer 20
De Nederlandse trek naar Amerika 1846-1947
door P. A. D. Stokvis

Het is vrij algemeen bekend dat in de vorige eeuw een naar verhouding groot aantal Afgescheidenen ons land heeft verlaten om in Amerika een nieuw vaderland te zoeken. Er heerst zelfs een vrij hardnekkig misverstand dat deze trek naar Amerika in hoofdzaak een aangelegenheid van de Afgescheidenen zou zijn geweest, die door emigratie zochten te ontkomen aan discriminatie en geloofsvervolging in Nederland. De werkelijkheid is echter dat het aantal Afgescheidenen ruw geschat tussen een derde en een kwart van het totaal aantal Nederlandse landverhuizers heeft bedragen.
Op zichzelf is dat natuurlijk een belangrijk deel, als we bedenken dat het aantal Afgescheidenen tijdens het hoogtepunt van de trek ongeveer één procent van de gehele bevolking bedroeg.
Als we lezen dat in het topjaar 1847 op de 575 Nederlanders 1 emigreerde (pag. 5) kunnen we ons er een voorstelling van maken met welk een ingrijpende gebeurtenis voor Nederland we in deze landverhuizing te doen hebben. Met deze boeiende aangelegenheid houdt de auteur van het hier te bespreken boek zich nu bezig. Hij heeft zich daarbij beperkt tot de jaren 1846-1847, omdat in deze jaren de Nederlandse landverhuizing - onderdeel van een internationale, die hij de grootste landverhuizing aller tijden noemt - voor het eerst een aanzienlijke vlucht nam en toen het migratiepatroon tot stand kwam dat op de latere landverhuizing mede van invloed was (Inleiding). Breed schetst de auteur in de eerste zes hoofdstukken de achtergronden, waarbij hij op gelukkige wijze onderscheidt tussen oorzaken en motieven.
Daarbij neemt hij de historische, sociale en economische wetenschappen te baat, ook de kerkelijke aspecten komen daarbij aan de orde in verband met het grote aandeel van de Afgescheidenen in de emigratie en voor zover van belang de politieke. Vervolgens schetst hij het beeld dat men van Amerika had, de toestand daar in vergelijking o.m. met Nederland, het oordeel over de landverhuizing als zodanig in Nederland, de organisatie van de landverhuizing, de houding van de overheid tegenover, haar bemoeiing met het vervoer der landverhuizers, hun vervoer en reis, terwijl zijn conclusies tenslotte kort en duidelijk worden meegedeeld. Een in het engels gestelde Surnmary besluit het werk, dat rijk voorzien is van tabellen, enige kaarten, noten, literatuuropgave enz.
Het geheel getuigt van grote ijver, speurzin en een zo objectief mogelijke, wetenschappelijke behandeling van de stof. Toch laat het boek zich prettig en gemakkelijk lezen ook door de niet vakman, waartoe ook bijdraagt dat er veel geciteerd wordt uit brieven van de landverhuizers .zelf, geschreven zowel voor als na hun vertrek. Dit verleent het boek een bijzondere aantrekkelijkheid en laat zien dat de auteur zich heeft trachten in te leven in de gemoedgesteldheid van de landverhuizers, om daarmee ernstig rekening te houden in zijn conclusies.

Zoals boven reeds werd aangegeven was het aandeel van de Afgescheidenen in de landverhuizing aanmerkelijk groot. Terecht geeft de schrijver daarom aan de trek der Afgescheidenen ruime aandacht. Een vijfde deel van zijn boek handelt afzonderlijk over hen. Daarbij worden de achtergronden en de geschiedenis der Afscheiding belicht, met name ook de interne twisten, omdat deze naar de mening van de schrijver van invloed :zijn geweest op het feit dat een bepaald deel der Afgescheidenen bijzonder voor de landverhuizing was geporteerd. Ook verder komen de Afgescheidenen ter sprake, zo bij de behandeling van de organisatie van de landverhuizing. De auteur heeft zich goed georiënteerd op al deze punten en veel literatuur over dit .alles verwerkt. Dit neemt niet weg dat er hier en daar wel enige kritiek te oefenen valt.
Zo zegt de auteur dat door de in het reglement van 1816 geschapen bestuursvorm voor de Ned. Herv. Kerk de lijn van het overheidstoezicht, dat ook tijdens de Republiek bestond, duidelijk en uniform werd doorgetrokken.
Dit reglement vernietigde echter de gehele organisatievorm der kerk tijdens de Republiek, die er ondanks bepaald overheidstoezicht toch bestond, pag. 40. Van een 'kerkstaat', geformuleerd in de formulieren en de Dordtse Kerkorde, pag. 41, moet men maar niet spreken. Een christelijk overheidsbeleid dat de kerk beschermt en het evangelie bevordert in zijn loop kan niet met de naam 'kerkstaat' getypeerd worden. Op pag. 40 lezen we ook nog: Het kerkelijk beleid was gericht op handhaving van de bestuurlijke eenheid door een zekere mate van leervrijheid toe te staan. "Een zekere" kan beter vervangen worden door: "praktisch volledige".
De verhouding van de herv. kerk tot het stuk van de leer was anders dan die van de tot 1795 heerschende kerk, welk gevestigd was op de basis van "gemeyn accoort" t.a.v. de belijdenis" schrijft J. Reitsma: Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden, 4e Herziene druk bezorgd door J.
Lindeboom, pag. 446. De auteur is van mening dat conflicten tussen kerkeraad en kerkvoogdij, predikant en kerkeraad of kerkeraad en gemeenteleden veelal aan de afscheiding waren voorafgegaan en dat deze conflicten zaken van beheer en beleid en vooral benoeming van predikanten betroffen, pag. 41, zonder opgave van vindplaatsen! Het is juist dat er vaak conflicten tussen gemeenteleden en kerkeraden voorafgingen, maar die gingen dan over de handhaving van de zuivere leer. De schrijver tracht werkelijk een objectief beeld te schetsen en houdt zich ver van de wel zeer eenzijdige beschrijving van de Afscheiding, zoals we die vinden in het bovengenoemde werk van de twee vrijzinnige hoogleraren Reitsma en Lindeboom, maar hier suggereert hij oorzakelijke verbanden die behalve op het door mij aangegeven punt niet aanwijsbaar zijn. De Afgescheidenen bestonden vrijwel overal uit kleine groepjes, die niet of nauwelijks waren vertegenwoordigd in kerkenraden en kerkvoogdijen. Er waren maar vijf predikanten, die aanvankelijk
meegingen en dat niet wegens conflict met hun kerkenraden, maar met de hogere kerkbesturen. In twee jaar tijds ontstonden er ongeveer tachtig Afgescheiden gemeenten, wier plotselinge verschijning niet te verklaren valt uit louter plaatselijke conflicten, maar slechts uit een algemene oorzaak: geestelijke honger naar werkelijk voedsel en besef van verantwoordelijkheid voor de rechte leer der kerk. De auteur zegt dat in het algemeen de Afscheiding gezien kan worden als het emancipatiestreven van een godsdienstige minderheid, pag.
43. De wetenschap werkt met algemene begrippen en wetten, maar kan daardoor het bijzondere soms niet vatten en loopt dan gevaar te vervallen tot bloedarmoede. Teveel invloed van de natuurwetenschappen op de sociologie? Maar keren we terug tot het eigenlijke onderwerp van deze studie: de landverhuizing. De schrijver heeft zich zo breed met de Afscheiding bezig gehouden omdat hij het grote aandeel van de Afgescheidenen in de "trek" naar Amerika wil belichten.
Hij geeft een uitstekend gedocumenteerd overzicht van de interne twisten onder de Afgescheidenen - een bedroevend hoofdstuk uit de geschiedenis der Afscheiding - om duidelijk te maken hoe het komt dat een bepááld deel van de Afgescheidenen het overgrote deel van de Afgescheiden landverhuizers vormde, nl. de 'dissidenten' en de van de hoofd stroming geïsoleerd levende provincies.
De hoofdstroming is de 'synodale' stroming, met name te vinden in Friesland, Groningen, Drenthe en Noord-Holland. Scholtianen waren te vinden in Utrecht en Zuid-Holland, terwijl Zeeland sterk onder invloed stond van een leerling van Scholten, ds C. van der Meulen, De volgelingen van Brummelkamp bevonden zich in Beneden Gelderland, Overijssel volgde in hoofdzaak van Raalte, terwijl de kerken van Noord-Brabant zich onder leiding van Gezelle Meerburg afzijdig hielden. Limburg kende geen Afgescheiden gemeenten en ook praktisch geen landverhuizers. In het bizonder voor hen, die zich voor de geschiedenis der Afgescheidenen interesseren is het nu een boeiend gegeven dat de schrijver aannemelijk tracht te maken dat het vooral de zich naast de synodale hoofdstroming bevindende Afgescheidenen aan de landverhuizing hebben deelgenomen en dat hun afzondering of hoe men het noemen wil daartoe heeft meegewerkt.
Immers, van de hoofdstroming trokken slechts 491 Afgescheidenen naar Amerika, van de andere groepen 1363, resp. 35 en 47 procent, dit in het jaar 1847.
Ik ben geneigd hier toch een vraagteken te zetten. Want het grotere aantal Afgescheiden landverhuizers uit de "dissidente" provincies, 3 x het aantal uit de 'synodale', komt in een ander licht te staan wanneer men bedenkt dat het de laatst genoemde bedraagt. In 1847 vertrokken uit Friesland, Groningen, Drenthe en Noord-Holland in totaal 1006 landverhuizers, waarvan 1463 Afgescheidenen, dat is 47%! en uit de overige provincies ' 4321 in totaal, waarvan 1363 Afgescheidenen, dat is 35%. De totale bevolking van de 'synodale' provincies bedroeg volgens de gegeven statistieken 988.859 personen, die van de overige genoemde 1.869.846, dus ongeveer 2 x zoveel, terwijl het aantal landverhuizers uit de laatste provincies ongeveer 4 x dat uit de eerstgenoemde bedroeg. M.a.w. dat het aantal afgescheiden, 'synodaal' georiënteerde landverhuizers zo gering is geweest in verhouding tot het aantal 'dissidente' en 'geïsoleerde' vindt een gerede verklaring in het veel geringere animo tot landverhuizing, dat in hun provincies in het algemeen bestond.
Om een eenvoudig voorbeeld te noemen. Gelderland telde bijna 2 x zoveel inwoners als de provincie Groningen, maar ruim 7 x zoveel landverhuizers, daaronder ruim 3 x zoveel Afgescheidenen.
Overigens, de schrijver wijst er terecht op dat niet slechts godsdienstige motieven de Afgescheidenen tot landverhuizing voerden, maar daarnaast ook economische en sociale. Dit was wel algemeen bekend maar wordt in dit boek keurig en onder aanhaling van veel materiaal overtuigend uit de doekjes gedaan. Een hoogst interessant boek, waaraan een enorme arbeid is ten grondslag gelegd. Het boek is uitgegeven in offsetdruk door de Universitaire Pers Leiden als XXI deel van de Leidse Historische Reeks van de Rijksuniversiteit te Leiden, terwijl Z,W.O. de publicatie mogelijk maakte. De prijs is f 45,-.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief